Skip to content

Koning

Zijn jassen zijn te groot geworden. Maar een nieuwe kopen, nee. ‘Waarom zou ik? Wat is er mis met mijn jassen? Er is nog niks aan, kijk maar. Ze gaan mijn tijd nog wel mee.’

Zijn eetlust is klein geworden. Als de soep een beetje stevig is, krijgt hij er nog hooguit een half hoofdgerecht bij. Dan mompelt hij een overbodige verontschuldiging.

Zijn huis is te groot geworden. Er zijn kamers waarin alleen nog herinneringen komen. Bedden als zerken. Kasten vol niks. Een zolder versperd door een schuiftrap.

Zijn wereld is klein geworden. De auto is bijna meerderjarig, de fiets is met pensioen. Boeken herleid tot ruggen, kranten verschrompeld tot kruiswoordraadsels. Geschuifel van tv naar pc.

Ja, de pc. Hij wou er nooit een, nu wil hij hem niet kwijt. Raampje. Zuurstof. Het snelle nieuws, het trage gesprek. Met de weinige levenden. Er zijn steeds meer doden.

Ik heb een oude vader. (Mijn moeder is 43. Al 39 jaar.) Hij woont alleen. Kent enkel lange dagen. Vaak dagen zonder woorden. Dagen waarop hij zou schrikken van z’n eigen stem.

Soms trekt hij een oude jas aan – jawel, te groot – en gaat hij de tuin in. De tuin is stil. Het enige wat hij hoort, is het kraken van z’n knoken wanneer hij zich traag buigt om wat onkruid weg te plukken. Onkruid moet niet denken dat het vrij spel heeft, hier, in zijn tuin. Hier is hij de baas. Deze tuin heeft hij zelf uit het braakland omhoog gewroet. Er was niks. Nu zijn er bomen en perkjes en bloemen en rust. Dit is zijn rijk.

Hoelang kan hij nog koning zijn? We hebben er al vaak over gepraat. Treedt hij af, of wordt hij onttroond? Wat rest hem, na het koningschap? De dood? Of toch nog wat leven? En ís dat een leven, het leven als balling?

Nee, gruwelt hij. Hij heeft het weleens gezien, dat leven. Als bezoeker. Wezenloze ballingen die gevoederd en verschoond worden. Jaren te veel, handen tekort.

Ik hoop dat hij niet heeft gekeken, woensdag, naar de Pano-uitzending over de woonzorgcentra. Dat hij in de plaats daarvan even naar buiten is gestapt, in een te grote oude jas, voor een zoete vergetelheid biedende avondwandeling in zijn koninkrijk.

Advertisements

Het moment

Ze is vier en sprong vorig weekend voor het eerst zonder armbandjes in het grotemensenzwembad. Met een flinke aanloop, natuurlijk, want hey, ze is al vier.

‘Mama is trots op jou, hoor’, zei haar mama, en dat was terecht, want minstens de helft van die sprong was mama’s werk geweest: een kwartje vertrouwen, een kwartje enthousiasme, een kwartje overredingskracht en twee kwartjes geduld – mama’s hebben altijd een heleboel extra kwartjes in voorraad.

In eerste instantie wou ik tegen de mama zeggen dat het niet zo’n goed idee is om over jezelf te spreken in de derde persoon, maar toen betrapte ik mezelf erop dat ik best wel een beetje trots was op de mama. En onzichtbaar glimlachend herinnerde ik me de keren dat wij samen in een grotemensenzwembad hadden geploeterd en hoe we dan telkens louter in het moment zelf bestonden – zij omdat ze kind was, ik omdat het kon.

Jawel, omdat het kon.

Kleedhokjes zijn magisch: je stapt er als volwassene binnen en komt er als kind buiten. Plots is spetteren weer leuk. En bommetje. Je bommetje wordt met de jaren trouwens beter – dáárvoor heb je dus die extra kilo’s bijeengespaard.

Plus: je blijkt plots opnieuw beklauterbaar.

Dat was alweer van dat vriendinnetje geleden, toen je als snotneus galant onder water hurkte en haar op je schouders hees – hoewel, hees? Vederlichte verleiding, dat was ze, rank en slank en pront en strak. Heel even haar lichaam tegen het jouwe, voorbode van wat je hoopte. Ach. Dan duikelde ze hoog van je weg – je keek haar van onderuit na en gloeide wanneer ze proestend weer boven kwam en, het haar uit de ogen vegend, klaterend naar je lachte. Je verdronk in het moment. Je bestond.

We moeten dat vaker doen, bestaan in het moment. In tijden waarin stoere politiemannen bejaarden verrot slaan en gekken vanuit een hotelraam honderden kogels afschieten op zingende en dansende mensen, moeten we vaker bestaan in het moment. En ja, het moment gaat telkens weer verloren, en ja, zelfkwelling is een tijdje leuk, maar niets gaat boven dat springen zonder armbandjes, die ene tel, tussen wal en water, waar je mama wacht.

Gefluister

Er zijn almaar minder dingen die je niet hoort te zeggen, die niet worden gezegd. De enen juichen dat toe wegens weg met taboes en politieke correctheid en leve de vrije meningsuiting dedju!, de anderen trekken zich terug in een hoekje en treuren om de teloorgang der welvoeglijkheid. Ergens tussenin situeren zich de filosofen – zij vinden juichen en treuren hoofdzakelijk tijdverlies.

Er zijn ook dingen die je niet hoort te zeggen, die hooguit worden gefluisterd. Onder collega’s, bijvoorbeeld, of toch minstens mensen die zich in eenzelfde problematiek verdiepen. Ze fluisteren, maar wie goed luistert, hoort ze schreeuwen. Boos en machteloos. Ze fluisteren noodgedwongen. Omdat hardop spreken niet mag. Dweilen, ja, dat mag – met de kraan open.

Veelal werken die fluisteraars in de scharniersectoren van de samenleving: gezondheidszorg, veiligheid, justitie, onderwijs. Net daarom zouden we vaker naar ze moeten luisteren – zelfs al betekent zulks dat we zelf even moeten zwijgen. Dan zouden we horen dat hun gefluister veelal de kern raakt van wie we zijn, dwingende vragen stelt over de keuzes die we maken en de gevolgen daarvan. Dwingende, ongemakkelijke vragen. Over ethiek.

Zo was er deze week jeugdrechter Inge Claes, die in het redelijk befaamde tv-programma ‘Radio Gaga’ op de vraag ‘Vind je dat sommige mensen geen kinderen moeten krijgen?’ hardop antwoordde: ‘Ik denk het wel, ik zie zo schrijnende situaties waarbij mensen niet eens voor zichzelf kunnen zorgen, dat je de vraag kan stellen of zij wel voor een kind kunnen zorgen. Of voor drie, vier of vijf  kinderen. En die situaties zijn er wel.’

De jeugdrechter is niet de enige die er zo over denkt. Voor u ‘Ja, de nazi’s ook!’ roept: het gebeurt al, het preventieve knipje. Discreet en zonder veel inspraak. Ter bescherming. Uit liefde, ja.

Het hoeft niet altijd uit liefde te zijn. Het mag ook uit doodgewone bezorgdheid. Een bezorgdheid die groot genoeg is om dit debat hardop te voeren. Iemand moet de stem vertolken van het leven dat er gelukkig nog niet is.

Of blijven we liever dweilen, mopperend over waterverspilling?

Vunzigheid

Ik heb nooit een Playboy gekocht. In de tijd dat ik dat graag wou, durfde ik niet, en toen ik eindelijk durfde, was de goesting over. Wat zou je je tijd staan vergapen voor de etalage van een bromfietswinkel, als je thuis een prachtexemplaar hebt? Je lief was toch steevast de mooiste en de lekkerste, ha!

Er eentje doorbladerd, dat heb ik natuurlijk wel. Doorgaans bij kameraadjes die een oudere broer met weinig talent voor verstoppen hadden, een enkele keer bij mensen die het blad zomaar op de salontafel lieten slingeren – de progressieven van de jaren zeventig blijken de seksisten van vandaag.

Wij waren niet progressief, thuis. Wij lazen De Standaard. En sommige publicaties van Boekengilde De Clauwaert. Vieze boekjes kwamen er niet in. Er diende over ons zedelijk peil gewaakt, want wisten wij snotapen veel wat voor vunzigheid ons daarbuiten beloerde. Seksueel geperverteerden! (En socialisten, doch zulks valt buiten dit bestek.)

Groot was dan ook mijn verbazing toen ik in m’n laatste jaar middelbaar bij wijze van kerstcadeau een exemplaar van Snoecks Almanak mocht ontvangen. Snoecks Almanak! Op de cover prijkte een gestroomlijnde jongedame in een weinig verhullend gewaad – men kon duidelijk zien dat kwestieuze freule hoogstwaarschijnlijk tepels had. Twee, zelfs, van de pronte soort. Binnenin trof ik nog meer lichtdrukmalen aan van lichamelijk bevoordeelde doch vestimentair benadeelde deernen. Mijn broek zakte af. (Op figuurlijke wijze.)

Een redelijke verklaring voor dit opmerkelijke geschenk werd mij niet gegund. Het bleef bij enig gegrinnik en geginnegap – een aloude familietraditie, wanneer de conversatie weleens zou kunnen uitdraaien op een ernstig gesprek over diverse vormen van broekloos vertier. Ik kan derhalve slechts vermoeden dat ik die Snoecks Almanak toen heb gekregen omwille van de artikels. Die waren overigens ook lang niet verkeerd.

Bij het overlijden van Playboy-baas Hugh Hefner is deze week het even einde- als zinloze debat over ’s mans zedelijk gehalte opgeflakkerd. Ik dacht slechts aan de jaren zeventig, en de vele kereltjes zonder bromfiets.

Spiegel

Vroeg of laat overvalt het je. Veelal blijft het bij een flits, die je als een kinderlijke malligheid weglacht; somtijds blijft het hangen, knagend in je kop, vretend aan je vertrouwen; een enkele keer raak je er nooit overheen – er knapt iets, binnenin, en je blijft verweesd achter, starend naar de twee losse eindjes die je in je handen houdt. Er ontbreekt een stukje.

Uniek, dat wil je zijn. Uniek, en vrij. En, vooruit maar, een heel klein beetje verbonden – liefst via de portemonnee. Ze mogen je sponsors zijn, je ouders. Maar voorts moeten ze zich niks in het hoofd halen. Geld is geen pasmunt voor garanties.

Je ouders, ach. Zij kijken naar jou en speuren naar gelijkenissen, jij kijkt naar hen en zoekt de verschillen. Als er één ding is, in het leven, dat waarlijk van tel is, dan wel dit: níét op je ouders lijken. Je valt liever dood.

Maar je valt niet dood. Je blijft in leven en stilaan doemen ze op, de vreselijke, onmiskenbare tekenen dat je wel degelijk de zoon van je vader bent. De nevelen rond de genen trekken langzaam op, en plots staar je ontzet in de spiegel: die neus. Je hebt zijn neus. Of ogen. Oren. Mond. Haar. Of – de gruwel – alles. Je bént hem. Je leven is zinloos.

Later, véél later, leer je dat je leven niet zinloos is. Integendeel, zelfs. In de herkenning, de herkenbaarheid, ligt een aarding besloten, een verzekering dat je een voorgeschiedenis hebt, deel uitmaakt van een verhaal.

Zo’n verhaal willen we allemaal. En liefst niet verzonnen. De schone snee der waarachtigheid valt te verkiezen boven de etterende leugen.

Ja, vroeg of laat overvalt het je. De vraag die alle andere vragen overschaduwt: zijn je ouders je ouders, en zo niet, wie zijn je ouders dan wel?

In ‘De Morgen’ van vrijdag stond te lezen hoe voor het eerst een Belgisch donorkind de identiteit van z’n biologische vader heeft achterhaald via een DNA-databank en stamboomonderzoek. De tijd van zwijgen is definitief voorbij, anonimiteit is voorgoed een illusie. Dit raakt, nee, ís de essentie. De vraag zal blijven galmen. Kijk in de spiegel, politici, en maak werk van een humaan antwoord.

Ponykamp

Hoe doe je dat? Hoe slaag je erin om het als werk te beschouwen, gewoon, een job, zoals iemand anders brieven bezorgt of muren metselt? Of is het net andersom? Dat je het níét als zomaar een betaalde bezigheid ziet, maar als een roeping, een schier heilige opdracht, vanuit een passie welhaast, een onweerstaanbare drang naar perfectie? Kortom, in welke geestestoestand dien je te zijn of jezelf telkens weer te brengen, om dat te kunnen doen? Ben je aldoor verdwaasd, verdoofd, of net heel gefocust, alert, scherp? Zo scherp als het mes in je hand?

En wat antwoord je, als je kinderen thuiskomen van school en, lijstje en balpen enthousiast in de hand, vragen wat voor werk hun papa eigenlijk doet?

Omdat het nodig was voor de krant en omdat ik niet hypocrieter wil zijn dan ik ongetwijfeld soms ben, heb ik het filmpje van Animal Rights bekeken. Wat ik te zien kreeg, kwam min of meer overeen met wat ik had verwacht. Een slachthuis is geen ponykamp. Zo men er al zingt, dan zeker nooit kumbaya. Plus: er is, denk ik, een bovengrens aan wat een mens voor afstotelijks kan aanschouwen; eens die grens bereikt, slaat een mens de ogen neer of kijkt hij weg, vestigt hij zijn blik op iets anders, een detail desnoods.

Ik keek naar de man met het mes. Witte overall – heel even dacht ik: CSI Izegem.

Izegem, stad van bustels en skoen, van ’t Hof van Commerce, van Geert Bourgeois, Patrick Sercu en Ulla Werbrouck. Stad, ook, waar ik eens zeer dronken ben geweest. Om eerlijk te zijn: meer dan eens. Slechte maten. Uit Izegem. Seigneurs waarmee ik op kot zat, vele oorlogen geleden. Ze namen mij weleens mee, naar hun verraderlijk nest. Een kluwen van cafés, waarin we vrolijk verstrikt raakten en finaal magistraal ten onder gingen.

Het waren nochtans de jaren van ernst. Het waren de jaren waarin wat je deed – en vooral: níét deed – zou bepalen of je later de keuze had. De keuze tussen pakweg een fijne baan met leuke extra’s en een leven waarin je op een dag zou vaststellen dat je je stond om te kleden in een gedesinfecteerd hok, teneinde even later aan de slag te gaan. Met een mes.

Herfst

En plots zitten ze er weer, in de badkuip, in de spoelbak, in de wastafel, op de muren: ‘Wij zijn de griezeltjes die de herfst aankondigen.’

Je hebt mensen die gillend op de vlucht slaan en meteen een verhuisfirma bellen, je hebt er die de griezeltjes voorzichtig oppakken en gemoedelijk buiten zetten. Ik laat ze lopen. Niet omdat ik een gediplomeerde boeddhist ben, wel omdat ik een luie opportunist ben. Ze eten naar verluidt andere griezeltjes, en dat scheelt een hoop, qua huishoudelijk werk. En dat zonder dienstencheques.

Ik laat ze dus lopen, maar een enkele keer speel ik wegomlegginkje: dan geef ik ze een zetje, waardoor ze pakweg twintig, dertig centimeter achteruit worden geslagen; geen haar op hun poten denkt eraan om een andere weg te kiezen – nee, hop, daar komen ze weer, precies hetzelfde spoor volgend, tot ze, bám, wéér tegen die hindernis aan lopen en wéér een eind achteruit rollebollen. U en ik, wij zouden er dan wel genoeg van hebben, elkaar eens betekenisvol aankijken en stilzwijgend overeenkomen dat we een sluipweggetje nemen, zij houden gewoon vol. En gelijk hebben ze: na een paar keer is de lol er voor mij wel af en laat ik ze doen wat ze blijkbaar móéten doen – enigszins gehaast doch zo waardig mogelijk hervatten ze hun tocht, langs dezelfde, vaste route. Zoals u en ik dat, na onvoorzien oponthoud, doen richting stamkroeg.

De stamkroeg is overigens een zeer geschikt oord om zich voor te bereiden op de herfst. Men is in de zomermaanden van het rechte pad geraakt en is vreemdgegaan op verleidelijke terrasjes. Maar nu de duisternis zich des avonds slinks doch gretig steeds sneller over de dag buigt, zoekt men het huis van vertrouwen weer op. Men buigt er schuldbewust voor de waard, en offert hem geld op het altaar genaamd toog. Minzaam knikken de medegelovigen. Men geeft een rondje – het eerste couplet van een schier eindeloze canon. Dan komen de zomerverhalen, eerst schoorvoetend, dan instemmend, finaal orkestraal.

En terwijl binnen de uren verglijden in genoeglijke kout en gloedvolle hilariteit, weeft buiten de herfst zijn web tussen de daken.