Skip to content

Vreemdeling

Voor de zoveelste keer verfrommelt hij driftig het vel papier dat voor hem ligt, de enkele woorden erop tot waardeloos herleid. Hij mikt de prop in de mand en sombert voor zich uit. Wat een treurnis, zo beseft hij, om tegenwoordig koning van dit land te zijn. Wat voor vrolijks valt er te vertellen, straks op die nationale feestdag? Een enge ziekte, duizenden doden, ruziënde politici, een slabakkende economie, en schijtweer.

Dan valt zijn oog op het zilveren belletje dat op een hoek van zijn werktafel staat, halvelings verborgen achter een foto van zijn gezin, tijdens een ongedwongen uitstapje. ‘En cas d’urgence’ staat erin gegraveerd, een cadeautje van een ex-premier – dat was tenminste nog een echte staatsman, bedenkt hij met enige weemoed. Zou hij? Is het geen zwaktebod? Hoort een vorst niet immer sterk te zijn? Het lichtend voorbeeld, in donkere tijden? Hij bijt op zijn lip. Een echte leider weet wanneer hij zelf leiding nodig heeft, werpt hij op. Zwak durven te zijn is een teken van sterkte. Hij belt. Het gerinkel klinkt scherp en hoog. Net niet pijnlijk. Noodkreet op 1.580 Hertz.

Vrijwel meteen gaat de zware deur van zijn werkkamer geruisloos open. Er stapt iemand binnen die hij nooit eerder heeft gezien. Even deinst de koning achteruit. Maar de vreemdeling maakt geen aanstalten om dichterbij te komen; hij blijft welhaast ingetogen staan, buigt respectvol en vraagt: ‘Sire wenst?’ Zijn stem klinkt sonoor, tegelijk raar en vertrouwd.

De koning herstelt zich flink – je bent een leider of je bent er geen – en haalt zijn hand weg van de geheime alarmknop aan zijn werktafel. ‘Wie bent u?’, antwoordt hij kloek. ‘De geest van uw oom, Sire’, zegt de vreemdeling, en hij buigt opnieuw. ‘U gekscheert?’, riposteert de vorst, zich niet eens verbazend over zijn eigen ongewone taalgebruik – zo hard is hij van zijn koninklijke melk. ‘Toch niet, Sire. Dat ligt niet in mijn aard’, antwoordt de vreemdeling minzaam, daarbij het hoofd ietwat schuin houdend. ‘U wenst?’

‘Inspiratie’, zegt de koning moedeloos en slaat de ogen neer. Wanneer hij weer opkijkt, is de vreemdeling verdwenen.

 

(De bijzaak)

Op de tachtigste verjaardag van Ringo Starr, deze week, heb ik even stilgestaan bij het feit dat John Lennon amper veertig is geworden. Veertig. Dan begint het allemaal pas. Verlost van de jeuk van de jeugdigheid, rustig genoeg voor de evenwichtsoefening genaamd ouderschap, voldoende zelfkritisch om een leider te zijn, sterk genoeg om een zware last te dragen. Vraag dat maar eens aan onze koning.

Verhaaltjes

Helaas hebben de diverse media er bedroevend weinig aandacht aan besteed, vandaar dat ik deze Bescheiden Prachtcolumn gebruik om de kwestie alsnog aan te kaarten: deze week was het zestig jaar geleden dat Congo onafhankelijk werd.

Tot hoeveel geveinsde vreugde, oprecht verdriet, gemeende excuses en gepast geachte herstelbetalingen deze gebeurtenis aanleiding dient te geven, is voer voor experten in de Congologie, op het publieke forum. Ik ken mijn plaats, en die is elders: aan mijn innerlijke toog, alwaar ik met een verfrissend glas Tembo in de hand mijmerend stilsta bij de vraag wat Congo was voor ons, wij jongelui die bij leven nooit een afhankelijk Congo hebben gekend.

Het antwoord? Een verhaal. Verhaaltjes.

Een brievenopener uit Afrikaans zwart hout, in de voorkamer bij mémé en pépé. Iets wat op een kleine ivoren slagtand leek. Een schier vervlogen lichtdrukmaal van een tante-nonnetje van vader. Het knikkende donkere kinderhoofdje op school, als je er een centje voor de zwartjes in deponeerde. Zilverpapier van chocoladereepjes. Misselijk voor het goede doel. Een eerwaarde pater die kwam vertellen over de missies. Pij en pijp, baard en sandalen. Ga zo de brousse in, dachten wij respectvol. De klas zwaaide hem uit met extra gebeden, voor hem en de arme heidenen daar. (Zou God hebben geweten dat ik het niet echt meende?)

En toen werd Congo plots Zaïre. In colleges doken leraars op die Belgische eieren voor hun geld hadden gekozen maar ons nooit expliciet vertelden waarom; zij kregen pittoreske bijnamen. Tijdens biechtvieringen boden uit Zaïre teruggekeerde geestelijken hun intermediaire diensten aan – dankbaar vertelden we onze verzonnen zonden aan hen, in plaats van aan onze klastitularis. Aan de schoolpoort stonden weleens langharigen te roepen dat ‘wij’ Zaïre om zeep hadden geholpen, maar ach, zij riepen ook dat Mao het paradijs op aarde had gecreëerd. Laat ons met rust, langharigen.

Congo was ver van ons bed. Het bed waarin wij koortsachtig lagen te dromen van voorbij fietsende meisjes, die blozend naar ons zwaaiden. Dát, zo meenden wij, was pas ware onafhankelijkheid.

 

(De bijzaak)

De burgemeester van Knokke mag beslissen dat wie zich in zijn gemeente op straat vertoont in (deels) ontbloot bovenlijf een boete van 350 euro krijgt. De burgemeester van Deinze mag niet beslissen dat wie zich in zijn stad in een supermarkt begeeft een mondmasker moet dragen. Het ene is ter bescherming van een elitair imago, het andere ter bescherming van ons aller gezondheid. Kiest u maar.

Covidius

Tussen 21 april en 30 juni 2020 heb ik een reeks versjes verzonnen over ons denken en leven in tijden van corona – of COVID-19, vandaar inderdaad de naam Covidius. Hieronder heb ik ze chronologisch verzameld.


 

Fluks doorheen deze

uitzichtloze pandemie?

Kies zonder vrezen

voor structuur en strategie:

’s nachts liggen lezen

en overdag lethargie!

 


 

Ik heb het niet voor virussen;

die maken je kapot.

Ik heb het meer voor huismussen;

die blijven in hun kot.

Ik heb het niet voor fluimen;

die spatten in het rond.

Zie ik zo’n bek weer schuimen,

denk ik: hou toch je mond.

 


 

Ban de spoken!

Verjaag het venijn!

Straks fijn koken!

Maar eerst een glas wijn!

 


 

Die boetes, ja, ’t is balen.

Roep gerust, maar vraag je tevens

af hoe we liefst betalen:

cash, met de kaart, of met levens?

 


 

De maskers zijn besteld.

Komt wat komen zal.

Simpelweg gesteld:

zombiecarnaval.

 


 

‘Kameraden, ’t is een slechte dag.

Helaas voor ons is er vandaag geen feest.

Geen stoeten, speeches, bomvolle cafés.

We staan hier schoon, met een zure lach.

We moeten ons erover zetten:

er valt niet heel veel te besmetten.’

 


 

Het regent. Een vlaag

spoelt over het pad.

Men juicht: “Regen? Graag!

Goed voor boom en blad!”

Wat ik mij afvraag:

wordt zo’n virus nat?

 


 

Hoera, we mogen weer golfen!

In de natuur! Wat is dat fijn!

En, zit u morgen op de trein

als een bang lam tussen wolven?

 


 

Oma vasthouden mag niet. (En zeker geen kus.)

Ons kleinkind evenmin.

We torsen een zware last.

Mag wel: massaal naar het werk. (Op trein, tram of bus.)

Men noemt het een begin.

Ons hart, dát houden we vast.

 


 

Ik probeer oprecht niet te snoeven,

maar vandaag voel ik mij – eerlijk –

door God gezegend: wat heerlijk,

niet naar de Veritas te hoeven!

 


 

We weten het niet. We hopen.

We gedragen ons. We lopen

waar dat mag,

dag na dag,

en dromen met de ogen open.

 


 

Zwetende mannen die elkander betasten,

graaiende handen naar het strakke lijf,

glimmend en glanzend in gespannen extase,

weten ze met hun verrukking geen blijf.

Wij kijken graag toe. Wat moet, zal:

“Geef ons verdomme wat voetbal!”

 


 

We wikken en wegen:

wie mag in de tuin,

wie trappen we op ’t hart?

Dan scheiden de wegen

en ruimen we ’t puin.

De kleur van de hoop? Zwart.

 


 

Men hoort pessimisten verklaren

dat het gevaarlijk wordt, nu iets meer mag.

Wat ons pas echt zorgen moet baren:

dat het zal regenen op Moederdag.

 


 

’t Is al gek, maak het niet gekker.

Voor wie niet weet wat gedaan:

simpelweg vandaag eens lekker

nergens in de rij gaan staan.

 


 

Was je gisteren ook niet af te stoppen?

Stormde je de stad in? Moest je

– net als anderen – ook zo nodig shoppen?

Zit je vandaag met een hoestje?

 


 

Alles wordt ons afgepakt!

Ze nemen ons in het ootje!

Hoezo, wij zijn gevaarlijk

in de duinen in ons blootje?

 


 

Verkijk u niet op de zon:

’t is aardig frisjes buiten.

Terrasje, met een Picon?

We kunnen er naar fluiten.

 


 

Niet langer in living of keuken,

in kamer of hoofd op de dool.

vandaag was ’t voor hen véél leuker:

vandaag mochten ze weer naar school.

 


 

Als een kind naar een ijsje

kijken we naar fase twee.

En het virus kijkt naar ons

als een wolf naar een ree.

 


 

Te midden van alle zorgen,

één mirakel, Heer, ééntje maar:

dat het virus overmorgen

mee met Jezus ten hemel vaart.

 


 

Ik heb vannacht paaltjes geslagen,

prikkeldraad uitgerold en helmgras geplant.

Voor wie me straks toch komt belagen:

er liggen boobytraps rond mijn stukje strand.

 


 

Een vrije dag, een warme dag.

De traagheid van niets moeten.

De stilte. Vogels. Zon. Gelach.

De geur van vuur. ’t Is goed in

de schaduw van de bomen.

Een barbecue met vrienden.

Een dag om van te dromen.

 


 

‘Geen masker!’, sprak Trump ferm en onversaagd;

zo’n foto gunt hij de persmeute niet.

Maar zelfs een blinde toeschouwer ziet

een patser die altijd een masker draagt.

 


 

Je bent jong, net verkozen,

je roept zonder blozen

gelijk wat, maar weet er

niks van, besef je wel.

(Ook dat je soms beter

je mond spoelt met javel.)

 


 

Die contact tracing blijkt één komedie:

slechts twee per dag? ’t Loopt uit de hand!

Er is nochtans een goeie remedie:

geef iedereen een enkelband.

 


 

In abnormale tijden

wordt men constant aangespoord:

‘Denk goed na over wat normaal is’’

Maar ’t denken wordt gauw lijden

als men op een ochtend hoort

dat die databank illegaal is.

 


 

Hoe je ook je spoken bezweert,

belangrijker dan al wat je probeert

is wat je van zo’n crisis leert:

je telt al je hele leven verkeerd.

 


 

We reizen om te leren!

Hopla! Weg uit ons huis!

De les bij ’t wederkeren:

nergens beter dan thuis.

 


 

Bronnen van klein verdriet?

Ik denk spontaan aan

een afgebroken lied,

een kapotte kraan,

een frietzak zonder friet,

een stervende zwaan,

een café waar men niet

aan de toog mag staan.

 


 

Een update voor wie even niet mee is.

(Wat tegenwoordig niet eens raar is.)

Er waart iets dodelijks door de VS:

een virus dat luid en zichtbaar is.

 


 

We hebben het toch zo moeilijk.

Ach, ons leven is pover,

met dat virus en die lockdown.

Ons geweeklaag blijkt verfoeilijk:

zwijg, als je niets zegt over

dat racisme en die topclown.

 


 

We waren als net niet barstende kruiken,

te water, na maanden van verstarring.

Het laatste dat we dan konden gebruiken:

in Aalter gerijpte taalverwarring.

 


 

Ik krijg hier net een signaal van mijn blaas:

hoog tijd dat ik mij bewegend verplaats!

 


 

We mogen straks weer op café.

Maar als hondjes. Dikke pech.

Van ’zit’ en ‘blijf’ krijg je geen kick.

Dat tafelbier is niet oké.

Pas als ’t water hoog staat,

mogen we van tafel weg.

Gelukkig zorgt de politiek

zelf voor platte toogpraat.

 


 

Een simpele natuurkundige wet:

(Ik herhaal haar graag voor diegenen

die gisteren niet hebben opgelet.)

je verjaagt geen virus met stenen.

 


 

Zoals de zeven geitjes

voor de wrede wolf,

zo zijn wij klaar

voor de tweede golf.

(En hebben, tot onze spijt,

helaas geen moeder geit.)

 


 

U wil iets in de media doen?

Deze zomer is er één must:

solliciteer met stijl en fatsoen

voor de camera’s aan de kust.

 


 

Corona? We zijn clean!

Wat mensen zo te zien

de meeste zorgen baart:

een virus met een baard.

 


 

Het eerste weekend. Ambitie

genoeg, maar ook wat conditie?

We denken van wel en hervatten

een schone Vlaamse traditie:

zich openbaar stevig bezatten.

 


 

We zijn gedoemd! Gaan naar de haaien!

’t Is wensen, bidden, hopen!

Wat hier zoal komt binnenwaaien!

De grenzen zijn weer open!

 


 

Kijk uit, want de discipline verslapt!

Wat we vandaag weer allemaal lezen!

Die uitbraak in Peking, dat is geen grap!

Voor je ’t weet, is ’t met alle Chinezen!

 


 

Ach, ’t zijn maar een paar gevallen;

daaraan hebben we oprecht lak.

We kijken naar de getallen

als konijnen naar een lichtbak.

 


 

Het virus kan zich even ontspannen:

zo’n dagje waarop het echt niets moet

– misschien maakt het vakantieplannen.

De zenuwen staan vandaag gespannen

over een ‘grappige’ Hitlergroet.

 


 

Denkt u qua onnozelheid

weleens aan uw eigen tijd:

nog naar school, maar voor de sport,

en daarna een raar rapport?

 


 

‘De jongeren willen elkaar zien.’

Ze troepen bijeen, ze vliegen erin,

ze hebben geen boodschap aan burgerzin.

De ouderen? Tja, die zijn gezien.

 


 

Het wordt puffen – dat is een feit.

Met z’n allen naar zee!

Dat wordt dringen! Een mooie tijd,

denkt het virus tevree.

 


 

“Niet enkel goed nieuws.” Dat belooft.

De Nationale Veiligheidsraad

klinkt somber, vandaag. U gelooft

in algehele vrijheid? U dwaalt.

 


 

Dat virus blijft ons tegenstaan.

We hebben veel om over te klagen.

Maar denk vandaag toch ook eens aan

die hond, alleen, in een hete wagen.

 


 

Het kroost geslaagd voor alle vakken!

Vakantie! Hoera! Koffers pakken!

Grensoverschrijdend op reis!

En ’t virus zit in de prijs!

 


 

Het gevaar zal nog lang niet wijken,

maar ach, een uitbraak hier of daar

is zowaar oud nieuws. We bekijken

vooral de cijfers van Hazard.

 


 

Laatste dag van juni. Nog één keer

rijmen zonder zijn gat te lichten.

Lak aan ’t metrum, lak aan telkens weer

rake taal. Daar is hij te moe voor.

In tegenstelling tot de dichter

gaat het virus nog wel even door.

 

 

Rapport

Ze is vorig weekend zeven geworden en sinds dit weekend dus klaar met het eerste leerjaar. Toch? Ik wou het haar vragen, maar ze had het te druk met cadeautjes en kinderchampagne en tussendoor halvelings meeluisteren naar gesprekken tussen volwassenen want als je zeven bent, ben je al groot. Toch? Zeker als je broer pas vier is en nog als een stuiterballetje door de tuin dendert, waarna hij natuurlijk plots moet overgeven, tsss. Haar blik twijfelde tussen oprecht bezorgd en wijsneuzig bedenkelijk.

Ja, ik wou het haar vragen. Al was het maar om haar monter en beslist te zien knikken – hoe huppelt het paardenstaartje – bij haar antwoord: “Ja, en na de grote vakantie mag ik naar het tweede.” Waarop ik dan had kunnen zeggen: “Goed hoor! Dat lijkt me leuk!” Al valt dat laatste nog maar te bezien. Is ze er echt klaar voor?

Ze is lang niet alleen. Rond deze tijd komen alom kinderen naar huis met een rapport. Hun ouders kijken het in en aanschouwen een verdict. Over het kind, en over zichzelf. Hebben ze het goed gedaan, samen, in die rare maanden? Zijn mama en papa geslaagd als leerkracht, studiemeester, coach, leerlingenbegeleider, directeur? Of heeft de school oogluikend enkele stinkers toegestaan? Hier en daar een puntje extra gegeven, zodat mama en papa trots kunnen zijn op zichzelf? Meer dan ooit is dit schoolrapport het rapport van de ouders, en zeker van die vaders en moeders die voorheen weleens laatdunkend de neus ophaalden, als een leerkracht hun geniaal kind niet gaf wat zij eisten.

Het schoolrapport is ook meer dan ooit het rapport van de school, van het onderwijs, van de samenleving, van de overheid, van de politici, van het beleid. Alleen: dat zullen we pas later ontdekken, misschien wel veel later, hopelijk niet te laat. ’t Was roeien in een lek bootje, de jongste maanden. Maar je mag wel de vraag stellen of het bootje tevoren z’n noodzakelijke onderhoudsbeurten had gekregen. Of er genoeg roeiriemen waren. En voldoende proviand aan boord.

Van die vragen ligt zij niet wakker. Wie zeven is, heeft belangrijkere zaken aan z’n hoofd. Zoals: nu is het écht vakantie.

 

(De bijzaak)

Het wordt hopelijk een uitzonderlijke zomer. Ik schrijf ‘hopelijk’ omdat we natuurlijk niet graag zouden hebben dat deze zomer de norm wordt, dat alle hierna volgende zomers even rigide en afgemeten en vol van gevaren zullen zijn. Die uitzonderlijke zomer wil ik graag met u delen. Daarom blijf ik u, in tegenstelling tot de voorgaande jaren, in juli en augustus hier wekelijks lastigvallen. Sorry!

Eiland

Er werd in de vriendenkring aardig wat afgekust. Mannen en vrouwen, allemaal dooreen. Transgenders niet, nee. En interseksuelen al evenmin. Bij gebrek aan. (Er zijn dus vacatures.) De vriendenkring is wat hij is: klassiek volgens de enen, hopeloos ouderwets volgens de anderen. Prima, volgens mij.

Ik zou overigens wel gek zijn als ik het tegenovergestelde zou beweren. Het duurt een half mensenleven eer je een roedel vindt die jou waarlijk opneemt. Want laten we wel wezen: die drinkebroers en voetbalmaatjes van weleer zijn pas vrienden eens de tand des tijds zijn tand erop stuk heeft gebeten. Je hoort weleens beweren dat je je vrienden zelf kiest, maar dat is baarlijke nonsens, of toch op z’n minst halfbakken onzin. Vriendschap is veeleer een kwestie van wederzijdse verzoening met andermans gebreken, het daarmee gepaard gaande voortschrijdend inzicht in de eigen gebreken en bovenal de volgehouden bereidheid om zichzelf genadeloos uit te lachen. Wie niet om zichzelf kan lachen, verdraagt niet dat anderen om hem lachen. Die heeft niks te zoeken in een roedel.

Let wel: stel u daar niet al te veel bij voor, bij dat afkussen, in de vriendenkring. Ja, ’t was aardig wat, maar nee, ’t was niet olympisch. Er werd niet gelebberd. Zelden zelfs raakten lippen huid. Doorgaans ging het om elkaar beroerende wangen, waarbij de mond een al bij al ingetogen kusgeluid maakte. Het kussen was aldus slechts de veruitwendigde wens om op kuise wijze lijfelijk te zijn. Kwetsbaar te zijn.

Te kwetsbaar, blijkt nu. In de vriendenkring wordt er niet meer gekust. Moedig probeert men op anderhalve meter afstand te blijven. Men zwaait onwennig, bij de begroeting. Men hoopt hooguit op een handdruk, weer, ooit.

Maar zelfs die hoop werd deze week minzaam vermorzeld door de redelijk befaamde viroloog Marc Van Ranst. Hij zou graag zien dat de handdruk verdwijnt. ’t Is een pretpark voor allerlei viezigheid – denk maar aan de pishanden die in uw biernootjes grabbelen.

Geen kus meer, geen hand meer. Het lijf als eiland, in een zee van niets. Wat wordt het kil. Straks rest de vriendschap nog enkel de Hitlergroet.

 

(De bijzaak)

Eerstdaags begint de zomer. Dat merk je aan het feit dat de dagen dan weer korter worden. Een spijtig foutje van de jaarontwerper, vind ik dat. De langste dag van het jaar hoort het hoogtepunt van de zomer te zijn. Met alom bacchanalen en uitbundig heidens genot en in verrukking verenigde menigten die elkaar hartelijk omhelzen en dankbaar kussen. Laten we dat afspreken. Maar nog niet dit jaar.

Astronaut

Ik zou een slechte astronaut zijn. Tot die conclusie kwam ik deze week nog maar eens, nadat ik een negentien seconden durend filmpje had bekeken: beelden van de Japanse maansonde Kaguya, waarop te zien is hoe onze planeet aan de horizon van de maan opkomt zoals de zon opkomt op aarde. ‘Daar. Wij allemaal. Ons druk makend’, noteerde ik erbij, denkend aan slavernij en beeldenstorm en problemen met de sportkalenders.

Nieuw zijn de beelden niet – de sonde sloeg, geheel voorzien, in 2009 te pletter op de maan, na zeventien maanden wetenschappelijk onderzoekswerk, waaruit onder meer bleek dat de maan níét gemaakt is van kaas. Het was de eerste keer dat ik die beelden zag. Voor u gaat denken dat ik tot dan ervan overtuigd was dat de aarde plat was: ik had al eerder gelijkaardige beelden gezien, maar nu raakten ze me harder.

Misschien, zo dacht ik, komt dat door de jaren. Het onverstoorbare verglijden ervan, en het daarmee gepaard gaande, almaar dwingender besef van mijn eigen eindigheid – de toekomst ligt al een hele tijd achter mij. Maar al gauw sprak ik mezelf krachtig tegen: dát besef is al zolang je je kunt herinneren je zwijgende metgezel, op je amechtige strompeltocht; doe nu niet extra zielig.

Dan moeten het wel de tijden zijn, besloot ik wijs. Alles kantelt, je graait naar houvast. Wat gezond was, wordt ziek. Wat betaalbaar was, wordt duur, en wat duur was onbetaalbaar. Wat tastbaar was, wordt ijl. Wat zeker was, valt weg. En jij, jij valt mee, in het – ja, in het wat?

Van die gedachte ging mijn hoofd dan weer vervaarlijk aan het tollen. Vallen doe je in dieptes. Ik hou niet van dieptes. Om die te vermijden, vermijd ik hoogtes. En waarom hou ik niet van dieptes? Omdat ik bang ben dat ik zou springen. Zou sprallen, eigenlijk: iets tussen springen en vallen in. Om te vermijden dat je valt, spring je. Jaja.

De ruimte is hoog. Héél hoog. En diep. Héél diep. (En ook héél breed, maar een mens valt nu eenmaal niet in de breedte.) En bovendien mag je in zo’n raket niet eens een sigaretje roken. Zelfs niet met het raampje open.

En daarom dus zou ik een slechte astronaut zijn.

 

(De bijzaak)

Het eerste weekend. Ambitie genoeg, maar ook wat conditie? We denken van wel en hervatten een schone Vlaamse traditie: zich openbaar stevig bezatten. Mij zult u tevergeefs zoeken op een openbaar terras. Voor een welverdiend glas wil ik geen tafeltje boeken. Geef mij maar voorlopig een besloten vennootschap voor een slok en een grap. Ik ben niet wanhopig. U gooit zich toch in de strijd? Welaan, dan: begin op tijd.

Eigenlijk niets

Voor de ene is het een beeld. Een beeld dat daar al lang staat. Niet eens mooi of lelijk. Gewoon, iets. Eigenlijk niets.

Voor de andere is het een verhaal. Een verhaal dat niet klopt. Fake news. Elke dag, telkens weer. Ongegeneerd.

Als het beeld eigenlijk niets is, maakt het niet uit of het er staat. Hooguit zegt de ene op een dag: hé, stond hier vroeger geen beeld? Daarna vervolgt hij zijn weg, in gedachten alweer elders.

Als het beeld een verhaal is, kun je wel het beeld weghalen, maar niet het verhaal. Dan zegt de andere op een dag: kijk, hier stond een beeld, nu gaapt een gat. En in dat gat grijnst het verhaal.

Hoort in het gat dan een ander beeld te komen? Een beeld dat het verhaal anders vertelt? Juist vertelt? Met bloed en leed en schaamte en schuld?

En wordt dat nieuwe beeld dan finaal ook gewoon, eigenlijk niets?

En wordt de andere dan finaal ook de ene?

Totdat er finaal geen andere meer rest?

En we finaal een land zonder beelden aanschouwen en zeggen: daar woont het perfecte volk?

Stem

Jan Wauters is tien jaar dood. Dat is deze week her en der onder de aandacht gebracht. Het was niet alleen gepast, maar ook zeer begrijpelijk: in tijden waarin de toekomst nog immer algeheel onzeker is, grijpen wij graag terug naar de zekerheden van vroeger.

Jan Wauters, zo vertel ik er even bij voor de jonge lezertjes van deze Bescheiden Prachtcolumn, was een BRT-BRTN-VRT-journalist. Erger nog: hij was een sportjournalist. Zo’n man, dus, die graag lyrisch mocht doen over bijzaken. Dat deed hij voortreffelijk, wat zeg ik, schier onovertroffen. Hij betokkelde de taal als was die een lier, waaraan hij de wonderlijkste melodieën ontlokte. Zijn woorden, zijn zinnen, zijn teksten: doorheen de koele feiten van de verslaggever scheen telkens de zon van de taalvirtuoos. Jan Wauters deed niet aan ‘euh’.

Maar meer nog dan zijn teksten, was er zijn stem. Welk jongetje van weleer heeft niet ooit de stem van Wauters achterop de motor nagebootst door onder het spreken met de zijkant van z’n hand snel over z’n adamsappel op en neer te wrijven? Je mocht de waterstanden van de Rijn, de berichten voor de duivenliefhebbers of de prijzen van de eieren op de markt van Kruishoutem afratelen, als je dat trucje met je hand en je adamsappel deed, klonk je alsof je op gevaar van eigen leven gemotoriseerd door de Hel van het Noorden dokkerde, in het spoor van een ontketende Roger De Vlaeminck – die na zijn triomfantelijke aankomst op de wielerbaan van Roubaix zei dat hij zich toch een beetje had ingehouden omdat hij van daaruit nog naar huis wilde fietsen, met vijftig kilo patatten op zijn rug.

Wij geloofden dat. Wij geloofden dat omdat Jan Wauters tevoren had beschreven hoe groots en gulzig Roger de kasseien had opgevreten. Net zoals hij het lijden van de sporter kon schilderen: diens verzuring spatte uit ónze oren. Ondraaglijk was de spanning, wanneer Wauters ons vanuit een grauw gat radiofonisch kond deed van het heldhaftige verzet van onze favoriete voetbalploeg tegen het infame spel van de vuige tegenpartij. In die ondraaglijkheid ligt zijn nalatenschap besloten: de schoonheid in lelijkheid.

 

(De bijzaak)

Ik zal het maar meteen bekennen: ik ben tegen racisme. Pas op, niet zomaar tegen, nee, enórm tegen. Keihard tegen. Zodanig keihard tegen, dat sommige mensen het onuitstaanbaar vinden om me te aanhoren, als ik vertel hoe hard ik tegen racisme ben. Dan draaien ze met hun ogen, bestuderen hun vingernagels, peuteren verveeld denkbeeldige stofjes van hun kleren. Dat zijn, het kan niet anders, racisten.

Ondersteunen

Als trouwe lezer van deze Bescheiden Prachtcolumn weet u hoezeer de welvaart van de horeca me aan het hart ligt. Geen inspanning is me te veel om deze economische sector te ondersteunen, in woord en daad; soms zelfs onder het motto ‘geen woorden, maar daden!’, en dan raak ik na verloop van tijd inderdaad niet meer uit mijn woorden.

Ach welnee, ik verdien daarvoor geen lof. ’t Is louter burgerplicht. De welvaart van de horeca en het welzijn van het volk versterken elkaar. Een café dat klanten heeft, blijft open. Een café dat open is, geeft de burger moed. Die burger weet waar hij des avonds heen kan, na een hele dag als een galeislaaf te hebben geknecht. Dat wenkende vooruitzicht houdt hem op de been, daar in de hete buik van het schonkige vaartuig dat hij moeizaam mee over de zinderende zeven zeeën roeit. In de haven wacht hem lafenis.

Bij hoge uitzondering doe ik het ook wel eens voor mijn plezier, de horeca ondersteunen. Maar dan moet ik eerst overtuigd worden, want ik kamp in dezen met enige schroom. Zal men mij niet als een spilzieke losbol beschouwen, zo overpeins ik dan zorgelijk, of als een opdringerige wijsneus die mensen verveelt met lange zinnen vol oubollige woorden die bij nadere beschouwing inhoudelijk weinig om het lijf hebben en derhalve als holle praalzucht dienen te worden weggezet? Dat blijkt doorgaans inderdaad het geval, maar ik prijs mij gelukkig dat ik in mijn dichte omgeving enkele loyale filantropen tel die van inborst christelijk genoeg zijn om mij reeds vooraf te vergeven. Vervolgens sleuren zij mij mee naar een tapperij, alwaar ik dra ontdooi en vervolgens evenveel plezier beleef als een puppy in een lentetuin.

Mensen die niet voor hun beurt spreken maar gewoon iedereen de kans willen geven om zich terdege voor te bereiden, fluisterden deze week dat de cafés wellicht op 8 juni weer open gaan. Hoewel ik mij maar wat graag zou voorbereiden om de horeca daadwerkelijk te ondersteunen, hou ik een slag om de arm. Twee slagen, eigenlijk. Eén: 8 juni is nog vele doden van ons verwijderd. Twee: de ware ondersteuner wordt ondersteund door de toog.

 

(De bijzaak)

“Reizen per fiets is ideaal. De auto is ook een optie, treinen veel minder.” Dat zei microbioloog Herman Goossens deze week in Knack. Ik had in onverdachte tijden het plan opgevat om een zomerweekje in het zuiden van Frankrijk door te brengen en alvast een voorschot betaald. Mijn fiets heeft een hoogst verdacht hoestje, de trein is voor de roekelozen, dus ga ik alvast in de file naar het zuiden staan.

Moestuintje

Ik ben nog niet geweest. Enerzijds omdat ik van nature niet gehaast ben, anderzijds omdat ik wel belangrijkere zaken aan m’n hoofd heb. Ik moet boeken lezen, stukjes schrijven, mensen bellen, inkopen doen, maaltijden bereiden, maaltijden gebruiken, eindjes wandelen, naar het toilet gaan, uit het raam staren, en slapen. Kortom: drukdrukdruk. Gelukkig ben ik niet gehaast.

Anderen zijn wel al geweest. Ze hadden er weken naar uitgekeken en waren er dus als de kippen bij om een plekje te reserveren. Opgelucht. Uitgelaten. Bevrijd. Bevrijd van de terneerdrukkende gedachte dat hun buitenkant hun binnenkant onvoldoende reflecteert. Bevrijd van het beklemmende gevoel dat ze niet langer een fraaie sculptuur maar een voze vetplant torsen, op hun hoofd.

Men moet daarover niet laatdunkend doen. Haar is belangrijk, in zijn aan- én afwezigheid. De man met wapperende manen waant zich een volbloedhengst, de kerel met een kaalkop beroemt zich op een vooroorlogse portie testosteron. Beiden dwalen, doch dat doet er niet eens toe. Op het schedeldak onderhoudt elkeen zijn eigen mentale moestuintje. Nu eens treurend om de slappe sla, dan weer verrukt over de kloeke courgettes.

Haar is niet alleen belangrijk ín het hoofd, maar ook en vooral erop. Haar is een geldgroeimiddel. Zeg nooit shampoo tegen shampoo. Dat is een belediging. Shampoo is een belevenis. In zijdezachte filmpjes prijst men de geneugten van vijf centiliter water met wat detergent in; deernen dansen over het scherm, watervalletjes klateren, gouden zonlicht vangt de schittering van een gevleugelde eenhoorn, innerlijke rust én wereldvrede zijn slechts één wasbeurt verwijderd. Peperdure producties, maar slechts een schijntje van wat ze opbrengen. Wat zou je je haar nog verder verwoesten met aftandse rommel, als je voor een bescheiden meerprijs de weldaden van kathoden, alginaten, carragenen, methylcellulose en andere carbapolen kunt ondervinden? Precies!

Binnenkort ga ik. Naar de coiffeur. Geen hairstylist of créateur de coiffures. Gewoon iemand die me begrijpt, wanneer ik op zijn vraag antwoord: ‘Zoals altijd, jong en dynamisch.’

 

(De bijzaak)

Hebt u vorig weekend kunnen weerstaan aan de lokroep om te kijken naar Keulen tegen Mainz? Ik ook. Voetbal op tv zonder publiek in het stadion is onverteerbaar. Doods. Klank is alles. Een griezelfilm zonder geluid is geen griezelfilm, maar een lachwekkende malligheid waarin iemand gekke bekken trekt. Nooit gedacht dat ik het zou schrijven, maar: dan nog liever rechtstreekse radiocommentaar bij tennis.