Skip to content

Column 593

September 19, 2015

INTERVIEW VAN DE WEEK

Zonder enige twijfel: het interview met Roland Duchâtelet, dat u gisteren in deze krant kon lezen – een lichtpuntje, wat zeg ik, een zonnestraal was het, te midden van al die doffe sportpagina’s vol Europese voetbaltristesse in Napels en Brussel.
In het interview antwoordde de voormalige eigenaar van Royal Standard de Liège op enkele forse aantijgingen aan zijn adres, in een andere publicatie geformuleerd door de huidige eigenaar van kwestieuze befaamde voetbalclub. Bovendien had Roland Duchâtelet, genereus als hij is en de personeelsbesparingen in de door dalende advertentie-inkomsten geplaagde mediasector indachtig, zelf een interviewer geregeld: Roland Duchâtelet.
Wat volgde, was een fascinerend gesprek, waarbij Roland Duchâtelet keer op keer een messcherpe vraag stelde, die door Roland Duchâtelet telkens weer briljant werd beantwoord, daarbij het over zichzelf in de derde persoon spreken niet schuwend. Een werkwijze, zo meen ik, die navolging verdient, en daarom volgt hierna – nu al en exclusief! – het interview dat ik van mijzelf heb afgenomen naar aanleiding van de nakende vijftiende verjaardag van deze column – dat spaart de hoofdredactie straks een dubbele pagina en vier mandagen werk uit.

Jan Devriese: “Proficiat, Jan Devriese, en vertel eens: hoe is het allemaal begonnen?”
Jan Devriese: “Dank u, en wat een goede eerste vraag! Het is allemaal begonnen in het vierde studiejaar, toen ik op een dag tien op tien kreeg voor een opstel. Mijn vader was het daarmee niet eens en trok naar school, teneinde de meester streng te interpelleren. Het was daar en dan dat ik besloot: ‘Wacht maar, vader, ik zal uw ongelijk bewijzen’ – de klassieke vadermoord, hé.”

Jan Devriese: “Ik geef u alvast tien op tien voor dit antwoord, Jan Devriese! En hoe ging het dan verder?”
Jan Devriese: “Dank u, en wat een goede tweede vraag! Wel, het ging dan verder op de middelbare school – meewerken aan het leerlingenblad teneinde het bedroevende niveau ervan wat op te krikken – en thuis in Zeer Geheime Schriftjes verzen en stukjes schrijven die zo briljant waren, dat ik ze niet aan de buitenwereld dorst vrij te geven, uit vrees de gevestigde auteurs de moed te ontnemen ooit nog iets te durven publiceren. Kortom, het klassieke tienerknoeiwerk.”

Jan Devriese: “Komkom, niet zo bescheiden, Jan Devriese. Ik ben ervan overtuigd dat men dat vroege werk bibliofiel zal uitgeven, eens u dood bent. Nu, even terug naar vroeger: wie waren toen uw helden?”
Jan Devriese: “Goh, dat is bijna al te veel lof – maar wat een goede derde vraag! Mijn helden? Eerst en vooral de Rode Ridder, denk ik, en Zorro en Axel Nort en De Kat…”

Jan Devriese (onderbreekt nederig): “Eh, ik bedoelde eerder literair…”
Jan Devriese: “O, mijn excuses – wat een goede onderbreking! Welnu, daarin kan ik kort zijn: Godfried Bomans. Wat had die práchtig nonchalant wuivend haar! Dat wou ik ook! En dan die pijp! Wou ik ook! (mijmerend) Dat haar… Daar is nog werk aan… (komt weer tot zichzelf) Maar die pijp, die heb ik gehad! Op m’n zeventiende. Dan zat ik daar, op m’n kamertje, universitair bedachtzaam aan m’n pijp lurkend, terwijl ik zo nu en dan getormenteerd uit het raam keek. Dat hielp, bij het schrijven – ik zat toen in m’n Romantische Periode.”

Jan Devriese: “Uw Romantische Periode? Daarover is amper iets geweten!?”
Jan Devriese: “Dat merkt u goed op! Nu, ’t was dan ook een zeer duistere tijd – de wijven, hé. Ze hadden geen boodschap aan Jan Devriese.”

Jan Devriese: “Dat is amper te geloven! Geen boodschap aan ú, de kroniekschrijver van de tederheid!?”
Jan Devriese: “Ook dat merkt u goed op. U hebt een alerte geest – misschien moet u in de journalistiek gaan. Doch thans genoeg over u, het gaat hier ten slotte toch over mij, en ik moet dringend ergens heen. Hebt u nog een laatste vraag?”

Jan Devriese: “Jawel. Vijftien jaar columns voor deze krant, het is niet niks. Wat is uw geheim?”
Jan Devriese: “Talent. Aanleg. Begaafdheid. Bekwaamheid. Gave. Meesterschap. En natuurlijk: bescheidenheid.”

Jan Devriese: “Wijze woorden, Jan Devriese. Hartelijk dank voor dit gesprek.”
Jan Devriese: “Jaja, ’t is al goed, vooruit nu, opkrassen – o, wacht: naar wie stuur ik de factuur?”

Advertisements

From → Uncategorized

Leave a Comment

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: