Skip to content

Gewoon

Het opvallendste aan de gebeurtenissen op het Brusselse Muntplein was natuurlijk dit: dat een kereltje van achttien dat niks bijzonders te melden heeft op Instagram 600.000 volgers heeft.

Vargasss92, zoals kwestieus kereltje zich aldaar laat noemen, redt geen op exotische stranden aangespoelde vinvissen, schildert geen onmogelijke ballen wonderlijk in deze of gene bovenhoek, draait niet genderdisruptief met z’n kont. Hij klimt al eens in een boom, speelt wat met de hond en rijmelt een eind weg. Daarvan laat hij beelden zien. Meer is het niet. Ongemeen boeiend, vinden 600.000 jongelui.

Als dat al iets bewijst, dan wel dat mensen zoals ik er geen hol meer van snappen. Mensen zoals ik zijn oude zakken. Die nog geloven dat alleen het exceptionele bijzondere aandacht verdient. Een restant, wellicht, van hopeloos achterhaalde, pedagogisch en psychologisch onverantwoorde, walgelijk spartaanse opvoedingsprincipes, zoals daar zijn: ’Doe je best’.

Blijkbaar is, in deze tijden van elkaar overtreffende buitensporigheden en daarmee gepaard gaande geëxalteerde superlatieven, het gewone uitzonderlijk geworden. Voor uitsloverij past slechts minachting, redeneren jongelui.

Geef ze eens ongelijk. Waarom zou je je best doen? Je bent opgegroeid bij lieden die je prezen voor alles. Voor een boertje, een kakje, een hupje. Voor een slecht getekend mannetje, voor een vals gezongen lied. Je bleek vanzelve geniaal en leerkrachten die daaraan hardop dorsten te twijfelen, werden door je ouders voor de vierschaar gesleept – onderwijs wordt trouwens schromelijk overschat, meneer, want weet u wie er ook maar tot z’n zestiende naar school is geweest? Picasso!

Nu, misschien hebben die 600.000 jongelui wel een punt. Misschien, beste oude zakken, moeten we wat vaker het gewone nastreven – zonder dat we ons daarvoor uitsloven, natuurlijk. Gewoon wat beter nadenken, bijvoorbeeld, eer we kinderen verwekken. Gewoon er zijn, eens zij er zijn. Gewoon ze niet aldoor uitbesteden. Gewoon eens samen in een boom klimmen en dat gewoon niet filmen, maar gewoon samen om ons heen kijken en gewoon samen zwijgen.

Advertisements

Tips

U moet er wat van vinden.

Van de Paradise Papers. Van de Catalaanse kwestie. Van de wapenwetgeving in de Verenigde Staten. Van de ‘Me Too’-verhalen. Van het onderzoek naar de Bende van Nijvel. Van de personeelsproblemen bij de Rode Duivels. Van de kiponwaardige leefomstandigheden van kippen. Van het floppen van de nieuwe single van Josje. Van het herfstweer. Van de klaarblijkelijke onuitroeibaarheid van de zwarte Zwarte Piet. Vind er wat van! Vínd, verdomme!

Het liefst van al zou u de vingers in de oren stoppen en luidkeels lalala zingen, want dat aldoor Moeten Vinden is slopend. (Saai, ook, maar dat mag je al helemaal niet hardop zeggen, want dan ontmaskert men je als ronduit dom.) U bent al de hele dag van ’s morgens vroeg als een gek in de weer om belastingen te mogen betalen, en dus is het laatste wat u ’s avonds vandoen hebt een zedenpreker die u de oren van de kop zaagt met z’n geformatteerde morele superioriteit.

Beste lezer, ik voel uw pijn. Daarom hierna enkele tips. Tijd- en energiebesparend, én – wij kennen elkaar – kosteloos.

Verontwaardiging doet het altijd goed, als het over hoogst gevoelige morele kwesties gaat. Zeg luid en duidelijk dat u verontwaardigd bent. Vraagt daarop iemand waarom, antwoord dan met licht overslaande stem ‘Moet ik je dat nu écht nog uitleggen?’ en triomfeer vervolgens in zwijgende verontwaardiging.

Voor aangelegenheden van het lichtere genre volstaat doorgaans bezorgdheid. Het handigst is de instemmende hoofdknik, waarna men enkele tellen het gezicht in een ernstige plooi houdt en afwezig voor zich uit staart, aldus de indruk wekkend dat men over het te berde gebrachte onderwerp gedachten heeft. Daarna nipt men van z’n drankje, desgewenst gevolgd door een nauwelijks hoorbaar zuchtje.

Let wel: gebruik verontwaardiging en bezorgdheid niet zomaar dooreen. U kunt eventueel nog van bezorgdheid overschakelen op verontwaardiging, maar niet andersom. Wie eerst verontwaardiging voorwendt, maar finaal slechts bezorgd blijkt, verliest zijn geloofwaardigheid. En dáárover kan je dan echt niet verontwaardigd zijn.

Althans, dat vind ik ervan.

Woorden

We zitten samen aan de keukentafel. Zij, haar kleine broertje, haar mama en ik. Ze neemt een hap van haar boterham, kauwt en slikt die haastig weg, en draait zich dan met een ernstig gezicht naar mij. ‘Opa’, zegt ze, en ze laat een halve seconde betekenisvolle stilte vallen, ‘heb jij eigenlijk kindjes?’

Zo gaat dat, met woorden. Je gebruikt ze, vaak zonder te weten wat ze eigenlijk betekenen. Je gebruikt ze omdat je anderen ze hoort gebruiken en je erbij wil horen, bij die anderen. Je wil erbij horen, om te bestaan. Zonder klankkast is een trilling niets. En dus gebruik je de woorden. Nu eens achteloos, dan weer lukraak. Als je vier bent, is ‘opa’ zo’n woord. Als je veertig bent, pakweg ‘volksnationalisme’.

Tussen wat we weten en wat we bedoelen, tussen wat we bedoelen en wat we zeggen, tussen wat we zeggen en wat de andere hoort, tussen wat de andere hoort en wat de andere begrijpt, gaapt telkens een kloof. In die kloof rijpt het misverstand tot onbegrip, het onbegrip tot afkeer, de afkeer tot angst. Soms zou één dappere stap volstaan – wat duizend meter diep is, blijkt vaak slechts een halve meter breed – maar we verstijven bij de gedachte. We hebben er geen woorden voor.

Verwachtingsvol kijkt ze me aan. Dan zeg ik: ‘Ja, hoor.’ Ik haal m’n portefeuille tevoorschijn en peuter er enkele pasfotootjes uit. (Want dat is wat lieden die zich opa laten noemen wel vaker doen: op ouderwetse wijze kleine lichtdrukmalen van geliefden in hun brieventas bewaren, in een mini-stapeltje in een opgevouwen officieel overheidsdocument geschoven, ter bescherming, want ze zijn natuurlijk oneindig veel belangrijker dan kwestieus document; men bekijkt ze hoogst zelden, want het officieel overheidsdocument dient slechts bij hoge uitzondering te worden vertoond, maar aldus reizen ze immer met je mee, de geliefden, als amuletten.) Eentje schuif ik onder haar neus: van een meisje van een jaar of elf, twaalf. ‘Kijk, dat is mijn kindje. Herken je haar?’ Nee, schudt haar hoofdje sip.

Aan de overkant van de tafel glimlacht mijn kindje. Ik glimlach mee. We hebben er geen woorden voor nodig.

Godzilla

Twee meisjes. Het ene doet aan diepzeeduiken, skiën, zeilen en tennis, houdt van koken, zit op pianoles en is deze week zestien geworden. Het andere is nog altijd vijftien en is deze week veiligheidshalve opgeborgen in een halfopen instelling. Het ene is de kroonprinses van België, het andere de Schrik van Brugge. Geen van beide valt zwaar te benijden.

Kent u België? Erfelijke parlementaire constitutionele monarchie, residu van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, bedacht door dronken diplomaten. Nationale hymne: het klaaglied. Nationale leuze: Ex Absurdo Aequo Animo. Koningshuis: nazaten van een Beiers-Britse beau die in een bootje aanspoelde in Calais en van daar te vierklauwe het beloofde land werd binnengebracht; voorheen politiek zeer gewichtig, thans herleid tot statige draperie. Wees daarvan maar eens de kroonprinses.

Kent u Brugge? Een aan polder en leem ontfutseld verhoogje, opgetrokken uit godsvrees en geldgewin, volgebouwd met biertafels en chocoladevitrines, gedijend in een gematigd zeeklimaat. Telt meer mariabeelden dan Nieuwe Belgen. Grootste nachtmerrie: te weinig jetons voor Kookeet. Grootste probleem: geen stadsderby meer. Filmdecor en pleisterplaats, waar je struikelt over de sterrenrestaurants en Bib Gourmands. Wees daarvan maar eens de Schrik.

Soms zijn karikaturen onze enige toevlucht. Waar het normale niet thuis geeft, biedt de overdrijving soelaas. Voor ons geestesoog groeit de Schrik van Brugge uit tot een Godzilllaans gedrocht, waarvoor politie-inspecteurs krijsend op de vlucht slaan, en geef ze maar eens ongelijk, want Godzilla is onverslaanbaar en ginds wenkt reeds hun welverdiende pensioen wegens zwaar beroep.

Kritischer volk hoont de arm der wet weg – wat zouden enkele kloeke manskerels geen meisje van vijftien de baas kunnen? Of zijn dat tegenwoordig allemaal broekschijters, daar bij de politie? Ook dat is een karikatuur. Een kwaadaardige, bovendien. Die insinueert dat de enige gezonde aanpak er een is met geweld. De Schrik van Brugge is geen lid van de Bende van Nijvel. Het is een kind. Laat het misschien eens diepzeeduiken.

Toverformule

Maar hoe doe je dat dan?

Wisten wij veel. Wij waren jongens van het college, en in het college waren er enkel jongens. Wij waren jongens van de sportclub, en in de sportclub waren er enkel jongens. Wij hadden wel zussen, maar zussen waren geen meisjes. Zussen waren vervelende neveneffecten van de amechtige voortplantingsdrift van onze ouders. Waardeloos bemoeizuchtig.

Ja, wij jongens van het college wisten wel af van het bestaan van scholen waar jongens en meisjes iedere dag gewoon samen op de banken zaten, maar dat waren oorden van verderf, vol goddeloze socialisten, waar men ondingen als ‘zedenleer’ predikte en leerlingen zowaar op de speelplaats mochten roken. Daar dienden wij jongens van het college dus misprijzend voorbij te fietsen, onze neuzen parmantig in de lucht, in dankbaar besef dat ons een veel groter geluk was gegund: het nobele, zuivere bestaan als jongen van het college.

Er werd over gewaakt, over die zuiverheid. Leraars stelden zich her en der verdekt op en berichtten ouders wanneer hun jongens van het college waren gezien in de buurt van tapperijen van bedenkelijk, maatschappijkritisch allooi of meisjes die klaarblijkelijk geen zussen waren, de hoeren.

Nee, makkelijk was het niet, voor jongens van het college, spontaan zijn tegen meisjes. Ofwel gingen we, die zeldzame keer dat we daartoe de kans kregen, ertegen tekeer als tegen jongens, ofwel hakkelden we stompzinnigheden. In beide gevallen oogstten we daarmee hooguit een blik die schipperde tussen medelijden en weerzin, en dodelijke stilte.

Maar hoe doe je dat dan, flirten?

Alvast niet, zo blijkt, door iemand naar je suite te sommeren en machtig grijnzend de deur te openen in badjas. Evenmin door op sociale media zogenaamde spitsvondigheden te spuien over boezems en schaamstreken en vleselijke verstrengeling.

Wij jongens van het college leerden veel. Over integralen en differentialen, en defectieve werkwoorden en de vreze Gods. Terwijl we maar één ding wilden weten: wat dan wel de toverformule voor flirten was.

Wisten wij veel, dat niet toveren het allermooiste is, maar betoverd worden.

Koning

Zijn jassen zijn te groot geworden. Maar een nieuwe kopen, nee. ‘Waarom zou ik? Wat is er mis met mijn jassen? Er is nog niks aan, kijk maar. Ze gaan mijn tijd nog wel mee.’

Zijn eetlust is klein geworden. Als de soep een beetje stevig is, krijgt hij er nog hooguit een half hoofdgerecht bij. Dan mompelt hij een overbodige verontschuldiging.

Zijn huis is te groot geworden. Er zijn kamers waarin alleen nog herinneringen komen. Bedden als zerken. Kasten vol niks. Een zolder versperd door een schuiftrap.

Zijn wereld is klein geworden. De auto is bijna meerderjarig, de fiets is met pensioen. Boeken herleid tot ruggen, kranten verschrompeld tot kruiswoordraadsels. Geschuifel van tv naar pc.

Ja, de pc. Hij wou er nooit een, nu wil hij hem niet kwijt. Raampje. Zuurstof. Het snelle nieuws, het trage gesprek. Met de weinige levenden. Er zijn steeds meer doden.

Ik heb een oude vader. (Mijn moeder is 43. Al 39 jaar.) Hij woont alleen. Kent enkel lange dagen. Vaak dagen zonder woorden. Dagen waarop hij zou schrikken van z’n eigen stem.

Soms trekt hij een oude jas aan – jawel, te groot – en gaat hij de tuin in. De tuin is stil. Het enige wat hij hoort, is het kraken van z’n knoken wanneer hij zich traag buigt om wat onkruid weg te plukken. Onkruid moet niet denken dat het vrij spel heeft, hier, in zijn tuin. Hier is hij de baas. Deze tuin heeft hij zelf uit het braakland omhoog gewroet. Er was niks. Nu zijn er bomen en perkjes en bloemen en rust. Dit is zijn rijk.

Hoelang kan hij nog koning zijn? We hebben er al vaak over gepraat. Treedt hij af, of wordt hij onttroond? Wat rest hem, na het koningschap? De dood? Of toch nog wat leven? En ís dat een leven, het leven als balling?

Nee, gruwelt hij. Hij heeft het weleens gezien, dat leven. Als bezoeker. Wezenloze ballingen die gevoederd en verschoond worden. Jaren te veel, handen tekort.

Ik hoop dat hij niet heeft gekeken, woensdag, naar de Pano-uitzending over de woonzorgcentra. Dat hij in de plaats daarvan even naar buiten is gestapt, in een te grote oude jas, voor een zoete vergetelheid biedende avondwandeling in zijn koninkrijk.

Het moment

Ze is vier en sprong vorig weekend voor het eerst zonder armbandjes in het grotemensenzwembad. Met een flinke aanloop, natuurlijk, want hey, ze is al vier.

‘Mama is trots op jou, hoor’, zei haar mama, en dat was terecht, want minstens de helft van die sprong was mama’s werk geweest: een kwartje vertrouwen, een kwartje enthousiasme, een kwartje overredingskracht en twee kwartjes geduld – mama’s hebben altijd een heleboel extra kwartjes in voorraad.

In eerste instantie wou ik tegen de mama zeggen dat het niet zo’n goed idee is om over jezelf te spreken in de derde persoon, maar toen betrapte ik mezelf erop dat ik best wel een beetje trots was op de mama. En onzichtbaar glimlachend herinnerde ik me de keren dat wij samen in een grotemensenzwembad hadden geploeterd en hoe we dan telkens louter in het moment zelf bestonden – zij omdat ze kind was, ik omdat het kon.

Jawel, omdat het kon.

Kleedhokjes zijn magisch: je stapt er als volwassene binnen en komt er als kind buiten. Plots is spetteren weer leuk. En bommetje. Je bommetje wordt met de jaren trouwens beter – dáárvoor heb je dus die extra kilo’s bijeengespaard.

Plus: je blijkt plots opnieuw beklauterbaar.

Dat was alweer van dat vriendinnetje geleden, toen je als snotneus galant onder water hurkte en haar op je schouders hees – hoewel, hees? Vederlichte verleiding, dat was ze, rank en slank en pront en strak. Heel even haar lichaam tegen het jouwe, voorbode van wat je hoopte. Ach. Dan duikelde ze hoog van je weg – je keek haar van onderuit na en gloeide wanneer ze proestend weer boven kwam en, het haar uit de ogen vegend, klaterend naar je lachte. Je verdronk in het moment. Je bestond.

We moeten dat vaker doen, bestaan in het moment. In tijden waarin stoere politiemannen bejaarden verrot slaan en gekken vanuit een hotelraam honderden kogels afschieten op zingende en dansende mensen, moeten we vaker bestaan in het moment. En ja, het moment gaat telkens weer verloren, en ja, zelfkwelling is een tijdje leuk, maar niets gaat boven dat springen zonder armbandjes, die ene tel, tussen wal en water, waar je mama wacht.