Skip to content

De onredbaren

Het leven is, op z’n best, een voortdurende oefening in het vermijden van ergernis. In eerste instantie de ergernis van anderen, vervolgens – nadat met het vorderen der jaren het inzicht is nedergedaald – de eigen ergernis.

Zeker, men kan z’n temperament niet ontlopen – temperament is als herpes: onvermijdbaar en hardnekkig. Men kan wel z’n ergernis leren doseren. Zich bijvoorbeeld niet telkens weer ergeren wanneer men bij thuiskomst merkt dat de poetsvrouw na het afstoffen de vaas op de buffetkast niet netjes pál in het midden heeft teruggezet. Men haalt eens diep adem, glimlacht bedaard, en verplaatst kwestieus voorwerp een weinig naar links of rechts, naargelang. Vervolgens aanschouwt men de aldus bekomen vertrouwde symmetrie en drinkt men tevreden een welverdiend glas bier. Immers, in de feilbaarheid van de poetsvrouw herkent men het eigen onvermogen tot perfectie. Bovendien: het argument ‘ja maar, ze wordt er wel voor betááld, hé’ houdt geen steek – dat bewijst men zelve elke dag op het werk.

(Perfectie is overigens ronduit akelig. De dag dat u bij het ontwaken vaststelt dat uw partner plots perfect blijkt, is de dag waarop u fataal ten prooi valt aan paranoia. In de imperfectie ligt het vertrouwen besloten. Men spiegelt zich aan elkaars onvolkomenheid. Gerustgesteld. Wat hou ik van je krasjes, schat, ze doen me denken aan de mijne.)

Er zijn evenwel mensen die de eigen ergernis nimmer ontstijgen. Men ziet het aan hun doorploegde gezichten, vol diepe voren van zuur, de ogen vaalgeel van pisnijdigheid, met spatten bloedeloos rood. Zulke mensen zijn deerniswekkend, doch uw deernis wekt slechts hun ergernis op. Zij zijn de onredbaren. Het vuur dat hen vooruit brandt, is het vuur dat hen verteert. Slagen, zo redeneren zij, is, alles welbeschouwd, slechts een matige gradatie van falen.

Zo’n mens kruiste afgelopen dinsdagmiddag mijn pad, aan de kassa van de supermarkt. Hij schold mij luidkeels uit omdat ik naar zijn zin niet snel genoeg opschoot. Ik wees hem op de fraaie ironie van het feit dat hij een bejaarde was. Toen noemde hij mij een lul. Ik glimlachte bedaard.

Vet noch cool

Een WhatsApp-groepje van mensen die elkaar brieven schrijven, zou dat bestaan? U weet wel, brieven, van die echte, op papier, ongelijnd, maar dan met stiekem zo’n hulpvel eronder waarop dikke zwarte lijnen staan, zodat de brief er finaal netjes uitziet, met een keurige interlinie, en zonder regels die lijken te dansen op lsd. De ontvanger opent de envelop, aanschouwt de bladspiegel en beseft: de afzender is een evenwichtig persoon, geen waanzinnige die mij naar het leven staat.

 
Er zijn mensen die, teneinde niet waanzinnig te lijken, bij het schrijven gebruik maken van een meetlat, die ze regel na regel een weinig naar beneden schuiven. Men herkent ze aan hun rare f’en, g’s, j’s p’s, q’s en y’s – trieste puppy’s met een gecoupeerde staart. Zulke mensen blijven hun hele leven veertien. Hou daar rekening mee, als u ze ontmoet – ze giechelen en gillen niet om u te pesten, wel uit onvermogen tot nuance. (Let wel: dat zijn vaak de gevaarlijksten.)

 
Wellicht, beste lezer, vindt u m’n initiële vraag over dat WhatsApp-groepje redelijk onnozel. Tot u beseft dat we tegenwoordig sms’jes sturen om te melden dat we een mail hebben gestuurd. Sms’jes, bovendien, waarin we de taal dingen aandoen die ons voor het Internationaal Strafhof in Den Haag horen te brengen.

 
Zorgvuldigheid is vet noch cool. Mede daardoor gaat manuele briefschrijverij danig teloor.

 
Daarom: koester de amechtige epistels in uw bezit, schaam u nooit voor die welke u anderen hebt geschonken. In een vlaag van helderheid hebben een vriend en ik ooit brieven die we van elkaar hadden gekregen gefotokopieerd en de kopieën aan de auteur geretourneerd. De vriend is al vele jaren dood, onze somtijds aandoenlijke correspondentie is blijvend herenigd. Ik doorblader die weleens. Balsem.

 
De vraag over het WhatsApp-groepje welde in me op toen mij deze week een brief bereikte van een 82-jarige dame. Daarin verontschuldigde ze zich voor haar ontoereikende kennis van “www.be”, waardoor ze wel verplicht was om pen en papier te gebruiken.

 
De verontschuldiging was even overbodig als ontroerend – ik pinkte een emoji weg.

Trein

Onze job, zei m’n collega, kan je nog het best vergelijken met een trein: ’s morgens spring je erop, en die trein begint te bollen, en bolt maar door, de hele dag lang, gestaag almaar sneller, en dan plots sneller sneller, en snelsnelsnel dendert hij de avond in, mindert geen vaart, integendeel, integendeel, hij dondert naar de nacht, vervaarlijk grommend, majestueus koppig, want hij weet dat hij zo meteen alles dicht moet gooien, álles, snoeihard in de remmen, schurend, gierend, rillend op de onverbiddelijke sporen, nú, en het schuurt en het giert en het rilt, álles schuurt en giert en rilt, en even majestueus koppig weigert hij te breken, hij weigert te breken en triomfeert, dankzij en ondanks, hij triomfeert en komt majestueus tot stilstand – en pas dán kan je eraf.
Toegegeven, hij zei het een beetje anders, m’n collega. Met veel minder woorden, vooral. Maar dat van die trein, dat klopt.
Wij zijn jongens van de stoomtrein.

Klein onderhoud

Ja, dat is natuurlijk even schrikken. Ruim zestien jaar lang bent u eraan ontsnapt, vorige week haalde u bij het bericht dat ‘De Week van Devriese’ ermee kapte ongetwijfeld opgelucht adem, en nu krijgt u het bám rauw in de maag gesplitst, ongecensureerd: mijn hoofd.

Hoofdzaken

Ik begrijp het best. Zelve vind ik het ook niet echt geweldig geslaagd, mijn hoofd. “Maar zie eens, wat een dikke kop!”, zei ik tegen de lay-outer met wie ik het fotoaanbod bekeek. En welke foto we ook openklikten, die kop blééf dik – ondanks de welhaast humanitaire verdiensten van de fotograaf. “Ja, ik kan die natuurlijk wel een beetje versmallen”, antwoordde de lay-outer schalks, en we glimlachten eens zoals mannen glimlachen wanneer ze zich onbespied en pienter wanen: onnozel.

Het is wat het is. Mijn dikke kop, uw nobel gelaat. We moeten ermee door, met die somtijds ietwat malle uitstulping van de nek. Daar zitten nu eenmaal onze ogen, oren, neus en mond – en mits wat meeval, een bruikbare portie hersenen. Zonder hoofd is het leven waarschijnlijk behoorlijk saai.

Zeker, je kunt eraan laten sleutelen. En gelukkig maar – sommigen onder ons worden geboren met een hoofd dat wel lijkt te zijn vervaardigd met slechts één doel: sociale defenestratie van de bezitter ervan. Goh, de natuur kan wreed zijn, verzucht men dan, terwijl men eigenlijk dient te zeggen: de mens is wreed. De natuur is niet wreed. De natuur is. De mens, hoewel deel uitmakend van de natuur, onderscheidt zich ervan door moraliteit – of het gebrek daaraan. Korstmos oordeelt niet.

Het gaat, kortom, niet eens zozeer om onze oren, doch wel om wat zich ertussen bevindt. Ook daaraan kan men laten sleutelen. Op al dan niet gezette tijden een klein onderhoud kan wonderen doen. Helaas, men wantrouwt zulke wonderen. Eerder nog rijdt men zich glorieus toeterend te pletter, na een vermijdbare kortsluiting in het besturingssysteem. En roemloos spat het gefacelifte gelaat uiteen.

Dat zal ons niet gebeuren, trouwe lezer. U en ik delen hier voortaan een wekelijks klein onderhoud. Met daarin aandacht voor de zaken die ertoe doen. De hoofdzaken.

Column 663

BEKENTENIS VAN DE WEEK

Deze week heb ik, teneinde mijn moeizaam verworven en uiterst breekbaar innerlijk evenwicht te bewaren, grensoverschrijdend gedrag vertoond.

Dat gebeurde via de E314, vanuit Genk, alwaar ik enkele uren te gast was geweest bij het echtpaar Eames – u weet wel, Die Van Die Stoelen. Een uiterst aangenaam en leerrijk bezoek, jazeker, maar wel dermate uitputtend, dat ik na afloop buiten even diende te bekomen op een bankje in de zon. Daar overpeinsde ik de maniakale bezetenheid van de ontwerper in het algemeen en het brute bestaan van de mijnwerker in het bijzonder – nederig verwijderde ik mijn bouwvallig kantoorlichaam.

Niet veel later overschreed kwestieus lichaam de grens, meer bepaald tussen Meers en Elsloo, waarna het zich – inderdaad, makkelijkheidshalve in een rijdende auto – via de E25 en de A73 tot diep in het hart van Nederland waagde. Doelwit van deze vermetele onderneming: het Kröller-Müller Museum in het Nationaal Park De Hoge Veluwe.

Over dat nationaal park kunnen we kort zijn: blijf daar weg. Er is geen hol te zien en je fietst je er een liesbreuk, op die malle witte vélocipèdes met terugtraprem – al na één kilometer verlangde ik hevig naar de dood (bij gebrek aan een bezemwagen, want die mag daar niet eens komen).

Over het museum, daarentegen, raak ik niet uitverteld. Gelukkig voor u beschik ik hier maar over zo’n vierduizend tekentjes, en derhalve zal ik mij beperken tot de essentie: de beeldentuin.

Beeldentuinen zijn fantastisch. Je weet niet wat je ziet. Letterlijk, soms. Sta je daar minutenlang te staren naar iets dat het midden houdt tussen een dinosaurusei, een trapladder, woekerend korstmos en een parallellepipidum – je hersens gaan helemaal blank, even verwoed als tevergeefs graait je kop in Het Ongrijpbare Niets – en finaal geef je het op en stap je naar het naambordje, teneinde een glimp op te vangen van de geniale geest van de kunstenaar, een vonk te vinden, een vingerwijzing, een voorzetje, hoe microscopisch klein ook, maakt niet uit, gewoon íéts. En dan lees je: ‘Zonder titel’. Knetterend zijg je ter aarde.

C9OHDG4XgAQHLZF

Het kan ook ietwat prozaïscher. Zo trof ik in de beeldentuin van het Kröller-Müller deze forse horizontalistische figuur aan. ‘Schwalbe’, gokte ik meteen, als naam. Ik maakte een foto en whatsappte die voor overleg naar enkele vrienden. ‘De kotser van Rodin’, meende een kenner. ‘Waar zijn m’n lenzen?’, opperde een ander. We kwamen er niet uit, en dus raadpleegde ik ten langen leste in arren moede het naambordje: ‘Niobe, 1951’, stond er. En nog: ‘Constant Permeke (1886-1952)’. Nadat het schaamrood enigszins was weggetrokken, googelde ik zo discreet mogelijk ‘Niobe’ (voor de liefhebbers: https://nl.wikipedia.org/wiki/Niobe) en werd alles me duidelijk. Een mythologische, sterfelijke figuur die in steen veranderde, nadat haar kinderen waren vermoord om haar te straffen voor haar hoogmoedig verlangen aanbeden te willen worden, ja, natúúrlijk – hoe kon ik dat níét weten? Hoe kon ik zo dom zijn? Niobe, parate kennis, toch? (Maarre… Als die vrouw in steen veranderde, waarom heeft Permeke haar dan afgebeeld in brons? Of ben ik nu wéér dom?)

Nee, werkelijk, met titels – strikt genomen is ‘Zonder titel’ ook een titel – dient een mens uit te kijken. ’t Zijn tweesnijdende zwaarden. Ze nodigen uit en perken in. Ze verleiden en stoten af. Ze verklaren en verwarren. Vandaar dat ik in dezen, immer de lezer indachtig, steevast de eenvoud betracht. Zo heet deze aflevering van m’n Bescheiden Prachtcolumn op deweekvandevriese.wordpress.com ‘Column 663’ omdat het de 663ste column is. Zo heet m’n column ‘De week van Devriese’ omdat het een column over m’n week is en ik Devriese heet. (Plus ook wel een beetje omwille van het stafrijm light erin en het metrum ervan, bestaande uit een dubbele amfibrachys, zijnde een beklemtoonde lettergreep tussen twee onbeklemtoonde lettergrepen, zocht ik hier net even op, zielig uitslovertje dat ik ben.)

O ja: deze 663ste aflevering, trouwe lezer, is meteen ook de laatste. Ik dank u grensoverschrijdend zeer.

Column 662

BEDE VAN DE WEEK

Vergeef het mij, geachte trouwe lezer van deze Bescheiden Prachtcolumn, dat ik u deze week niet vermoei met beschouwingen over bijzaken.

Er zijn inderdaad belangrijkere kwesties te behandelen dan bekvechterij tussen een Vlaamse viceminister-president en de Belgische Staatsveiligheid, een ijzige ontmoeting tussen de opperhoofden van China en de Verenigde Staten, een truck die inrijdt op mensen in Zweden, een gifgasaanval op burgers in Syrië, een Amerikaans bombardement in datzelfde Syrië, en het alarmerend gebrek aan fitte aanvallers bij Club Brugge.

Er is, immers, het afscheid van Tom Boonen.

(Moge de echo van uw hoongelach een stille dood sterven. In de vrijdageditie van het redelijk befaamde dagblad ‘De Morgen’ richtte de persoonlijke woordvoerder van Bart De Wever een smeekbede tot de heer Boonen om, ter verheffing van het Kempische volk, nog éénmaal te gloriëren, en een andere Vlaamse krant noemde het beeld van de pittige drukte tijdens Boonens laatste persconferentie in de aanloop naar zijn laatste wielerwedstrijd “hallucinant” – Vlaamse kranten, dat is geweten, overdrijven nooit.)

Tom Boonen is een geslepen sujet. Hij startte z’n carrière in 2001, als stagiair bij het team van de Amerikaanse volksverlakker Lance Armstrong. Dat is natuurlijk geen toeval: 2001 was het jaar waarin ik met deze column begon en reken maar dat het opportunistisch parasietje in Boonen stiekem hoopte een graantje mee te pikken van het enorme instant-succes dat ik boekte – vrijwel meteen telde deze column talloze lezers, die zich van de te verwaarlozen rest van Vlaanderen onderscheidden door hun gevoel voor humor, hun ontwapenende teerhartigheid en hun voorliefde voor min of meer zinvol geschikte letterreeksen. Als ik, zo redeneerde de vileine jonge Boonen tijdens een rustdagje in de mistige Appalachen, als ik erin slaag mij te laten opmerken door die Devriese, krijg ik beslist een vermelding in zijn rubriekje en zullen dientengevolge dra heelder horden nobele Vlamingen mij aan de autochtone borst drukken, wat mijn onderhandelingspositie bij contractbesprekingen alleen maar gunstig kan beïnvloeden, zodat ik gauw een zeer platte wagen kan kopen, want van dat onnozele fietsen ga ik géén hobby maken – zerre ge zot?

Het is de heer Boonen aardig gelukt. Tegenwoordig spendeert hij z’n vrije tijd hetzij bij de tatoeëerder, hetzij in een van z’n exclusieve Porsches of in z’n Donkervoort – een auto die zó exclusief is, dat zelfs prins Laurent er geen bezit. Dat heeft hij dus mede te danken aan de vele eervolle vermeldingen in deze column. Soms richtte ik alhier zelfs een heuse brief aan hem, waarin ik hem overlaadde met goede raad en aanmoedigingen. Zo schreef ik in 2008, toen hij zich even had verloren in welhaast professioneel bedreven recreatief harddruggebruik, deze opmonterende woorden:

“U bent een held voor duizenden kereltjes. U valt aan. U versaagt niet. U trotseert. U triomfeert. U hebt een grote bobbel in uw broek. Dát zijn dingen waar kereltjes naar opkijken – met hun kleine bobbeltjes.”

En óf dat hielp, dat beeld van die bobbeltjes: niet veel later won Boonen fluks twee ritten in de Vuelta, en daarna Kuurne-Brussel-Kuurne én een derde keer Parijs-Roubaix.

Waarmee we dus bij de brandende actualiteit zijn aanbeland: Parijs-Roubaix. De ultieme klassieker. Vergeet die onnozele Milaan-Sanremo. Dat is geen koers, dat is een rode loper met twee bobbeltjes in het tapijt. Vergeet die onnozele Ronde van Lombardije. Dat is geen koers, dat is een herfstwandeling op wieltjes. Vergeet die onnozele Luik-Bastenaken-Luik. Dat is geen koers, dat is voorjaarstoerisme tussen everzwijnen. Vergeet die onnozele Ronde van Vlaanderen. Dat is geen koers, dat is een criterium in een circus. Nee, de enige afspraak voor de helden der vélocipède is Parijs-Roubaix. Daar fietsen echte mannen het lot uit het wiel, daar triomfeert de gestaalde kunstenaar.

Geachte heer Boonen, als U zondag wint, neem ik in Uw dankwoord genoegen met één enkele vermelding van mijn naam.

Column 661

VASTSTELLING VAN DE WEEK

Men heeft het niet makkelijk.

Men dient het overzicht te bewaren. Zich niet te verliezen in kortzichtigheid. Een brede kijk te hebben. Zich niet blind te staren op de uitzonderingen. Te focussen op wat verbindt. Dat weet men. Dat weet men zoals men weet dat de aarde niet zonder de zon kan. Er is geen alternatief. Men doet derhalve, binnen de beperkingen van het eigen empathisch vermogen, zijn best. Probeert te begrijpen. Begrijpt het niet. Probeert te aanvaarden. Aanvaardt het niet.

’t Is niet dat men niet wil. Men is lang de kwaadste niet. Al zegt men het zelf. Maar makkelijk, nee, dat heeft men het niet.

Men verneemt dat er een politiek akkoord is over het onverdoofd slachten – dat dat nu maar eens gedaan moet zijn, met die foute praktijken, voor feesten van geïmporteerde religies. Men knikt instemmend, doch nog voor men klaar is met knikken verneemt men dat de geïmporteerde religies dat akkoord luidkeels verwerpen. Ziedaar, zegt men bitter bij zichzelf, ziedaar wat ervan komt, van onze gastvrijheid. De volgende dag verneemt men dat er in de hoofdstad onder aanhangers van een geïmporteerde religie vechtpartijen tussen voor- en tegenstanders van een kwaadaardig staatshoofd zijn uitgebroken. Aanschouw, zo bromt men mistroostig, aanschouw de vooruitgang.

Doch, bitter en mistroostig als men is, men zwijgt. Men buigt het hoofd en zwijgt. Zwijgend staart men naar de overkant van de rivier, waar de geïmporteerde religies schouder aan schouder staan, de armen voor de borst gekruist, de blik strak voor zich uit gericht. Men slaat de ogen neer en ziet vanuit een ooghoek de balken liggen waarmee men naar verluidt een brug dient te bouwen. Men schopt er eens tegen en wandelt weg.

 

BEKENTENIS VAN DE WEEK

Bijna was u aan deze aflevering van m’n Bescheiden Prachtcolumn ontsnapt.

Dat zat zo.

Vrijdagochtend meldde ik mij vroeger dan anders aan mijn schrijftafel teneinde alweer een kleine vierduizend tekens op min of meer zinvolle wijze bijeen te schikken. Niet omdat ik plots een aanval van bovenmatige gretigheid had gekregen, wel doordat de bouwvakkers in de straat al omstreeks kwart voor acht waren begonnen aan een uitvoering van het gevreesde Concerto voor Slijpschijf en Werfradio. Nog enigszins verfrommeld legde ik een baxter koffie aan en boog me korzelig over het schermpje van de laptop. Grmbl. Toch maar eerst even, om me op te monteren, een blik werpen op het wereldnieuws.

Amper had ik m’n Twitteraccount geopend, of reeds viel mijn oog op ‘#voorderonde’, een hashtag die bleek te verwijzen naar een marathonuitzending op het befaamde tv-kanaal Canvas, waarin de weinig aerodynamisch gecoiffeerde sportjournalist Ruben Van Gucht de hele Ronde van Vlaanderen zou fietsen. Ik snoof minachtend. Is er dezer dagen nog niet genoeg wielergekte? We worden al weken, wat zeg ik, maanden om de oren geslagen met de nakende laatste kilometers van de vélocipède-atleet Tom Boonen en de verbazingwekkende triomfen van Greg Van Avermaet, tien jaar geleden pas 63ste op het wereldkampioenschap in Stuttgart, de knoeier. En nu gebruikt de VRT onze belastingen voor een urenlange rechtstreekse uitzending van een niet-koers? Wat een malligheid. Dáár ga ik nu eens een vlijmscherp stukje over schrijven, zie, nam ik mij giftig voor, en zette met een boze duim de televisie aan, teneinde het beschamende resultaat van deze schandelijke spilzucht in hoogsteigen persoon te aanschouwen. Vijf minuutjes, dat moet volstaan voor die rommel.

Een fatale vergissing.

Urenlang heb ik in m’n zetel gelegen, genietend van de pretentieloze, onderhoudende manier waarop Chris Van den Abeele en z’n gasten commentaar en achtergrondverhalen leverden bij beelden die op een vreemde manier dan toch hun weg wisten te vinden naar het kleine wielerventje in mij, het ventje dat op z’n fietsje rondjes rond het huis reed en de denkbeeldige tegenstand telkens weer genadeloos aftroefde.

En plots was het heel laat en moest ik nog gauw een column verzinnen en dat is eraan te zien.