Skip to content

Aarzelend

Hoe doen ze dat toch? 

Telkens weer overvalt mij die vreemdsoortige mengeling van verwondering en bewondering, wanneer mensen over een kwestie van aanzienlijk belang een uitgesproken mening hebben; als ze die mening dan ook nog eens enigszins behoorlijk weten te beargumenteren, val ik helemaal in katzwijm. Hoe doen ze dat toch? Hoe krijgen ze het voor elkaar? Doorgaans kom ik qua kwesties van aanzienlijk belang niet verder dan gedecideerde besluiteloosheid. 

Neem nu de kwestie ‘vingerafdrukken op de identiteitskaart’. De achtbare Kamer van Volksvertegenwoordigers heeft beslist dat het er van komt, vanaf volgend jaar al. In het aanzienlijk belang van onze veiligheid, om identiteitsfraude tegen te gaan. 

Nu ben ik toevallig vóór veiligheid en tégen fraude, dus dat komt goed uit. Ik ben evenwel toevallig ook tégen een bemoeizieke overheid en vóór maximale zelfbeschikking, maar ik slaag er niet in mij over deze kwestie even druk te maken als bijvoorbeeld de heer Matthias Dobbelaere-Welvaert. Deze jurist wil, zo betoogde hij vrijdag koel doch vurig en paginagroot in het redelijk befaamde dagblad ‘De Morgen’, de vingerafdruk-maatregel alsnog via gerechtelijke weg een permanente halt toeroepen. 

Zijn enthousiasme siert hem. Geen betere waakhond dan de bevlogen burger – het schier eindeloze, somtijds tot waanzin drijvende geblaf weze kwestieuze burger vergeven. Een samenleving zonder moeilijke mensen is een makkelijke prooi. 

Mijn bevlogenheid beperkt zich tot de ogenschijnlijke bijzaak. Bij het woord ‘vingerafdruk’ denk ik niet aan misdaad, denk ik niet aan controle, denk ik niet aan het Grondwettelijk Hof. Ik denk aan je eerste vingerafdruk op je eerste lederen voetbal. Hoe je, aarzelend, aanraakte. Tussen glorie en dankbaarheid. Ik denk aan je eerste vingerafdruk op je eerste liefje. Hoe je, aarzelend, aanraakte. Tussen ongeloof en hitsigheid. Ik denk aan je eerste vingerafdruk op je eerste kind. Hoe je, aarzelend, aanraakte. Tussen triomf en weerloosheid. 

Ik denk zelfs aan je laatste vingerafdruk. Hoe je, aarzelend, aanraakt. En, brekend, hoopt dat je wordt aangeraakt.

Advertisements

Konijntje

Een van m’n voorvaderen, zo heb ik uit betrouwbare bron, verschalkte op regelmatige basis een konijntje. Dat deed hij in de duinen, waarvan hij geenszins eigenaar was. Mijn voorvader was dus een stroper. Misschien had hij wat weg van een rabauw, doch een beurzensnijder was hij niet – zoveel eergevoel had hij wel: je berooft mensen niet van hun zuurverdiende centen, maar op zo’n loslopend konijntje dat van niemand was kwam het niet aan, toch? Konijnen, zo wist mijn konijndeskundige voorvader immers, kweken als konijnen. Hij stroopte om thuis de vele hongerige mondjes te kunnen voeden. De werkloosheidsuitkering bestond nog niet, evenmin als de pil.

Dus nee, ik ga me niet voor mijn voorvader excuseren. Net zomin als bijvoorbeeld adellijke lieden zich nu dienen te excuseren voor de kuiperijen en koehandel waarvan hun voorvaderen zich hebben bediend om hun aanzien en welstand te verwerven. Je schamen om de daden van je voorvaderen illustreert hooguit je wankelmoedigheid, erom gloriëren je leeghoofdigheid.

Mijn konijndeskundige voorvader schoot me te binnen, toen ik deze week een reeksje tweets van de nieuwe federale minister van Defensie onder ogen kreeg. Daarin probeerde Sander Loones (N-VA, afkomstig uit Koksijde, vooral bekend om z’n duinen) aan de hand van citaten uit oude kranten aan te tonen dat zijn grootvader Honoré weinig of niets viel aan te wrijven, als oorlogsburgemeester onder de Duitse bezetter, integendeel zelfs. (Honoré werd in 1947 door de Krijgsraad veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf en twintig jaar ontzetting uit z’n rechten, maar herrees in de jaren zestig als burgemeester, tot veler voldoening.) 

Loones’ poging was even nobel als zinloos. ‘Eens collaborateur, altijd collaborateur!’, werd hem – ruim zeventig jaar later – op Twitter toegebeten. Door lieden, vermoed ik, zonder voorvaderen.

Dit weekend is het honderd jaar geleden dat er een einde kwam aan de Eerste Wereldoorlog. Zo u zich geroepen voelt om dit te herdenken: doe dat vooral. Doe het waardig. Blik vooruit. Laat elkaars voorvaderen rusten. Ga samen aan tafel. En eet een konijntje.

Master

Jan Smets, gouverneur, 67, CD&V-signatuur. Pierre Wunsch, vicegouverneur, 51, MR-signatuur. Jean Hilgers, directeur, 55, cdH-signatuur. Vincent Magnée, directeur, 47, PS-signatuur. Tom Dechaene, directeur, 59, N-VA-signatuur. Tim Hermans, directeur, 44, Open Vld-signatuur.

Zou u samen met deze gesigneerde heren de Nationale Bank van België willen besturen?

U mág een vrouw zijn. (Steven Vanackere, 54, is geen vrouw.) Bij voorkeur bent u academisch enigszins geschoold. (Steven Vanackere is licentiaat in de Rechten, licentiaat in de Economische Wetenschappen en master in de Filosofie.) Vertrouwd zijn met de politieke besluitvorming is aangewezen. (Steven Vanackere is, net als de meeste van zijn toekomstige medebestuurders, gepokt en gemazeld op diverse kabinetten. Bovendien is hij federaal vicepremier, minister van Buitenlandse Zaken, Financiën, Ambtenarenzaken en Institutionele Hervormingen geweest, weze het gelukkig niet van dit alles tegelijk.) Kennis van de landstalen strekt tot aanbeveling. (Steven Vanackere spreekt vloeiend Nederlands en Frans, en, zo wed ik, nog een aardig mondje Wevelgems.) En u behoort best tot de politieke familie die aan zet is. (Steven Vanackere heeft geluk.)

Let wel: men zegt tegen een master in de Filosofie niet ongestraft dat hij geluk heeft. Wat is geluk?, zal Steven Vanackere vragen. Is het, zoals Aristoteles poneert, datgene wat men bereikt door deugdzaamheid? Ontstaat geluk, zoals Epicurus stelt, daar waar balans en matigheid heersen? Of is geluk, zoals Nietzsche beweert, een ‘ideale staat van luiheid’? Vervolgens wrijft Steven Vanackere zich bedachtzaam over de kaken en staart een wijle in de verte.

Masters in de Filosofie zijn zoals Italianen, in de definitie van de grote grasmatfilosoof Johan Cruijff: ‘Masters in de Filosofie kennen niet van je winnen, maar je ken wel van ze verliezen.’ De masterproef Filosofie van Steven Vanackere is getiteld: ‘Een gladgeschoren Marx in de handen van Gilles Deleuze’. (Gilles Deleuze was geen barbier, maar een Franse filosoof.) 

Ja, dat wordt nog gezellig, daar bij de Nationale Bank van België.

Hemd

Bericht aan een ex-hoofdredacteur van deze krant: even wegkijken, want dit is een stukje naar aanleiding van een verjaardag en ik herinner me goed hoe onwel u altijd werd als het idee nog maar werd geopperd. Dan belden wij steevast de bedrijfsverpleegster, die kwam toegesneld met een glas water en een nat washandje voor op uw voorhoofd; en toen u enigszins was bekomen, werd de onverlaat die het idee had geopperd met pek en veren ingesmeerd en in het midden van de redactie vastgeketend aan de schandpaal. Mooie tijden.

Doch genoeg nostalgie, vooruit met dit stukje over vroeger.

Op 31 oktober is het 65 jaar geleden dat de openbare omroep begon met regelmatige televisie-uitzendingen. Pensioengerechtigde leeftijd, dus. Het is er soms aan te zien. Maar dat het vroeger allemaal beter was, dat hoort u mij niet zeggen. Want dat was het niet.

Zwart-witter, dat was het wel. De belangrijkste reden daarvoor was dat wij thuis een zwart-wittelevisie hadden. Bovendien spraken wij geen Engels, zodat wij ons niet bedot voelden wanneer in een aftiteling te lezen stond: ‘Filmed in Technicolor’. Wij verkeerden in een schier aldoor gelukzalige waan. Pas toen wij het boek ‘Op stap met Nonkel Bob door Vlaanderen’ in ons bezit kregen, kwamen wij dankzij de kleurenplaat op de kaft te weten dat het overhemd van kwestieuze Nonkel niet vaalgrijs was, maar kakikleurig. Meteen wilden wij ook zo’n hemd. Wie zo’n hemd had, kon beslist zonder moeite ook zo knap gitaarspelen. (Wij kregen het niet. Want, zo redeneerden vader en moeder, dan wordt er algauw gezaagd om een gitaar, en het laatste wat ze in huis wilden, was een tjingel-tjangelende snotaap, wiens hoogste betrachting in het leven was om te gáááán kampééééren, íííín het bos of óóóóp de hei, een voornemen, bovendien, dat hij op dagelijkse basis wel dúúúúíííízend keren dreigde te komen verkondigen.) 

Jaren later stond er plots een kleurentelevisie in huis. Met afstandsbediening! En distributie! Wij ontdekten het Engels en middels elektrische gitaren geproduceerde teringherrie. Wraakzuchtig bekwaamden wij ons in het bespelen van de luchtgitaar.

Verbindend

‘Beste vrienden,

de burger heeft gesproken. (gejuich) Alleen, beste vrienden, is het een beetje spijtig dat de burger niet helemaal goed verstaanbaar was. (boegeroep) Daardoor heerst er nu enige verwarring. (boegeroep) Daardoor gaat er kostbare tijd verloren. (boegeroep) Daardoor staan wij hier nu schoon te blinken, met ons warm en positief project. (boegeroep) Ons warm en positief project, beste vrienden, dreigt koud te worden, en straks is het enige wat wij nog kunnen serveren opgewarmde kost. (geroezemoes) Dat is niet positief. (extra geroezemoes)

Maar, beste vrienden, laten we niet panikeren. Wij hebben het volste vertrouwen. (gejuich) In mij. (stilte) Ja, gallus in sterquilinio suo plurimum potest! (gejuich) En in ons project, dat warm en positief is. Want het project van de anderen, beste vrienden, is koud en negatief. (boegeroep) En duur! (extra boegeroep) Tegen zo’n project zeggen wij nee. (gejuich) Wij zijn voor goedkoop! (extra gejuich) 

Praten wij, beste vrienden? Ja, wij praten – praten?, zeggen wij, gewoon doen! (gejuich) Met wie? Met wie wil luisteren. Waarover? Over waarover we gaan praten. En over hoe. En waar. En wanneer. (geroezemoes) 

Dat klinkt inderdaad niet eenvoudig, beste vrienden, maar dat ligt niet aan ons. Dat ligt aan de anderen. (boegeroep) De anderen doen moeilijk. (extra boegeroep) Zij liggen dwars. (extra extra boegeroep) Zij geven geen duimbreed toe. (extra extra extra boegeroep) 

Welnu, beste vrienden, níét mét óns! (gejuich) Wij doen óók moeilijk! (extra gejuich) Wij liggen óók dwars! (extra extra gejuich) Wij geven óók geen duimbreed toe! (extra extra extra gejuich) Want ons project is warm en positief! (gejuich) En verbindend – dat was ik daarnet vergeten! Ja, verbindend! (gejuich) Dat is wat deze stad nodig heeft! En mij als burgemeester! (stilte) Van iedereen! Of ze het nu willen of niet! Nemo me impune lacessit! (uitbundig gejuich) 

Beste vrienden, ik ga afronden. (één iemand juicht per ongeluk) Wat de anderen ook mogen beweren: wij hebben gewonnen! (gejuich) En de anderen zijn ne kaka! (oorverdovend gejuich) Dank u!’

Minnares

Soms moeten we streng zijn. En nu is soms.

‘Sms-taal is niets voor docenten’, titelde de redelijk befaamde krant De Standaard boven een randstuk over het onderzoek naar de handel en wandel van Lode Vereeck. De docent aan de Universiteit Hasselt dient zich onder meer te verantwoorden voor aan studentes gerichte digitale berichten die hij had afgesloten met ‘X’. Niet omdat hij aldus kwestieuze studentes wou laten geloven dat ze een anonieme of analfabetische aanbidder hadden – zo slim is de heer Vereeck wel –, maar omdat die ‘X’ het equivalent is van ‘kus’ en hij meent dat een béétje hedendaagse docent mee moet zijn met z’n tijd – zo dom is de heer Vereeck wel.

Docenten horen niet mee te zijn met hun tijd. Zij horen te doceren. Kennis en inzicht te verspreiden. En op gezette tijden bij hun studenten de verworvenheid daarvan streng na te gaan. Docenten zijn geen toffe nonkels of vlotte tantes.

De heer Vereeck is niet alleen docent, hij is ook 53 jaar. Welnu, sms-taal is niets voor 53-jarigen. 53-jarigen die zich bedienen van woordprut als ‘OMG’, ‘WTF’ of ‘LOL’, zijn potsierlijk. En verdacht. Verdacht omdat zij zich voordoen als een 23-jarige, potsierlijk omdat zulks tevergeefs is. Daar waar zij menen aldus een betere band met 23-jarigen te smeden, bewerkstelligen zij louter het tegendeel. Het enige wat zo’n amechtige poging om de generatiekloof te overbruggen hun oplevert, is een gescheurd perineum.

53-jarigen moeten de poortwachters van de taal zijn. Zij moeten haar rijkdom bewaken. Dat doen ze best door die rijkdom te etaleren. Door schaamteloos uit te pakken met haar weldadige woordenschat, door frivool te behagen met haar voluptueuze volzinnen, door hitsig te verwonderen met haar lenige spitsvondigheden. Als 23-jarigen de taal ervaren als een dood gewicht, en niet als een wellustige minnares, dan zijn de 53-jarigen daarvan de oorzaak. Men dient ze desgevallend wegens schuldig verzuim voor de rechter te brengen en te laten veroordelen tot levenslange bittere taalarmoede. Op hun sterfbed zullen ze, in het bijzijn van hun hunkerende geliefden, dit prevelen: ‘FML’.

Feest

Doorgaans kan ik ze wel hebben, onze noorderburen. Ja, ze zijn vervelend lang en ja, ze zijn somtijds vervelend luidruchtig, maar dat komt natuurlijk doordat ik verticaal en vocaal enigszins ingetogen ben. Gedeelde schuld, dus.

Mijn oprechte appreciatie voor die dekselse dijkenbouwers smelt echter als sneeuw voor de zon zodra de gemiddelde dagtemperatuur een half graadje daalt. Dan overvalt mij een even vertrouwde als totale moedeloosheid, omdat ik weet wat er weer eens zit aan te komen: schaatsgekte en pietenverdwazing. Dan zucht ik eens diep, doch ingetogen.

Dat van dat ijs, dat valt nog te begrijpen. In Vlaanderen kunnen we geen aardkluit vochtig zien worden, of we drijven vijftig kerels in spandex bijeen op een wei en bestormen vervolgens de biertent, in de wetenschap dat we winnen. Eigen aardkluit eerst. Ieder volk schrijft gaarne z’n eigen heroïek. (In mijn vriendenkring zit een dubbele wereldkampioen: in tegelskippen en chaletkoppen. Nee, vraag maar niet, ik zeg niks.) Dat Nederlanders bij het minste halve graadje onder tien boven nul collectief een mal mutsje opzetten en in Sneek, Sloten en Stavoren languit langs de vaarten gaan liggen om het water aldaar aan te moedigen met bekwame spoed dicht te vriezen, dat dienen we derhalve naast hoogst vermoeiend ook buitengewoon sympathiek te vinden. 

Die pietenverdwazing, ja, die is louter hoogst vermoeiend. We zijn begin oktober, het is gulweg twintig graden – ik wed dat u onder het lezen van deze bescheiden prachtcolumn genoeglijk zit te zonnen in uw herfstbadpak – en in Nederland loopt men al heen en weer te schreeuwen over de huidkleur van Zwarte Piet. Reeds en opnieuw. En opnieuw. En opnieuw. Vijftig tinten ergernis.

Noorderburen, wij hier in de Vlaanders zijn daar echt klaar mee. Kleur is geen kwestie van gelijk hebben of halen, maar van kijken. Wij kijken naar Zwarte Piet en zien feest. Hou dus op met die eindeloze zinloosheid, of anders zullen wij ons ten eeuwige dage blijven verzetten tegen de hereniging van de Zeventien Provinciën en kunnen jullie de hoop opgeven ooit nog wereldkampioen voetbal te worden.