Skip to content

Glimlach

Veel is er niet nodig. Een beetje tijd. Een extra centje. Wat goede wil.

Terugblikken hoeft niet. Dat doen anderen voor u. Professionele terugblikkers. Het hele jaar door leggen zij als bezetenen lijstjes aan, maken zij mapjes vol submapjes, broeden zij kippendriftig op formats. Dezer dagen storten zij de zorgvuldig bereide vrucht hunner afwijking over u uit. Moe, maar tevreden.

(Wacht, nee, niet tevreden. Veeleer met forse tegenzin heel even berustend in de zoveelste confrontatie met de eigen onvolkomenheid. En vervolgens er weer tegenaan. Met aandoenlijke verbetenheid. Geloof me, ik ken ze. De ongelukkigen.)

U kunt er eens goed voor gaan zitten, voor zo’n professionele terugblik, bij een geurige bak koffie of een romig ruisende trappist, en zich verbazen over wat u allemaal weer hebt overleefd en de selectiviteit van uw geheugen. U neemt een slok en mijmert een wijle in stille dankbaarheid.

U kunt die hele hap ook feestelijk negeren. U hebt namelijk wel wat beters te doen dan te zwelgen in goedkoop sentiment. U weigert mee te stappen in de hersendodende tredmolen van die perfide schuldinductie-industrie. U houdt de blik strak gericht op wat komt. Achteromkijken is gevaarlijk, als je immer voortraast.

Zelve ben ik niet zo’n voortrazer. Doorgaans zit ik hoog op de zijberm, wijnkoeler bij de hand, in de schaduw van een forse partij hoogstammige vegetatie. Ik kauw op een strootje en kijk naar beneden. Daar spoedt men zich massaal van links naar rechts en van rechts naar links. Er komen brokken van, weet je als ervaren zijbermzitter, brokken en files. Je benijdt niemand. Je haalt het strootje uit je mond en nipt aan je glas. Dan hoor je plots geritsel. Je kijkt om en ziet een merel die, het kraalogig kopje driftig heen en weer draaiend, in schichtige hupjes het gras doorzoekt. Misschien, zo denk je, wil hij m’n strootje wel. Je legt het neer en glimlacht om jezelf.

Zo probeer ik deze feestdagen door te komen, en dat wens ik ook u, trouwe lezer, toe. Glimlachend. Toekijkend. In het moment. Weg van de waan. Weg van het jaar. Onthecht.

Nee, veel is er niet nodig.

Advertisements

Gedoe

Bekentenis: ik geef graag cadeautjes.

Mensen die tegen betaling in je hoofd kijken, zullen zeggen dat ik dat doe om aardig te worden gevonden. Die mensen krijgen van mij geen cadeautje.

Toegegeven, cadeautjes voor volwassenen gaan me beter af dan die voor tweejarigen. Dat komt hoofdzakelijk doordat ik me net iets makkelijker kan voorstellen hoe het is om een volwassene te zijn. Van mijn tweejarigheid herinner ik me voorlopig niets. Dat komt pas, zo lees ik weleens in vakbladen, als ik een jaar of vijfennegentig ben. Nu al benieuwd. Wellicht iets met kak.

Aan cadeautjes voor volwassenen zitten twee mooie kanten: enerzijds de erkentelijke glimlach van de begunstigde bij ontvangst van het kleinood, anderzijds de schier militaire operatie die aan de overhandiging voorafgaat.

Jawel, ik ben van de oude strekking: ik peins, overweeg, noteer, bereken, schrap, voeg toe, herbereken, weeg af, beslis en strompel vervolgens de winterstad in, met in mijn hart de moed der goedertierenheid en in mijn ogen de blik der waanzinnigheid, daar ik op het laatste moment het zorgvuldig samengestelde lijstje in de prullenmand heb gegooid, in de overtuiging dat mijn vindingrijkheid mij zal voorzien van een prachtvracht aan cadeautjes zonder schipbreuk te lijden op de verraderlijke klippen mijner talent voor impulsaankopen.

Inderdaad, het is telkenjare een hoogst wonderlijke, voor de toeschouwer ongetwijfeld uiterst vermakelijke vaart.

Om mij heen schudt men, bij het aanhoren mijner avonturen, steevast meewarig het hoofd. Onnozele hals, zo zie ik men denken, al dat gedoe, al die moeite, al dat tijdverlies. Men boldotcomt en feliciteert zichzelf.

Dat lukt mij niet. Ik hou van de valse romantiek die schuilt in het zelf de straat op gaan, in het zelf radeloos rommelen, in het zelf zeulen met veel te zware tassen, in het zelf inpakken – een aandoenlijk gevecht met papier, plakband en krullint dat doorgaans eindigt in het moedeloos staren naar een door tien boldotcomcamions overreden parallellepipedum.

Een cadeautje geven, zo bromt de oude man in mij, is telkens ook een beetje van jezelf geven.

Bevrijding

Eindelijk. Eindelijk waren de moderne tijden aangebroken. Eindelijk zouden wij binnentreden in de heerlijkheid van het bestaan. Eindelijk zouden wij deelachtig worden aan de geheimen die de sleutel vormden tot het ware leven, het leven zoals wij ons dat droomden.

Inderdaad: voor het eerst kregen wij op de middelbare school de mogelijkheid om Engels als tweede taal te kiezen.

Tot dan was Frans impératif geweest. Je was eraan begonnen in het vijfde studiejaar, enkele uurtjes per week, bovenop het reguliere pakket. Vocabulaire en orthographe, gedreund dictee, in eindeloze herhaling, terwijl de zon ter kimme neeg en de tijd voor plezier onherroepelijk verloren ging. Stilletjes verwenste je je ouders. Frans was een verdrukking.

Engels was een bevrijding. Samen met de kauwgum en de nylonkous aan land gekomen in 1944 en hier nooit meer weggegaan. En terwijl Frans de taal bleef van lieden in zwarte rolkraag die in rokerige kroegen schouderophalend mistroostig zaten te zijn, werd Engels de taal van de morele plicht genaamd optimisme en van die hoogst prettige jeuk onder je navel. Als je Engels sprak, barstte je wereld open, groeide je haar, swingden je tieten. L’enfer, c’est les autres? Make love, not war! Vlaanderen Vlaams? Hm. Vlaanderen Engels, ja!

Dat we op school in de jonge jaren zeventig van de vorige eeuw eindelijk Engels als tweede taal konden kiezen, was dus gewoon een inhaalbeweging. De erkenning van een fait accompli. Frans was de taal van het verleden.

Hoe ingrijpend die omslag is geweest, werd deze week nog maar eens duidelijk bij de dood van Johnny Hallyday. Johnny dafuck who?, vroegen vele cultuurminnende jongelui van dertig, veertig zich af. Welleuh, Johnny van ruim 110 miljoen verkochte platen en meer dan vijftig keer Vorst Nationaal, antwoordden vijftigers en zestigers, eraan toevoegend: maar ja, hij zong in het Frans.

Overigens heb ik Engels niet als tweede taal mogen kiezen. Het bleef Frans. Nuttiger, en net dat ietsje verfijnder qua cultuur, vonden ze thuis. Enkele jaren later ontdekte ik Serge Gainsbourg. En spuwde Jacques Brel ‘Les Flamingants’.

Wegkijken

Net toen het zijn beurt was, bleek de ketel leeg. Geen gratis soepmaaltijd, dus. Niks. Daar stond het dan, beteuterd te dralen. Nu eens blikte het in z’n lege plastic doosje, dan weer naar de man die de ketel optilde en ermee weg stapte. Tussen berusting en hoop op een mirakel in. Zinvolheid en zinloosheid in één beeld.

Het jongetje was een jaar of zeven, acht. Donker Zuid-Afrikaantje. De man met de ketel was een blanke Belg van achtenveertig, nieuwsanker bij de VRT en vierentwintig uur te gast bij Eric Goens, in diens portretprogramma ‘Die Huis’. Daarin had hij even tevoren gezegd: ‘Uitgesloten worden is nog altijd een van mijn grootste angsten.’

De ene wordt uitgesloten omdat hij homo is, de andere omdat de ketel leeg is. Telkens rest slechts de honger. Knagend.

Je wéét dat ze bestaan, de schriele zwarte jongetjes van een jaar of zeven, acht die tevergeefs aanschuiven voor een lepel eten. Je weet het, en dat moet doorgaans volstaan. Je wil ze niet iedere dag in je gezicht gewreven krijgen. De aanblik is ondraaglijk. Je ziet zo’n jongetje, en in één klap zie je ze allemaal, ooit. Alle jongetjes, alle meisjes, alle mannen, alle vrouwen, in alle kleuren en maten, in eindeloze golven aangespoeld. Menselijk wrakhout. Je wordt misselijk en kijkt weg.

Je kijkt weg en je blik dwaalt naar binnen. Geen beter medicijn tegen medelijden dan zelfmedelijden. (Onder het vergrootglas van het eigen falen wordt doorgaans andermans schuld zichtbaar.) Kneusje van de klas. Reserve in het voetbalteam. Overgeslagen tijdens de kusjesdans. Transparant aan de toog. Krap bij kas, knaapje tussen kerels, dromer van dribbels, ruzie met rekenen. Overal achteraan, telkens net niet. Je was louter ach en wee. En niemand die het zag. En wie het zag, die keek weg. Ja, toch?

Dat is dus wat schriele zwarte jongetjes van zeven, acht met een leeg plastic doosje met je doen: in al hun machteloosheid je genadeloos terugwerpen op je eigen machteloosheid. Nu, en toen. Tegen toen vermag je niks. Tegen nu helpt een trage slok van je glas wijn en zappen: hé, iemand maakt een grap over zuurgooiers, leuk!

Kus

Er bestaat een foto – eigenlijk een prehistorisch diapositief – van mijn broer en mij, waarop we staan afgebeeld terwijl we het hoogst energieke muziekensemble genaamd Slade nabootsen. De foto is om vele redenen die ik u uit lijfsbehoud bespaar merkwaardig, maar het allermerkwaardigst is ze toch wel hierom: wij waren met z’n tweeën, Slade was met z’n vieren.

Dat deerde ons niet. Zozeer waren wij in de ban van de band, dat wij deze numerieke tekortkoming slechts als een verwaarloosbaar detail beschouwden. Waar de werkelijkheid danig in gebreke bleef, schoot de verbeelding krachtdadig te hulp: wij voelden ons, daar en dan, een kwartet. Wij wáren het. Get down and get with it!

Verbeelding helpt je door de tienerjaren heen. De eenzamen verzinnen vriendjes, de eerzuchtigen triomfen, de dromers verhalen, de gekwelden soelaas. De ene sluit de ogen en hoort het gejuich van een extatisch stadion, de andere sluit de ogen en voelt de kus van de aanbedene.

Zo hebben deze week wereldwijd miljoenen vrouwen teruggedacht aan het onbeschrijfelijk heerlijke moment waarop ze de ogen sloten en op hun hunkerende lippen de kus van David Cassidy voelden. Waarna David Cassidy op een knie ging zitten en die miljoenen vrouwen ten huwelijk vroeg – ze werden vloeibaar van geluk.

David Cassidy had pinkeloogjes. En lachkuiltjes. En schouderlang golvend haar. Hij speelde gitaar en zong. Dat deed hij schattig, monter en klaterend, samen met z’n mama, z’n twee broertjes en z’n twee zusjes. De muzikale sitcom ‘The Partridge Family’ maakte van hem in de vroege jaren zeventig (van de vorige eeuw) een tienermeisjesidool en bracht vele behangselpapierwinkels tot het faillissement, daar miljoenen tienermeisjes hooghartig verzaakten aan het comfort en de esthetiek van behangselpapier – zij bekleedden de muren hunner tienermeisjeskamers nog louter met posters van David Cassidy, die hen aldus immer pinkelogend schattig toelachte alvorens hen, zodra zij de ogen hadden gesloten, een hemels zoete kus op de hunkerende lippen te drukken.

David Cassidy is deze week overleden. Hij laat miljoenen weduwen achter.

Gewoon

Het opvallendste aan de gebeurtenissen op het Brusselse Muntplein was natuurlijk dit: dat een kereltje van achttien dat niks bijzonders te melden heeft op Instagram 600.000 volgers heeft.

Vargasss92, zoals kwestieus kereltje zich aldaar laat noemen, redt geen op exotische stranden aangespoelde vinvissen, schildert geen onmogelijke ballen wonderlijk in deze of gene bovenhoek, draait niet genderdisruptief met z’n kont. Hij klimt al eens in een boom, speelt wat met de hond en rijmelt een eind weg. Daarvan laat hij beelden zien. Meer is het niet. Ongemeen boeiend, vinden 600.000 jongelui.

Als dat al iets bewijst, dan wel dat mensen zoals ik er geen hol meer van snappen. Mensen zoals ik zijn oude zakken. Die nog geloven dat alleen het exceptionele bijzondere aandacht verdient. Een restant, wellicht, van hopeloos achterhaalde, pedagogisch en psychologisch onverantwoorde, walgelijk spartaanse opvoedingsprincipes, zoals daar zijn: ’Doe je best’.

Blijkbaar is, in deze tijden van elkaar overtreffende buitensporigheden en daarmee gepaard gaande geëxalteerde superlatieven, het gewone uitzonderlijk geworden. Voor uitsloverij past slechts minachting, redeneren jongelui.

Geef ze eens ongelijk. Waarom zou je je best doen? Je bent opgegroeid bij lieden die je prezen voor alles. Voor een boertje, een kakje, een hupje. Voor een slecht getekend mannetje, voor een vals gezongen lied. Je bleek vanzelve geniaal en leerkrachten die daaraan hardop dorsten te twijfelen, werden door je ouders voor de vierschaar gesleept – onderwijs wordt trouwens schromelijk overschat, meneer, want weet u wie er ook maar tot z’n zestiende naar school is geweest? Picasso!

Nu, misschien hebben die 600.000 jongelui wel een punt. Misschien, beste oude zakken, moeten we wat vaker het gewone nastreven – zonder dat we ons daarvoor uitsloven, natuurlijk. Gewoon wat beter nadenken, bijvoorbeeld, eer we kinderen verwekken. Gewoon er zijn, eens zij er zijn. Gewoon ze niet aldoor uitbesteden. Gewoon eens samen in een boom klimmen en dat gewoon niet filmen, maar gewoon samen om ons heen kijken en gewoon samen zwijgen.

Tips

U moet er wat van vinden.

Van de Paradise Papers. Van de Catalaanse kwestie. Van de wapenwetgeving in de Verenigde Staten. Van de ‘Me Too’-verhalen. Van het onderzoek naar de Bende van Nijvel. Van de personeelsproblemen bij de Rode Duivels. Van de kiponwaardige leefomstandigheden van kippen. Van het floppen van de nieuwe single van Josje. Van het herfstweer. Van de klaarblijkelijke onuitroeibaarheid van de zwarte Zwarte Piet. Vind er wat van! Vínd, verdomme!

Het liefst van al zou u de vingers in de oren stoppen en luidkeels lalala zingen, want dat aldoor Moeten Vinden is slopend. (Saai, ook, maar dat mag je al helemaal niet hardop zeggen, want dan ontmaskert men je als ronduit dom.) U bent al de hele dag van ’s morgens vroeg als een gek in de weer om belastingen te mogen betalen, en dus is het laatste wat u ’s avonds vandoen hebt een zedenpreker die u de oren van de kop zaagt met z’n geformatteerde morele superioriteit.

Beste lezer, ik voel uw pijn. Daarom hierna enkele tips. Tijd- en energiebesparend, én – wij kennen elkaar – kosteloos.

Verontwaardiging doet het altijd goed, als het over hoogst gevoelige morele kwesties gaat. Zeg luid en duidelijk dat u verontwaardigd bent. Vraagt daarop iemand waarom, antwoord dan met licht overslaande stem ‘Moet ik je dat nu écht nog uitleggen?’ en triomfeer vervolgens in zwijgende verontwaardiging.

Voor aangelegenheden van het lichtere genre volstaat doorgaans bezorgdheid. Het handigst is de instemmende hoofdknik, waarna men enkele tellen het gezicht in een ernstige plooi houdt en afwezig voor zich uit staart, aldus de indruk wekkend dat men over het te berde gebrachte onderwerp gedachten heeft. Daarna nipt men van z’n drankje, desgewenst gevolgd door een nauwelijks hoorbaar zuchtje.

Let wel: gebruik verontwaardiging en bezorgdheid niet zomaar dooreen. U kunt eventueel nog van bezorgdheid overschakelen op verontwaardiging, maar niet andersom. Wie eerst verontwaardiging voorwendt, maar finaal slechts bezorgd blijkt, verliest zijn geloofwaardigheid. En dáárover kan je dan echt niet verontwaardigd zijn.

Althans, dat vind ik ervan.