Skip to content

Knieën

Daar ga je dan. Eindelijk. 

Je hebt er een jaar lang naar uitgekeken en je er de gebraden duifjes voor uit de mond gespaard. Je hebt er anderhalve dag over gedaan om er te geraken, waarvan een halve dag met een gemiddelde snelheid van vijf kilometer per uur – links en rechts werd je voorbijgestoken door wandelende montere inboorlingen. Je hebt je weer maar eens veel te zware koffers binnengesleept in iets wat op de website een suite met panoramisch zicht leek maar bij aankomst een groot uitgevallen schoenendoos met kijkgat blijkt. Je hebt een uur aangeschoven aan de materiaalpost en een uur aan de lift – reeds nijgt de lokale zon grijnzend ter kimme –, máár: je bent er. 

Je checkt en klikt, wriemelt en wringt, ademt wufte wolkjes. Nog even schieten de extra lessen die je voor alle zekerheid had genomen je door het hoofd. En – verdomme – de woorden van die befaamde chirurg die gespecialiseerd is in knieën, die enkele weken geleden in deze krant vertelde dat er één sport was waaraan hij zich nooit zou wagen: skiën. Je slikt en staart naar beneden. In een flits denk je aan Michael Schumacher. Je helm vult zich met koud zweet. Je hoopt dat je wakker schrikt, maar je slaapt niet.

Dan krijg je plots een enthousiaste por: ‘Gaan we?’ Je knikt bleekjes, achter je trendy zonnebril. Daar ga je dan. Net niet warm in de broek. 

Tenminste, zo stel ik het me voor. Aan skiën ben ik nooit toegekomen. Toen ik jong was, was er geen geld voor, en toen er geld was, was ik al te oud geworden voor waaghalzerij met m’n beperkt aantal knieën. Dus gebruikte ik die hooguit om te plooien, zodat ik kon gaan zitten. 

Dan zat ik daar, lekker onderuit, drankje erbij, en genieten maar, van die jongens en meisjes die zich op m’n tv-scherm van een besneeuwde bergflank stortten alsof de verschrikkelijke yeti ze op de hielen zat. In werkelijkheid werden ze gedreven door een hoogmoedig misprijzen voor de zwaartekracht en een vanuit psychiatrisch standpunt bekeken interessante doodswens.

Zij die mij waarlijk lief zijn, bevinden zich thans op een besneeuwde bergflank. ik schrijf om het noodlot te bezweren.

Advertisements

Staartje

We kunnen niet zonder goden. We mogen ze dan al duizenden keren stellig dood hebben verklaard, telkens weer verrijzen ze fluks en nestelen ze zich grijnzend in ons bestaan. Goden zijn sterker dan een op wetenschap gestoelde overtuiging.

Dat we niet zonder ze kunnen, bewijzen we iedere dag opnieuw. Met onze taal.

Wie op gezette tijden turnt met taal, weet het wel: van de andere drie gymnasten in het aldus gevormde kwartet is grammatica de stramste, spelling de slapste en woordenschat de lenigste. Velen menen dat je, door halsstarrig vast te houden aan de wetten der grammatica en spelling, de teloorgang van de taal kunt bezweren – een taak die zij welhaast als een heilige plicht beschouwen, daar zij ervan overtuigd zijn dat met de teloorgang van de taal ook de ondergang van de samenleving zich aandient. In de vleselijke wereld noemt men zulke lieden ouderwets, op de sociale media taalnazi’s. In werkelijkheid zijn zij hopeloze romantici. De door hen gedroomde onwrikbaarheid van de taal dient hun persoonlijke wankelmoedigheid te stutten.

Veeleer dan in de diepgevroren grammatica en spelling, voelt men de polsslag van de taal – en dus de samenleving – in het lillende leven genaamd woordenschat. Pas daar weerspiegelt zich de werkelijkheid, pas daar meet men het soortelijk gewicht van waarden en opvattingen, pas daar ontwaart men de immer vloeiende veranderlijkheid. De oude waarde verschrompelt, het oude woord wijkt, het nieuwe inzicht wordt uitbundig taal. Er zijn geen negers meer.

Er zijn wel nog goden. Zij huizen in onze krachttermen, in onze gezegden, in onze beeldspraak. Wanneer woorden ons tekortschieten, grijpen wij naar ze terug. Mensen die in onze ogen iets waarlijk uitzonderlijks presteren, kennen wij een goddelijke status toe. Zo is het met schrijvers, met kunstenaars, met sportlieden en – jawel – met modeontwerpers. Lees er de vererende berichten over de deze week overleden Karl Lagerfeld maar op na. God heeft een staartje.

Die beeldspraak verraadt het menselijke onvermogen om de mogelijkheid dat er een god bestaat uit te sluiten. In taal huist altijd hoop.

Bij leven

Je hoort en leest het wel vaker: dat mensen zo stiekem mogelijk nog in leven zouden willen zijn op de dag van hun uitvaart. Om te weten wie opdaagt. Wie krokodillentranen huilt. Wie roddelt. Wie oprecht treurt.

Psychologen zeggen daar dan psychologendingen over. Dat zulke mensen zich onvoldoende geliefd weten, een laag zelfbeeld hebben, kampen met hoogmoedswaanzin, onversneden misantropen zijn. Naar keuze, al dan niet tegen terugbetalingstarief.

In diezelfde uitvaartsfeer vraag ik me soms gratis af: wat bezielt mensen om pas ná iemands dood uit te roepen hoeveel de aflijvige voor hen betekent?

Nu ook weer, bij het heengaan van Willy Willy, de vervaarlijke gitarist die half Vlaanderen weleens heeft aangezet tot onbetamelijke dan wel potsierlijke bewegingen met de heupen. Op de sociale media struikelde je over de min of meer lyrische ontboezemingen aan zijn adres. Lieden die in geen honderd jaar een half woord aan ’s mans openbare leven hadden besteed, barstten uit in van elkaar geleende gemeenplaatsen. Wie daar al te lang in bleef grasduinen, kreeg de stellige indruk dat heel Vlaanderen aan collectieve waanzin ten prooi was gevallen en zich dra stervensbereid in zee zou storten, aldus de stijging van de zeespiegel noodlottig bespoedigend.

Vreest evenwel niet, gij koene zonen en dochters van de gouw: het is geen genetisch gedetermineerde of territoriaal gebonden aandoening. Ook bij zeer geïsoleerde stammen komt dit fenomeen voor. Neem nu de Angelsaksen. Als het om bijzaken zoals de brexit gaat, rollen deze ruige lieden vechtend over de witte kliffen van Dover, maar toen eerder deze week bekend raakte dat Gordon Banks overleden was, staakten ze hun wild geraas en verbroederden ze in een immer uitdijende waas van aan hysterie grenzende aanbidding. Gordon Banks was geen oorlogsheld of staatsman. Hij was de doelman van het Angelsaksische voetbalteam dat in 1966 per vergissing wereldkampioen werd. 

Laten we iets vaker elkaar bij leven vertellen hoeveel de andere voor ons betekent. Het zou niet alleen de zeden verzachten, maar ook de pijn van het immer dreigende plotse afscheid.

Hobby

Voor zover ik kon zien, stond ‘op café gaan’ niet op de lijst. En dus behoor ik blijkbaar tot de twaalf procent Belgen die geen enkele hobby hebben. 

Die lijst van hobby’s, zo las ik in de vrijdageditie van deze krant, is het resultaat van een onderzoekje door marketingconsultant iVOX, en zulke jongens mag je gerust geloven – ja, geloven, want marketing is tenslotte religie. 

Uit dat onderzoekje blijkt voorts dat vier op de tien Belgen binnen het jaar stoppen met hun nieuwe hobby, dat de Belg gemiddeld 3,2 hobby’s heeft en dat de top vijf bestaat uit sporten (43%), lezen (39%), muziek (23%), koken/bakken (22%) en tuinieren (20%). Ik heb geen tuin, bereid maaltijden voornamelijk tegen de honger, vermijd hossende massa’s, en blink qua lichaamsbeweging uit in aamborstig rondlummelen. Nee, die top vijf halen, dat is voor mij een onbereikbare droom.

Blijft dan toch over, zult u opmerkzaam en bemoedigend zeggen, lezen?

Lief dat u het zegt, maar: nee. Een hobby zal lezen nooit worden. ‘Hobby’ vooronderstelt een vrije keuze. Dat je bijvoorbeeld, nadat je lekker noest in je moestuin hebt zitten wroeten en met de voortbrengselen der aarde een overheerlijke stoofschotel van peentjes en postelein tevoorschijn hebt getoverd, handenwrijvend tegen jezelf zegt: en nu ga ik gezellig een halfuurtje lezen. Zo werkt het bij mij niet. Ik kan niet niet lezen. Alleen al het dreigende vooruitzicht dat ik over enkele weken zonder niet gelezen boeken zou kunnen komen te vallen, jaagt mij in angstzweet naar de boekhandel, alwaar men bij mijn binnenkomst steevast meteen de telefoon grijpt en monter een nieuwe auto bestelt. Ach, gij onweerstaanbaar oord van verderf. Soms stap ik er kwansuis toevallig binnen: vooruit, ééntje maar, hoor. Vijftien seconden later: hooguit drie, hé. Finaal sleep ik in een roes een halve ton leesvoer naar buiten.

Een hobby kan men zulks niet noemen. Het is wat het is: een verslaving.

Ik ken een hoogbejaarde man die het lezen noodgedwongen heeft opgegeven. De concentratie lukt niet meer. Het zijn lange dagen, zucht hij vaak. Ik knik begrijpend. Hij gaat niet op café.

Studiedag

Beste vrienden en vriendinnen en genderfluïde medestanders,

welkom op onze studiedag ‘Klimaat: mateloos, met mate’. Ik hoop dat de koffie jullie heeft gesmaakt en dat jullie hersenen al een beetje knetteren van de ideeën, want zo meteen beginnen we met de werkgroepen. Sta mij echter toe eerst nog even te schetsen wat de inzet van deze studiedag is. 

De uitdaging, beste vrienden en vriendinnen en genderfluïde medestanders, is niet eenvoudig: we moeten het klimaat warm houden én tegelijk de mensen er niet mee verstikken. 

Ja, vandaag is het klimaat hot, maar de verkiezingen zijn er pas over vier maanden. Het klimaat moet dus heelhuids door de winter zien te komen en het grootste gedeelte van de lente doorworstelen. Vooral de lente is gevaarlijk. Dan durft het al eens mooi weer te zijn, met aangename temperaturen en de eerste blote benen. Dat is niet goed voor het klimaat, want dan verslapt de aandacht van de mensen. Ze beginnen aan leuke dingen te denken, en dat is natuurlijk iets wat we moeten zien te vermijden. Laten we dus hopen op een snikhete lente – de mensen halen weer en klimaat nu eenmaal makkelijk dooreen en dan zijn onze electorale broodjes gebakken.

Over broodjes gesproken: we pauzeren om twaalf uur – er is ook diervriendelijke soep.

Na de pauze, beste vrienden en vriendinnen en genderfluïde medestanders, buigen we ons over het tweede deel van de uitdaging: we moeten het klimaat doseren. Te weinig klimaat is geen optie, te veel klimaat kan fataal zijn. Omzichtigheid in onze communicatie is dus geboden. Niet alles wat fout gaat, is de schuld van het klimaat – soms is het gewoon de schuld van de andere partijen. Gun de mensen een dag zonder klimaat – behalve op 1 mei, want díé dag maken we tot de onze: Ontwaakt, versuften der Aarde!

Beste vrienden en vriendinnen en genderfluïde medestanders, ik ga afronden. Hier links van het podium begint nu de werkgroep Krachtige Leuzen, rechts de werkgroep Oprechte Verontwaardiging, achteraan links de werkgroep Toegepast Calvonisme, achteraan rechts de werkgroep Realisme Is Een Dwaling.

Succes, en lang leve het klimaat!

Speekselspatten

Wanneer bekende mensen overlijden, horen we er wat van te vinden. Wie er niks van vindt, die wordt weggezet als wereldvreemd, verwaand, autistisch of gewoon dom. Het idee daarachter is dat men, door de andere als dusdanig weg te zetten, net benadrukt dat men zelf helemaal niet wereldvreemd, verwaand, autistisch of gewoon dom is. Wat op zich natuurlijk wel een beetje verwaand en dom is. En dus vermakelijk. 

Er zit in dat ‘er wat van vinden’ ook een hiërarchie. Zo is het gevaarlijk om van het overlijden van een bekende zanger hardop iets te vinden als je er maar drie albums van hebt, want je kunt er donder op zeggen dat je uitgerekend net dan naast iemand staat die er tien albums van heeft én de zanger al aan het werk had gezien nog voor die beroemd was, in een thans niet eens meer bestaand zaaltje achter een nu afgebroken kerk in een door de immer wassende wateren verzwolgen polderdorp; er was hooguit twintig man, waarvan er vandaag, zanger inclusief, negentien overleden zijn – een tópconcert! Wat die ene overlevende van dat overlijden vindt, is dan natuurlijk veel relevanter. Hoe dichter je bij de zon komt, hoe mooier bruin je bent, toch?

Tja, dan sta je daar, met je bleke meninkje. Het dichtst dat jij ooit bij kwestieuze zanger bent geraakt, was toen je door de straat wandelde waar hij 45 jaar eerder had geposeerd voor de hoesfoto van een van de drie albums die je hebt. Dat schept een band, maar toch lang niet zo’n hechte als ‘en ik stond op dat concert helemaal vooraan en voelde zijn speeksel op mijn gezicht spatten!’ 

De jaren hebben je geleerd dat speekselspatten op je gezicht de norm niet zijn. Dat de echt belangrijke mensen in je leven niet zingen – hooguit neuriën ze, in de beslotenheid hunner douchecabine of werkkamer. Ze zoeken het podium niet, het volk vindt ze. Doordat ze, met volgehouden hardnekkigheid en schier heldhaftig onbevreesd, het allerhoogste nastreven: aan de vaak betreurenswaardige staat van het leven dat ons allen midscheeps treft iets meer menselijkheid, iets meer waardigheid toevoegen. Zo’n echt belangrijk iemand was Etienne Vermeersch.

Geloven

Donderdag had ik op het werk een IT-probleem. De man die het kwam oplossen zei dat hij een softwaretoepassing liet geloven dat ze een recentere versie van zichzelf is. Ik moest me bedwingen om niet voor Hem te knielen, Zijn hand te kussen en te prevelen dat ik niet waardig was dat Hij tot mij was gekomen.

‘Geloven’, ja, dat zei de man. Mooi, hoe hij de taal van het volstrekt irrationele gebruikte om een hoogst rationeel proces te omschrijven. 

Ongetwijfeld deed hij dat omdat hij uit mijn geknoei en gestamel terecht begreep dat ik terzake een simpele geest ben – zoals je een kind van twee onbekommerd voorzingt dat je de zon hebt zien zakken in de zee, omdat je beseft dat het kind je niet zal onderbreken met de mededeling dat je uit je volwassen speknek kletst; integendeel, het zingt en zwaait vrolijk mee, want van zingen en zwaaien snapt een tweejarige doorgaans net iets meer dan van de wetten van het universum.

Ik was de man oprecht dankbaar voor dat ‘geloven’. Zoals ik mij oprecht beledigd had gevoeld indien hij mij omstandig in vaktermen had uitgelegd wat hij had gedaan. Net door het gebruik van dat ‘geloven’ had hij mij in mijn waarde gelaten. Wie tegen een buitenstaander jargon gebruikt, heeft niet de bedoeling uit te leggen, maar te overdonderen. Dan staat de taal niet ten dienste van de aangesprokene, maar van de spreker. Aanschouw de lelijke smoel der zelfverheerlijking.

Let wel, dit is geen pleidooi tegen jargon. Dat ware ridicuul, want vergeefs. Iedereen heeft een jargon. We gebruiken het om de banden met de ingewijden te versterken en de afstand tot de buitenstaander te bestendigen. De buitenstaander die zich een term uit andermans jargon toe-eigent, maakt zichzelf minstens een beetje belachelijk, zo hij al geen aanleiding tot ergernis geeft. Ik zou bijvoorbeeld mezelf genadeloos uitlachen als ik plots iets ‘vet’ of ‘cool’ of – godbetert – ‘boeie’ zou noemen. Net zoals ik me zou ergeren aan iemand buiten m’n vriendenkring die verhalen begint te vertellen over ‘tegelskippen’. Tegelskippen is van óns. En bovendien te belachelijk voor woorden. U mag me geloven.