Skip to content

Onsterfelijk

Wat ging hij lekker, op z’n skateboard. Oortjes in, blik op niks, lichtjes zigzaggend in het zonnetje, in wonderlijk evenwicht, ondanks die iets te lange armen en benen – als je pakweg veertien bent, schieten die dingen als bamboe. O ja, wat ging hij lekker, verzonken in het moment, het eeuwigdurende moment, op die laatste zomerse dag van de vakantie.

Het scheelde weinig, of ik had hem doodgereden.

Op de hoek van de straat schoot hij, blik op niks, vanop het trottoir rechtdoor de weg op. Niet eens op het zebrapad, want dat was er niet. Ik gooide alles dicht. Hij kletterde onderuit. Verdwaasd keek hij me aan – de pijn moest nog komen, pijn heeft geen haast.

Hoeveel geluk hij heeft gehad, beseft hij wellicht niet. Ventjes van pakweg veertien doen niet aan beschouwing of gemijmer. Ze racen door de dag, lekker, op hun skateboard. Hooguit levert zoiets een stoer verhaal op, bij de vriendjes, die hem vervolgens bewonderend aankijken en stiekem wensen dat het hun was overkomen.

Dat ik hem niet heb doodgereden, heeft alvast zeker met twee dingen te maken: de vele honderdduizenden kilometers die ik achter de lichtjes vermolmde kiezen heb, en het feit dat ik ooit ook veertien ben geweest. Je hebt ze in de gaten, zoals ze daar op het trottoir met een cool rotvaartje door het leven suizen. Je ziet ze suizen en beseft: ze zijn er niet. Ze zijn elders. In dat eeuwigdurende moment waarop ze onsterfelijk zijn. Dood is voor oma’s. En honden.

Gisteren zijn ze, naar aloude traditie, weer eens gelost, de onsterfelijken. Met tienduizenden zijn ze ’s morgens uitgezwermd, naar school. Je leert het nooit af, als ouder, wanneer je je duivenjong kommerloos ziet wegfladderen: die even begrijpelijke als zinloze bezorgdheid – als ze maar heelhuids terugkeren. Want dat het zal gebeuren, dat staat vast. En is het niet jouw kind, dan is het wel het kind van iemand anders, onder jouw auto. Of onder een bus, een vrachtwagen, een aanstormende trein. Nee, de dood is niet kieskeurig.

Het zal deze column niet lezen, het ventje van veertien. Maar ik moest ‘m wel even schrijven. Als bezwering.

Advertisements

Waardig garen in eigen nat

Het was het jaar waarin The Ramones hun debuutalbum uitbrachten en de Sex Pistols als een vieze ziekte door Engeland heen raasden – Anarchy in the U.K., indeed. Het was het jaar waarin Brotherhood of Man het Eurovisiesongfestival won met ‘Save Your Kisses for Me’ en de Lage Landen in de ban waren van Pussycat en Julien Clerc. Het was het jaar waarin Lucien Van Impe de Ronde van Frankrijk won en Ivo Van Damme tweemaal zilver haalde op de Olympische Spelen. Het was het jaar waarin Ruisbroek onder water kwam te staan en de OCMW’s werden geïnstalleerd. Het was het jaar waarin Sony de Betamax-videocassette op de markt bracht en Steve Jobs en co de Apple Computer Company oprichtten.

Het was, evenwel, vooral het jaar waarin twee zeer opmerkelijke fenomenen op ongelukkige wijze elkaars pad kruisten.

Er waren, vooreerst, die vijftien opeenvolgende tropische dagen, van 24 juni tot 8 juli. Vijftien dagen naeen meer dan dertig graden. In België. België, begot. Land van regen en wind. Land van bijna. Land van een beetje. En dan dit. Báf. Alles. Ineens. Verzengend heet. De droogte. De drooglegging. Boetes voor wie z’n auto waste. Sproeiverbod. Gelaten aanschouwde vader de doodsstrijd van zijn gazon. Tuinen werden ten grave gedragen, baby’s huilden zoutkorrels, in de verte blafte een gemummificeerde hond. Hitte. Hellegat.

Er was ook dit: ik diende mij in die dagen te vermommen in volwassene. Het broekventje, door een speling van het lot een jaar te vroeg in het eerste studiejaar gesukkeld en nooit meer van die weinig benijdenswaardige voorsprong af geraakt, moest zich op z’n zestiende op school aanmelden in hemd en das, met een keurig jasje eroverheen, voor de mondelinge examens. Een heus ‘kostuum’ mocht ook, maar zoveel budgettaire gekkigheid permitteerden vader en moeder zich niet – het waren de tijden van één salarisje en veel spaarzaamheid. Dus kreeg ik een overhemd van vader in bruikleen, in een kleur die ik beleefdheidshalve als wc-groen zou omschrijven, en een stropdas van diezelfde vader – een wurgkoord in groen, rood en wit. Een keurig jasje had ik: iets waarvan moeder enkele maanden eerder had beslist dat ik er keurig mee stond en inspraak bestond in die tijd uit stilzwijgen. Het was flessengroen. En gemaakt van dik ribfluweel. Kortom, zeer geschikt voor de winter.

Daar ging ik dan, op die tropische dag, in m’n wc-groene hemd en flessengroene winterjas, bovenaan afgesnoerd met een stropdas, onderaan met fietsspelden – je wou niet met je broekspijpen in je fietsketting verzeild raken, want dan stond je wat te wachten bij thuiskomst, zo je al de halsbrekende val zou overleven. Na pakweg vijftig meter fietsen barstte het zweet me uit. Dra had ik een natte kop – alsof ik aldoor een onzichtbaar open kraantje boven m’n hoofd had hangen – en leek het alsof iemand een lauwe dweil over m’n rug en schouders had uitgewrongen. Daar ging ik dan. Vochtig vélocipède-verschijnsel.

Bij aankomst op school was ik schier geheel vloeibaar geworden. Ik stalde m’n fiets, trok m’n fietsspelden uit – ádem, benen, ádem! – en wandelde zo achttienjarig mogelijk de speelplaats op. Alwaar klasgenoten in vlotte hemdjes met korte mouwen, het jasje nonchalant over de schouder geslagen, me fris en monter opwachtten. Já, zo overpeinsde ik, ja, dat ga ik ook nog gauw even doen, lekker het jasje uit en gezellig een beetje meesmuilen over defectieve werkwoorden en alkalische verbindingen. Ik knoopte m’n flessengroene wambuis los en maakte aanstalten om het ding uit te trekken – toen viel m’n blik op het wc-groene hemd: vanuit m’n oksels waren twee indrukwekkende donkergroene vlekken op zoek naar elkaar, bijna dwars over m’n amechtige borstkasje heen.

Snel knoopte ik m’n jas weer dicht. (Ik zou hier willen schrijven dat het angstzweet om uitgelachen te worden me uitbrak, doch dat zou een zwaktebod zijn.) Ik wandelde naar de toiletten, wachtte tot er niemand meer was en trok vliegensvlug m’n jasje uit, teneinde in de spiegel snel de ernst van de situatie te kunnen aanschouwen. Ik schrok: dit was niet meer zweten, dit was de zondvloed. Het wc-groen was bijna helemaal donkergroen geworden. Zo kon ik me niet vertonen. Dit was beschamend. Gauw schoot ik m’n jasje weer aan. Er zat niks anders op dan waardig te garen in eigen nat.

En zo geschiedde. De examens leverden geen noemenswaardige problemen op – althans geen die ik me kan herinneren, al valt het niet uit te sluiten dat mijn bijwijlen ongetwijfeld potsierlijk gewauwel een enkele leraar blijvende gehoorschade heeft bezorgd. Men zegt soms zomaar wat, in het zweet zijns aanschijns.

De tropische dagen van 1976 zijn weerkundige geschiedenis, de examens zijn lang vervlogen, het zweet is gebleven. Nu eens het mijne, dan weer dat van anderen. Nu eens in innige verstrengeling, dan weer op veilige afstand. Doch steevast met respectvolle aandacht, en somtijds met een berustende glimlach.

Zo is mij uit de jaren tachtig van de vorige eeuw het haar van de formidabele tennisser Ivan Lendl bijgebleven: hij zweette stevig, over z’n hele lijf, en over bijna z’n hele hoofd – er restte hem telkens een droog toefje haar, dat helemaal bovenaan trots en parmantig rechtop bleef staan, onaangetast door ’s mans gul gutsende klieren. Ik keek het toefje aan, en werd vanzelf een beetje vrolijk – dit geheel in tegenstelling tot de eigenaar van kwestieus toefje, die schier aldoor keek alsof hij in z’n eentje de hartenpijn van alle toenmalige Oostblok-mensen torste. O, wat kon hij prachtig tegelijk boos en droef kijken!

Doch zweet vraagt ook ernst.

Mensen die geheel onvrijwillig bovenmatig zweten, weten zich vaak geen raad. Somtijds worden ze erom gemeden. Eén zweethanddruk volstaat. Bah, vies. Volgende keer zwaaien we wel even, van ver. Met hooguit een koel hoofdknikje toe. En dan is er de martelkamer genaamd kleerkast: bleke kledij wordt algauw ongemakkelijk doorzichtig, donkere kledij laat al te zichtbare zoutrandjes na, alles daartussenin schreeuwt in geen tijd ‘Kijk, bah, uitzwermend zweet!’ Plus: ze lijken aldoor verdacht: waarom zweten die nu zo? Is het angstzweet? Verbergen ze iets? In het beste geval worden ze gewoon hardop bespot – denk aan de talloze grapjes over de okselvijvers van pakweg Ben Crabbé. Hohoho, jaha, die humor hebben we van onze favoriete nonkel, die overigens alleen maar alcohol zweet, doch hou dat stil.

Niks genadelozer dan mediocriteit.

***

Aan al deze dingen lag ik te denken, enkele weken geleden, in de schaduw van een sympathiek hotelgebouw op een immer zonnig eiland in een oceaan. We waren er te elfder ure heen gevlucht, toen de weersvoorspelling voor onze Belgische contreien er al te Belgisch uitzag. Zij houdt van de zon, ik van de schaduw, dus dat kwam goed uit, want – jawel – geen schaduw zonder zon. Ik was evenwel enigszins op m’n hoede, want ik herinner me tiendaagse reizen naar zonovergoten overzeese gebieden, waar ik tien dagen lang zo lek als een zeef leek en mijzelf des avonds volgoot met drank doch daar hooguit een weinig verkwikkende comateuze slaap aan overhield. Mijn achterdocht bleek thans echter overbodig: ik heb op kwestieus eiland een week lang heerlijk gepit en tussendoor een kleine duizend bladzijden Maxim Gorki gelezen. Daarin werd bijwijlen duchtig gezweet – de grote strijd van de kleine mens. Dan knikte ik eens begrijpend en keek de druppel na die tussen m’n vakantievoeten op de grond uiteenspatte: condens van m’n ijskoude longdrink.

 

(Gepubliceerd in De Morgen van 19 augustus 2017)

Kaakslag

De zomervakantie is begonnen – men merkt zulks aan de regen – en dus breekt thans de examentijd voor de ouders aan. Maandenlang zijn zij in de weer geweest om een sluitend plan op te stellen voor hun nageslacht. Een plan waarin kwestieuze kwekelingen geen dag, wat zeg ik, geen moment lusteloos ruggelings in de divan duikelen en klaaglijk de gruwelijkste aller woorden uitstoten: ‘Ik verveel mij.’ Een kaakslag, dat zou het zijn. Een vernedering, het ultieme bewijs dat men als ooit hitsige verwekker van al die centimeters lamlendigheid schandelijk heeft gefaald.

En dus tekent men reeds in de aan de zomervakantie voorafgaande maand september de contouren ener welhaast militaire operatie uit.

Eerst een strategie. Men sluit niet-aanvalspacten met de schoonfamilie. Slaat op de eerste oudercontactavonden praatjes met wildvreemden die naar verluidt de verwekkers van een klasgenootje zijn, teneinde uit te vissen of zij aan de eigen hoge pedagogische normen voldoen – je moet er niet aan denken dat je kind een zomers weekendje doorbrengt bij naaktlopers of, erger nog, liefhebbers van schlagers. Gaandeweg vergaart men aldus medestanders, met wie desnoods uitwisselingsakkoorden te sluiten zijn.

Dan een begroting. Men rekent voor wat zo’n zomervakantie mag kosten. Gaat na waar uitgaven desgevallend deels dan wel geheel te boeken vallen onder eigen bedrijfskosten. (Van een gezinsreisje valt, met wat neoliberale humanitaire medewerking, al gauw een partieel beroepsgebonden verplaatsing te maken.) Men pluist vakantiekampbrochures uit, dicht het kind sportieve dan wel creatieve ambities toe – ‘Hoe kan je nu, zonder het te proberen, weten of je dat niet geweldig leuk vindt, Genderneutraal Breien?’ – en begint als een zitpenninghoer te lobbyen om het kind des zomers ergens enkele weken betaald te laten lummelen.

In december maakt men een tussenbalans op, in maart kruist men biddend de vingers, in juni blikt men in koortsangst vooruit: het Groot Examen begint – welke beoordeling krijgt men, van z’n kinderen, in september?

Van mij krijgt u op 2 september een nieuwe Hoofdzaken.

Papkind

Wat ik van korte broeken op het werk vind, wou ze weten. Ha!

Nog voor m’n inwendige brutaaltje guitig-samenzweerderig in een tv-camera kon blikken en Iets Stouts zeggen, onderbrak ze m’n droom om de Jani van de Redactie te worden: ze wou over deze belangwekkende kwestie enkele gedachten verzamelen voor een stuk dat ze zou schrijven. Ik zag de bui al hangen: mijn gefundeerde mening zou helemaal ondergesneeuwd raken, in een wereld waarin voornamelijk kwiek-artistieke jongelui van na de oorlog de dienst uitmaken. Troosteloos slofte ik naar m’n stoel en broedde venijnig op een reactionaire column.

Korte broeken op het werk zijn aanstellerig en contraproductief.

Althans, voor zover men met ‘werk’ bedoelt: tv kijken, radio luisteren, lezen, telefoneren, kwebbelen en op een toetsenbord tokkelen in een kantoorruimte met airco.

Wie zich daar aandient in korte broek, is een papkind. Een watje, dat deugd zou hebben van een goeie ouderwetse legerdienst – een vooroorlogs wintertje in pakweg Kassel, wachten kloppen, munitiedepots bewaken, speedmarsen lopen, en om de acht weken een weekend naar huis. Daar word je een echte kerel van. Nu stapt zo’n slapjanus uit z’n koele woonst in een koele auto en rijdt naar een koele redactie. In korte broek, want tjonge, anders overleeft hij het niet, hoor, die tweemaal tweehonderd meter die hij in openlucht moet slenteren.

’t Is ook ronduit contraproductief, zo’n korte broek op kantoor. De kortebroekdrager mag dan wel vleselijk op het werk zijn, in gedachten is hij elders. In z’n tuin, op een terrasje, aan zee, op Kreta, in Acapulco, eender waar, maar níét op het werk. Hij is, zoals hij daar onderuitgezakt in z’n stoel hangt, de blote benen uitgestrekt op een laag kantoormeubeltje, de armen nonchalant langs de rugleuning van de stoel bengelend, één beweging verwijderd van de volstrekte overbodigheid: de arm die vanuit de elleboog lui omhoog gaat, eindigend in een ten hemel wijzende wijsvinger, aldus een fris glas bier bestellend bij de net passerende hoofdredacteur.

Echte mannen in korte broek horen na het werk samen te douchen.

Walvisbraaksel

Toen ik nog op onvrijwillige basis een korte broek droeg, was ik gefascineerd door een artiest die zich op het podium liet onthoofden. We hebben het allebei wonderwel overleefd. Ik heb nooit de aandrang gevoeld om, net als hij, een boa constrictor om mijn hals te draperen en vervolgens op een elektrische stoel te worden geroosterd, hij heeft lang geleden z’n alcoholverslaving ingeruild voor een golfverslaving en bijzonder dodelijk is dat niet – al valt het natuurlijk niet uit te sluiten dat hij tijdens een partijtje golf op de dertiende hole wordt verrast door een fatale blikseminslag. Hij zou er, zo vermoed ik, wel de ironie van inzien. Weliswaar héél kortstondig. In een flits.

Een beetje aanleg voor ironie helpt, in het leven. In het formuleren van een schijnbare tegenstelling tussen feit en wens ligt de aanvaarding van dat feit besloten. Lichtvoetig danst men een paso doble met de onvermijdelijkheid. Men pareert de onredelijkheid Des Levens met de redelijkheid van de geest. Men vergroot niet uit, integendeel, men reduceert. Inkoken verfijnt én versterkt de smaak.

Helaas zal de smaak ons aan onze socialemediareet roesten. Uitvergroten is de mode. Een malleman scandeert, ten einde z’n spaarrekening een bestaansreden te verschaffen, iets stouts over een beatje heen, en hop, de goegemeente slaat alarm: schande! De ziel van het kind! Van óns kind! Ons kind, hoogsensitief en hoogbegaafd en lactose-intolerant en van nature veganistisch! Ons kind, wiens babykwijl waardevoller is dan walvisbraaksel! Het wordt in z’n waardigheid aangetast en in z’n morele kruis getast door die vunzige vuilbekkerij! Verbieden, die troep!

Vandaag heet de vermeende vuilbekker in kwestie Jebroer (duivel!), gisteren Lil Kleine en Ronnie Flex (drank en drugs!), eergisteren Sex Pistols (fucking cunt!) en Urbanus (bakske vol met stro!). En dan heb ik het nog niet eens over de tijdelijk zichtbare heupen van Elvis Presley, die in de bibliotheek der natte broekjes boekdelen spraken.

Als uitvergroten ons één ding leert, dan wel dit: dat we ironie geofferd hebben op het altaar van gemakzucht.

Zeroïek

Terwijl ik stond aan te schuiven om de auto te laten keuren, overpeinsde ik welk onderwerp geschikt zou zijn voor deze aflevering van m’n column. Aangezien ik tevoren een afspraak had gemaakt – “handig en snel!” –, kon ik helaas maar een uurtje aanschuiven. Er moest dus efficiënt gepeinsd en fluks beslist worden.

Brussel, zo sprak ik mezelf bemoedigend toe, schrijf iets over het amechtig politiek volkstheater in Brussel, waar holle retoriek moet doorgaan voor daadkracht, en stilzwijgen voor ethiek. Niemand anders zal daarover schrijven, én je kunt van de gelegenheid gebruik maken om een neologisme te introduceren: ‘zeroïek’, een nieuw woord voor de mengeling van ongeloof, woede, afkeer, berusting en desinteresse – oei, desinteresse, ja, nee, dus daarover schrijf je beter niet. Geen kat die het leest.

Iets buitenlands dan, pepte ik mezelf op, iets over het amechtig politiek volkstheater in Groot-Brittannië of de Verenigde Staten. Ook dáárover zal geen enkele andere columnist het dit weekend hebben. Wat de voormalige FBI-baas James Comey onder ede zei over de huidige president van de Verenigde Staten, bijvoorbeeld, en andersom – twee mannen, minstens één leugenaar: dat is toch gevonden vreten? En zo’n vale vaatdoek als Theresa May, die overbodige verkiezingen uitschrijft en daarin een duchtig pak voor de conservatieve broek krijgt, waardoor Albion nu nog perfider is dan het al was, dat sméékt toch om enkele welgemikte zinnen?

Tut-tut, wees ik mezelf streng terecht, dat dénk jij maar. Voor wie schrijf jij eigenlijk? Voor jezelf of voor je lezers? Je lezers hebben geen boodschap aan masturbatoire taalgymnastiek, hoor. Ze willen inzicht, of vermaak, of met rust gelaten worden.

Ik moest mezelf gelijk geven: inzicht of vermaak heb ik nu eenmaal niet te bieden. En dus besloot ik finaal fluks niet over amechtig politiek volkstheater te schrijven, maar over de autokeuring, teneinde dit stukje alsnog te kunnen afronden met een happy end.

De auto bleek beter in vorm dan de chauffeur.

Briljant niks

Voor mij staat een gigantische kast zonder deuren, verdeeld in tientallen vakjes waarboven telkens een postcode staat. Naast mij liggen met dubbele elastiekjes bijeengehouden hoge stapels ingevulde overschrijvingsformulieren. Het is de bedoeling dat ik de formulieren één per één bestudeer, teneinde de postcode erop te ontdekken en vervolgens het formulier in het vakje met dezelfde postcode te deponeren. Zal me dat lukken? Voor alle zekerheid wordt het me driemaal uitgelegd. Door drie mensen. Door een typiste, door haar baas, en door zijn baas. Dooreen. Eén ding is me meteen duidelijk: het betreft hier een zaak van het allergrootste belang, waarbij ook maar het minste foutje leidt tot een cataclysme van het ruimte-tijd-continuüm.

‘Ik denk het wel’, knik ik nederig, me bewust van de grootsheid van het moment. Je krijgt immers niet iedere dag de kans om het werk van een klerk over te nemen.

De klerk is met vakantie. Leuk voor hem, vervelend voor het ruimte-tijd-continuüm. Maar gelukkig is er een kereltje bereid gevonden om, onder het toeziend oog van een typiste, een onderbureauchef en een bureauchef, een maand lang elastiekjes los te maken en overschrijvingsformulieren te klasseren. In ruil daarvoor ontvangt het kereltje omgerekend 375 euro. Lekker. Dat is een bromfiets. Tweedehands. In theorie. Als het mag. (Het mag niet.)

Dat ’bereid gevonden’ is overigens niet helemaal correct. Het kereltje is daar neergepoot op voorspraak van z’n vader, die van het bestaan van de vakantiejob op de hoogte was en vond dat het tijd was dat het kereltje in de zomer eens wat anders deed dan briljant niks. Het is tenslotte net zestien geworden. Zestien. Misschien, zo meent de vader, valt er nog iets te redden.

Goedbedoeld, natuurlijk, maar schandalig. Immers, door het kereltje aan dat baantje te helpen, heeft de vader duizenden andere tieners gediscrimineerd, nietwaar, Unia?

Het kereltje is er de vader nog altijd dankbaar voor. Het besefte daar en toen dat er in het leven meer moest zijn dan veertig jaar lang overschrijvingsformulieren klasseren. Lang leve de discriminatie!