Skip to content

Gekke dingen

Wat voor mens wordt het? Of juister: wat voor mens zal het blijken te zijn?

Nu ligt het daar, schattig verpakt, te glimlachen. Het vult de dagen met glimlachen, slapen, eten en verschoond worden. Een enkele keer krijst het – doorgaans ’s nachts, als jij probeert wat slaap in te halen. Mopperend ga je kijken, vertederd kijk je het aan, zoals het daar ligt, met z’n lelijk smoeltje vol traantjes. Kleintje toch, denk je, kom hier. Het lijkt bijna niks, maar het is al heel wat. Wat precies, dat weet je nog niet. Je zult dat ontdekken. En niet.

Zo is het ook met jou gegaan. Je was al van alles, maar je wist het nog niet. En je ouders al evenmin. Hebben zij ontdekt wat voor mens je eigenlijk bent?

Er blijft niet veel verborgen. Alleen het allerbelangrijkste.

Dat het groot of klein is, dik of dun, slim of lief, lui of moe: dat alles wordt zichtbaar. Nu eens ‘heel z’n vader’, dan weer ‘als twee druppels haar moeder’, een enkele keer ‘precies nonkel Jef’. Daar doen we het mee. We leggen foto’s naast elkaar, vergelijken herinneringen en besluiten. Gerustgesteld. We kunnen niet zonder referentiekader, en blijven er liefst binnen. Zodra we er ons buiten moeten begeven, dient de argwaan zich aan. En de angst.

De argwaan, ach. Het lijkt niet op mij, nou en? Misschien is ’t een voordeel. Misschien is ’t een gril, dat hoor je namelijk weleens, dat de natuur gekke dingen doet met genen. Met zo’n misschien valt te leven.

Met de angst amper. De angst dat je kind een mens blijkt die z’n plek in de wereld niet vindt. Omdat de wereld wreed is. Verstoot. Je betrapt jezelf op hoop. Hoop dat je kind hetero is, want dat maakt het leven nu eenmaal veel makkelijker, niet? (Nee, maar hoop is blind.) En als dat niet zo is, hoop je op een andere wereld. (Ik zei het al, hoop is blind.) Voor jezelf maakt het niet uit: wat je kind ook is, je zult het altijd graag zien. Toch?

Je kind kan pedofiel zijn. En het je nooit vertellen. Omdat dat het allerbelangrijkste is. Daarom is het goed dat er nu een hulplijn voor pedofielen is. Goed voor alle kinderen, en hun ouders. Negeren hebben we al geprobeerd.

Een lege hand

In die delen van Vlaanderen die nog niet de graad van beschaving der Antwerpse tongval hebben bereikt, viert men dit weekend moeder. Daartoe komt men aandraven met een smeerkaasdoosje, dat men onder schoolse begeleiding dermate met verf en lijm heeft toegetakeld, dat de moeder verrukt de handen in elkaar slaat en verrast uitroept: ‘O, wat een mooie bloem!’ Waarna men, hierdoor bemoedigd, er een geprutteld versje of gekrijst lied bovenop gooit. Vervolgens kiepert men een verongelukt ontbijt over het bed uit, stort zich in moeders uitgestoken armen, laat zich een wijle gedwee versmachten en stormt finaal de slaapkamer uit, richting flatscreen, voor een portie geanimeerd gekwek. In de slaapkamer blijft moeder, droefgeestig glimlachend, alleen achter.

Er zijn niet overal vaders. Die traditie is al een tijdje wijlen. Zo gaat dat, met tradities: ze eroderen, even onvermijdelijk als ongemerkt, en worden uiteindelijk zo broos dat ze plots, zomaar, verpulveren in de vuist die al te krachtig omklemt – wat rest, is een lege hand. En neerdwarrelend stof.

Er zijn ook niet overal moeders. Want moeders sterven. Dan zit men daar, in de klas, omringd door taterende klasgenootjes die druk in de weer zijn met smeerkaasdoosjes en wc-rolletjes. Men zit daar en peutert aan een papiersnipper. Men zit daar, maar men zit er niet. Men zweeft, daar, buiten, over het gras, over de boomtoppen, over de kerktoren, over alles heen, tot hoog in de wolken, waar men wolk wordt en naamloos mee glijdt met de andere wolken, onverstoorbaar nergens heen. Men zweeft en ontworstelt zich aan die vreemde beknelling, die band op de borst, die krop in de keel, dat wellende water in de ogen. Men is, en is niet. Men voelt, en voelt niet. Men heeft er nog geen woord voor. Later zal men leren dat het ‘existentiële eenzaamheid’ heet.

Later, wanneer men volwassen is. En het nieuws van de dag erop naslaat. En verneemt dat andere volwassenen ruziën over de gepastheid van Moederdagactiviteiten op school. Men schudt meewarig het hoofd, rept zich naar de koelkast en vreet tevergeefs het doosje smeerkaas leeg.

De onredbaren

Het leven is, op z’n best, een voortdurende oefening in het vermijden van ergernis. In eerste instantie de ergernis van anderen, vervolgens – nadat met het vorderen der jaren het inzicht is nedergedaald – de eigen ergernis.

Zeker, men kan z’n temperament niet ontlopen – temperament is als herpes: onvermijdbaar en hardnekkig. Men kan wel z’n ergernis leren doseren. Zich bijvoorbeeld niet telkens weer ergeren wanneer men bij thuiskomst merkt dat de poetsvrouw na het afstoffen de vaas op de buffetkast niet netjes pál in het midden heeft teruggezet. Men haalt eens diep adem, glimlacht bedaard, en verplaatst kwestieus voorwerp een weinig naar links of rechts, naargelang. Vervolgens aanschouwt men de aldus bekomen vertrouwde symmetrie en drinkt men tevreden een welverdiend glas bier. Immers, in de feilbaarheid van de poetsvrouw herkent men het eigen onvermogen tot perfectie. Bovendien: het argument ‘ja maar, ze wordt er wel voor betááld, hé’ houdt geen steek – dat bewijst men zelve elke dag op het werk.

(Perfectie is overigens ronduit akelig. De dag dat u bij het ontwaken vaststelt dat uw partner plots perfect blijkt, is de dag waarop u fataal ten prooi valt aan paranoia. In de imperfectie ligt het vertrouwen besloten. Men spiegelt zich aan elkaars onvolkomenheid. Gerustgesteld. Wat hou ik van je krasjes, schat, ze doen me denken aan de mijne.)

Er zijn evenwel mensen die de eigen ergernis nimmer ontstijgen. Men ziet het aan hun doorploegde gezichten, vol diepe voren van zuur, de ogen vaalgeel van pisnijdigheid, met spatten bloedeloos rood. Zulke mensen zijn deerniswekkend, doch uw deernis wekt slechts hun ergernis op. Zij zijn de onredbaren. Het vuur dat hen vooruit brandt, is het vuur dat hen verteert. Slagen, zo redeneren zij, is, alles welbeschouwd, slechts een matige gradatie van falen.

Zo’n mens kruiste afgelopen dinsdagmiddag mijn pad, aan de kassa van de supermarkt. Hij schold mij luidkeels uit omdat ik naar zijn zin niet snel genoeg opschoot. Ik wees hem op de fraaie ironie van het feit dat hij een bejaarde was. Toen noemde hij mij een lul. Ik glimlachte bedaard.

Vet noch cool

Een WhatsApp-groepje van mensen die elkaar brieven schrijven, zou dat bestaan? U weet wel, brieven, van die echte, op papier, ongelijnd, maar dan met stiekem zo’n hulpvel eronder waarop dikke zwarte lijnen staan, zodat de brief er finaal netjes uitziet, met een keurige interlinie, en zonder regels die lijken te dansen op lsd. De ontvanger opent de envelop, aanschouwt de bladspiegel en beseft: de afzender is een evenwichtig persoon, geen waanzinnige die mij naar het leven staat.

 
Er zijn mensen die, teneinde niet waanzinnig te lijken, bij het schrijven gebruik maken van een meetlat, die ze regel na regel een weinig naar beneden schuiven. Men herkent ze aan hun rare f’en, g’s, j’s p’s, q’s en y’s – trieste puppy’s met een gecoupeerde staart. Zulke mensen blijven hun hele leven veertien. Hou daar rekening mee, als u ze ontmoet – ze giechelen en gillen niet om u te pesten, wel uit onvermogen tot nuance. (Let wel: dat zijn vaak de gevaarlijksten.)

 
Wellicht, beste lezer, vindt u m’n initiële vraag over dat WhatsApp-groepje redelijk onnozel. Tot u beseft dat we tegenwoordig sms’jes sturen om te melden dat we een mail hebben gestuurd. Sms’jes, bovendien, waarin we de taal dingen aandoen die ons voor het Internationaal Strafhof in Den Haag horen te brengen.

 
Zorgvuldigheid is vet noch cool. Mede daardoor gaat manuele briefschrijverij danig teloor.

 
Daarom: koester de amechtige epistels in uw bezit, schaam u nooit voor die welke u anderen hebt geschonken. In een vlaag van helderheid hebben een vriend en ik ooit brieven die we van elkaar hadden gekregen gefotokopieerd en de kopieën aan de auteur geretourneerd. De vriend is al vele jaren dood, onze somtijds aandoenlijke correspondentie is blijvend herenigd. Ik doorblader die weleens. Balsem.

 
De vraag over het WhatsApp-groepje welde in me op toen mij deze week een brief bereikte van een 82-jarige dame. Daarin verontschuldigde ze zich voor haar ontoereikende kennis van “www.be”, waardoor ze wel verplicht was om pen en papier te gebruiken.

 
De verontschuldiging was even overbodig als ontroerend – ik pinkte een emoji weg.

Trein

Onze job, zei m’n collega, kan je nog het best vergelijken met een trein: ’s morgens spring je erop, en die trein begint te bollen, en bolt maar door, de hele dag lang, gestaag almaar sneller, en dan plots sneller sneller, en snelsnelsnel dendert hij de avond in, mindert geen vaart, integendeel, integendeel, hij dondert naar de nacht, vervaarlijk grommend, majestueus koppig, want hij weet dat hij zo meteen alles dicht moet gooien, álles, snoeihard in de remmen, schurend, gierend, rillend op de onverbiddelijke sporen, nú, en het schuurt en het giert en het rilt, álles schuurt en giert en rilt, en even majestueus koppig weigert hij te breken, hij weigert te breken en triomfeert, dankzij en ondanks, hij triomfeert en komt majestueus tot stilstand – en pas dán kan je eraf.
Toegegeven, hij zei het een beetje anders, m’n collega. Met veel minder woorden, vooral. Maar dat van die trein, dat klopt.
Wij zijn jongens van de stoomtrein.

Klein onderhoud

Ja, dat is natuurlijk even schrikken. Ruim zestien jaar lang bent u eraan ontsnapt, vorige week haalde u bij het bericht dat ‘De Week van Devriese’ ermee kapte ongetwijfeld opgelucht adem, en nu krijgt u het bám rauw in de maag gesplitst, ongecensureerd: mijn hoofd.

Hoofdzaken

Ik begrijp het best. Zelve vind ik het ook niet echt geweldig geslaagd, mijn hoofd. “Maar zie eens, wat een dikke kop!”, zei ik tegen de lay-outer met wie ik het fotoaanbod bekeek. En welke foto we ook openklikten, die kop blééf dik – ondanks de welhaast humanitaire verdiensten van de fotograaf. “Ja, ik kan die natuurlijk wel een beetje versmallen”, antwoordde de lay-outer schalks, en we glimlachten eens zoals mannen glimlachen wanneer ze zich onbespied en pienter wanen: onnozel.

Het is wat het is. Mijn dikke kop, uw nobel gelaat. We moeten ermee door, met die somtijds ietwat malle uitstulping van de nek. Daar zitten nu eenmaal onze ogen, oren, neus en mond – en mits wat meeval, een bruikbare portie hersenen. Zonder hoofd is het leven waarschijnlijk behoorlijk saai.

Zeker, je kunt eraan laten sleutelen. En gelukkig maar – sommigen onder ons worden geboren met een hoofd dat wel lijkt te zijn vervaardigd met slechts één doel: sociale defenestratie van de bezitter ervan. Goh, de natuur kan wreed zijn, verzucht men dan, terwijl men eigenlijk dient te zeggen: de mens is wreed. De natuur is niet wreed. De natuur is. De mens, hoewel deel uitmakend van de natuur, onderscheidt zich ervan door moraliteit – of het gebrek daaraan. Korstmos oordeelt niet.

Het gaat, kortom, niet eens zozeer om onze oren, doch wel om wat zich ertussen bevindt. Ook daaraan kan men laten sleutelen. Op al dan niet gezette tijden een klein onderhoud kan wonderen doen. Helaas, men wantrouwt zulke wonderen. Eerder nog rijdt men zich glorieus toeterend te pletter, na een vermijdbare kortsluiting in het besturingssysteem. En roemloos spat het gefacelifte gelaat uiteen.

Dat zal ons niet gebeuren, trouwe lezer. U en ik delen hier voortaan een wekelijks klein onderhoud. Met daarin aandacht voor de zaken die ertoe doen. De hoofdzaken.

Column 663

BEKENTENIS VAN DE WEEK

Deze week heb ik, teneinde mijn moeizaam verworven en uiterst breekbaar innerlijk evenwicht te bewaren, grensoverschrijdend gedrag vertoond.

Dat gebeurde via de E314, vanuit Genk, alwaar ik enkele uren te gast was geweest bij het echtpaar Eames – u weet wel, Die Van Die Stoelen. Een uiterst aangenaam en leerrijk bezoek, jazeker, maar wel dermate uitputtend, dat ik na afloop buiten even diende te bekomen op een bankje in de zon. Daar overpeinsde ik de maniakale bezetenheid van de ontwerper in het algemeen en het brute bestaan van de mijnwerker in het bijzonder – nederig verwijderde ik mijn bouwvallig kantoorlichaam.

Niet veel later overschreed kwestieus lichaam de grens, meer bepaald tussen Meers en Elsloo, waarna het zich – inderdaad, makkelijkheidshalve in een rijdende auto – via de E25 en de A73 tot diep in het hart van Nederland waagde. Doelwit van deze vermetele onderneming: het Kröller-Müller Museum in het Nationaal Park De Hoge Veluwe.

Over dat nationaal park kunnen we kort zijn: blijf daar weg. Er is geen hol te zien en je fietst je er een liesbreuk, op die malle witte vélocipèdes met terugtraprem – al na één kilometer verlangde ik hevig naar de dood (bij gebrek aan een bezemwagen, want die mag daar niet eens komen).

Over het museum, daarentegen, raak ik niet uitverteld. Gelukkig voor u beschik ik hier maar over zo’n vierduizend tekentjes, en derhalve zal ik mij beperken tot de essentie: de beeldentuin.

Beeldentuinen zijn fantastisch. Je weet niet wat je ziet. Letterlijk, soms. Sta je daar minutenlang te staren naar iets dat het midden houdt tussen een dinosaurusei, een trapladder, woekerend korstmos en een parallellepipidum – je hersens gaan helemaal blank, even verwoed als tevergeefs graait je kop in Het Ongrijpbare Niets – en finaal geef je het op en stap je naar het naambordje, teneinde een glimp op te vangen van de geniale geest van de kunstenaar, een vonk te vinden, een vingerwijzing, een voorzetje, hoe microscopisch klein ook, maakt niet uit, gewoon íéts. En dan lees je: ‘Zonder titel’. Knetterend zijg je ter aarde.

C9OHDG4XgAQHLZF

Het kan ook ietwat prozaïscher. Zo trof ik in de beeldentuin van het Kröller-Müller deze forse horizontalistische figuur aan. ‘Schwalbe’, gokte ik meteen, als naam. Ik maakte een foto en whatsappte die voor overleg naar enkele vrienden. ‘De kotser van Rodin’, meende een kenner. ‘Waar zijn m’n lenzen?’, opperde een ander. We kwamen er niet uit, en dus raadpleegde ik ten langen leste in arren moede het naambordje: ‘Niobe, 1951’, stond er. En nog: ‘Constant Permeke (1886-1952)’. Nadat het schaamrood enigszins was weggetrokken, googelde ik zo discreet mogelijk ‘Niobe’ (voor de liefhebbers: https://nl.wikipedia.org/wiki/Niobe) en werd alles me duidelijk. Een mythologische, sterfelijke figuur die in steen veranderde, nadat haar kinderen waren vermoord om haar te straffen voor haar hoogmoedig verlangen aanbeden te willen worden, ja, natúúrlijk – hoe kon ik dat níét weten? Hoe kon ik zo dom zijn? Niobe, parate kennis, toch? (Maarre… Als die vrouw in steen veranderde, waarom heeft Permeke haar dan afgebeeld in brons? Of ben ik nu wéér dom?)

Nee, werkelijk, met titels – strikt genomen is ‘Zonder titel’ ook een titel – dient een mens uit te kijken. ’t Zijn tweesnijdende zwaarden. Ze nodigen uit en perken in. Ze verleiden en stoten af. Ze verklaren en verwarren. Vandaar dat ik in dezen, immer de lezer indachtig, steevast de eenvoud betracht. Zo heet deze aflevering van m’n Bescheiden Prachtcolumn op deweekvandevriese.wordpress.com ‘Column 663’ omdat het de 663ste column is. Zo heet m’n column ‘De week van Devriese’ omdat het een column over m’n week is en ik Devriese heet. (Plus ook wel een beetje omwille van het stafrijm light erin en het metrum ervan, bestaande uit een dubbele amfibrachys, zijnde een beklemtoonde lettergreep tussen twee onbeklemtoonde lettergrepen, zocht ik hier net even op, zielig uitslovertje dat ik ben.)

O ja: deze 663ste aflevering, trouwe lezer, is meteen ook de laatste. Ik dank u grensoverschrijdend zeer.