Skip to content

Raffaella

Het leukste aan dat hele Europese kampioenschap voetbal is natuurlijk niet het voetbal. 

Voetbal is eigenlijk hooguit een bijproduct. Iets wat je erbij neemt omdat het nu eenmaal wordt geserveerd. Zoals het slaatje op restaurant, als je een filet pur hebt besteld. Wie eet dat nu? Bij een royaal bord linzen serveert men in Het Platgekookte Gras toch ook geen zijdelings biefstukje? 

Nee, dat voetbal, geef onze portie maar aan Frank Raes. Die zal dankbaar onze handen likken.

De enige wedstrijd in de eerste ronde die ons misschien enigszins kan boeien, is Oostenrijk-Noord-Macedonië, en dan vooral omdat we ons nog altijd afvragen waarom Raffaella Carrà het in ‘A far l’amore comincia tu’ in hemelsnaam aldoor over de Noord-Macedonische hoofdstad had. Wat is daar toch mee, met dat Skopje? Je hoopt er een helder antwoord op te krijgen, tijdens de voorbeschouwing, van Imke Courtois. 

Oostenrijk spreekt dan weer net iets minder tot de verbeelding. Zeker, Wenen is een leuk stadje voor wie van Freud en Sachertorte houdt, maar de laatste die wat aardigs deed met dat wervelende spel van de Weense voetbalschool was de coach genaamd Ernst Happel, in de jaren zeventig van de vorige eeuw — en zijn favoriete woord was ‘Scheisse’. Dan weet je het wel. En we zijn nog altijd het bedrog van Gijón niet vergeten, toen de Oostenrijkers het op het wereldkampioenschap van 1982 op een akkoordje gooiden met den Duits. Kortom, enge kerels. Moge het grondig misgaan! Hup, Noord-Macedonië!

Het enige wat ons werkelijk boeit aan dat Europese voetbalkampioenschap, zijn de pronostieken. 

Plots vormen leken zich een mening over de vorm van Becir Omeragic en Illia Zabarnyi en Ondrej Celustka en Tymoteusz Puchasz en Tomás Hubocan. Ze buigen zich met kennersblik over speelschema’s en vliegverbindingen en weersvoorspellingen. Ze verslinden voorbeschouwingen, dweilen websites af, piekeren zich een punthoofd. Finaal snijden ze een levende kip open en leiden uit de positie van de ingewanden af wie kampioen wordt. 

Gelijk hebben ze. Het gaat tenslotte om het allerhoogste: de eer.

Schouders

“Nou, ik mag wel hopen van niet”, antwoordde ik monter en schalks. 

Ja, die ging dus volledig de mist in. 

“Nee, dus?”, vroeg de dame achter het plexiglas na enkele seconden afgemeten. 

“Inderdaad: nee”, bevestigde ik enigszins gelaten. De dame vinkte iets aan.

Stom, natuurlijk, van mij. Ze had die flauwekul vast al duizend keer gehoord, als antwoord op haar vraag of ik “binnen de achtenveertig uur zou worden geopereerd”. Ze zat daar haar werk te doen, en een deel van dat werk bestaat uit het stellen van een reeks vragen. Die vragen heeft zij niet zelf verzonnen. Dat hebben wetenschappers gedaan. Het gaat immers om een hoogst ernstige aangelegenheid. 

Gepaste schaamte daalde over mij neder. Ik besloot de overige vragen sober en duidelijk te beantwoorden. Gedaan met die gratuite grollen. Ernst!

Toen vroeg de dame of ik kunstschouders had.

*****

Het bijzonderst vond ik de bijkomzaal. Alsof je een kerk binnenstapte. Groot, hoog, welvend gebinte, welgevallig licht. Mensen in contemplatie verzonken, in indrukwekkende stilte allemaal over hun gebedenboek gebogen — al kan het ook hun smartphone zijn geweest. Je hoorde geen woord, geen zuchtje. Enkel, met tussenpozen, het gedempte geschuifel van voeten die zich ingetogen naar de uitgang begaven. Vreemd. Zo nu en dan een vrolijk hupje of een gebald vuistje, dat had ik verwacht. Wie weet, zelfs een gesmoord kreetje, of licht opgewonden gekir. Lonkte daar, achter die dubbele glazen deur, immers niet een glimp van de welgevormde wiegende dijen van het rijk van de vrijheid? 

*****

Voor mensen die zich op het snijpunt bevinden van hypochondrie, berusting en het ontbreken van een medisch dossier, is zo’n vaccinatie een buitenkans. Dan loop je daar naar buiten, meteen het zonnetje los op je bolletje, in een boom zingt een kwikstaartje ‘korte broek! korte broek!’, om je heen louter glimlachende lieden, en het enige wat bij jou opkomt, is: voel ik iets? Je stapt in je auto en rijdt naar huis, raampje naar beneden, de radio neuriet, en het enige wat bij jou opkomt, is: voel ik iets? En zo gaat dat maar door. Je werkt en rommelt, en kookt en eet, en wast en plast, en ruimt op en gaat — eindelijk — onderuit op de bank, en het enige wat bij jou opkomt, is: voel ik iets? 

Niks.

Je maakt je danig zorgen. Je voelt niks — er zal toch niks zijn, zeker? Want zo gaat het immers meestal: je voelt niks, en bàm!, je bent dood. Of erger.

En dan, na urenlange kwellingen, komt eindelijk de verlossing: een piepklein pijntje in je schouder. Dankbaar zijg je neder. Gelukkig heb je geen kunstschouders.

Pad

We zijn ze kwijt. 

We waren ze al kwijt, maar dat wisten we niet. 

Omdat we dat niet wilden weten. Onwetendheid, dat leutert nu eenmaal een lekker eind weg, aan de toog. Onze toog. 

Omdat we dat niet hoefden te weten. Wat kon het ons deren? Wat kon het ons schelen? Aten we daardoor één boterham minder? Patron, nog een rondje! 

We waren ze al lang kwijt.  

Tja, hoe gaat dat, hé? Je houdt er nu eenmaal flink de pas in, op het rechte pad, in het heldere schijnsel van de verlichting. Je kijkt niet om. Waarom zou je? Het pad wijst zichzelf, toch? Gewoon volgen, de blik vooruit, onder het zingen van een monter lied. Ferme jongens, stoere knapen. Zie ons gaan. Tempo, tempo. Ginds wenkt de glorie.

Er gaat er al eens eentje zitten. Even die rugzak neer, even die schoenen en sokken uit, even naar adem happen, even niks. Het gaat te snel. Ach, die sluit later wel weer aan. Met wachten schiet je niks op. Daarbij, nu is het nog licht.

En dan nog eentje. En nog eentje. En nog eentje. Ze kijken elkaar zwijgend aan, kop in kas, en peuteren een vuiltje van tussen hun tenen. Daar, een blaar. Goh, nu al. Is het nog ver?

En dan sukkelt er ergens achterin eentje van het pad af. Verstapt zich, knak doet die knie. Klaar. Gesmoorde vloek. Hé? Wat was dat? Geen idee. Kom, doorstappen. We zijn er nog niet. 

En dan nog eentje. En nog eentje. En nog eentje. Kan gebeuren. Je moet natuurlijk wel uit je doppen kijken, op het rechte pad. ’t Is geen boulevard.

En plots is er een zijpaadje. Dat laat je links liggen. Je bent niet gek. Je weet wel beter. Dat anderen dat inslaan? Moeten zij weten. Straks zijn ze verdwaald. En gauw vergeten.   

En dan nog een paadje. En nog eentje. En nog eentje. En hoe langer je op het rechte pad marcheert, hoe dunner de rijen worden. Dat hoor je. Hé, vraag je je heel even af, waar is die krachtige dreun van onze gezamenlijke pas gebleven? Maar algauw palmt het montere lied je opnieuw in. En gaat het weer zingend immer voorwaarts. Als je maar hard genoeg zingt. Dan hoor je het gezucht en geweeklaag niet. 

Zo stappen wij door de dagen. Zonder omkijken. In immer slinkende gelederen. En dra zijn ze talrijker dan wij, zij die even gingen zitten, door de knieën gingen, een zijpaadje namen. 

We waren ze al lang kwijt. We waren ze al vergeten. Maar zij ons niet.

Standaardmailtje

‘En? Een woordje van dank gekregen, toch, voor vijftig jaar trouwe dienst?’

Ik vroeg het tegen beter weten in. Omdat ik wist welk antwoord er ging komen, en omdat ironie nu eenmaal het eerste is wat teloorgaat, bij klank zonder beeld. Een opgetrokken wenkbrauw spreekt boekdelen.

‘Neen. Gewoon een sec mailtje. Ze zijn tegenwoordig alleen maar in bedrijven geïnteresseerd, hé.’

Tussen bitter en gelaten, klonk het. Geen wenkbrauw vandoen.

Die ‘ze’, dat zijn de blitse bestuurders van blauw-zwart. Club Brugge. De Club. De club waarbij hij in 1971 een abonnement kocht. Een zitplaats. Op de hoofdtribune. Vijftig centimeter breedte op een meterslange, blauw geschilderde houten bank. Pure luxe. Bovendien: als je daar zat, mocht je na de wedstrijd iets gaan drinken in ‘de chalet’, onder die hoofdtribune. Dat was niet min. Want niet alleen schonk men er ‘gistfabriekstjes’ — jenever van de Brugse Gistfabriek —, je kon er na de match ook spelers van de Club tegen het lijf lopen. Zo ging dat toen. Voetballers waren nog mensen. Geen portretrechten op noppen. Geen businessmodellen.

Maar ach, nostalgie, wat koop je ervoor? Hooguit wat lauw applaus in de drieëntwintigste minuut. 

Het was de ouderdom, natuurlijk. Je kunt niet bluvn goan. Eens je de negentig nabij bent, lukt dat allemaal veel minder goed, dat stappen en doorstappen, door weer en wind, naar het stadion, dat rennen om de bus te halen, dat gedreun en gedrum, overal, aldoor. Plus: er vallen gaten, om je heen, op de tribune. Het ene jaar zitten ze er nog, driftig roepend en rokend, wijzend en vloekend, gloeiend en juichend; het andere jaar zitten ze er nog altijd, maar stiller, veel stiller, bleker ook, en aldoor kouwelijk, zo lijkt het wel. En dan, plots, blijft hun zitje leeg. Weer iemand die je niet meer kunt aanstoten, bij een heerlijke goal, en iets onbestemds toeroepen, iets dat verloren gaat in het machtige gejuich dat door de tribune dondert. En trouwens, dat machtige gejuich heeft al lang plaats moeten maken voor die teringherrie die ‘ze’ dan door de luidsprekers laten knallen. De mens wijkt voor de machine.

Dat merk je dus ook als je na vijftig jaar afscheid neemt. Een mailtje. Een standaardmailtje. Terwijl er een persoonlijk dankwoord zou moeten zijn. Van de voorzitter, met pluimen in zijn gat. Voor zoveel trouw, voor zoveel jaren, voor zoveel liefde. Clubliefde. En bloemen en een taart en een shirtje met daarop je naam, jouw naam, jij die een halve eeuw lang het échte hart van de Club bent geweest. 

Dat dat er niet komt, wis je met geen duizend Engelstalige slogans en flitsende communityfilmpjes uit. En in die afwezigheid toont zich het kille gelaat van wat men vooruitgang noemt. No heart, no glory. 

Zeven

‘Ja maar, wat is het nu? Iedereen weg om tien uur, of laatste bestelling om tien uur?’ 

‘Iedereen weg om tien uur, natuurlijk.’ 

‘Neenee, laatste bestelling om tien uur.’ 

‘Ik heb de burgemeester duidelijk horen zeggen: laatste bestelling om tien uur.’

‘Ja maar ja, de burgemeester… Staat dat in het politiereglement?’

‘Bel eens naar de coronalijn.’

‘Hallo, coronalijn? Twee pintjes voor tafel vier, alstublieft.’

[Algemeen gelach.]

Als je dat soort gesprekken hoort, dan weet je dat het de goede kant uitgaat: we zijn er bijna bovenop. We omarmen de verwarring weer. Als nationaal erfgoed. O, wat voelt dit vertrouwd aan. De ergernis is weg. 

Ja, we bekijken hoofdschuddend de beelden van al die in parken samentroepende zultkoppen, en ja, we lezen bezorgd de iets te talrijke berichten over venijnige varianten die door de mazen van het net glippen, en ja, we misprijzen lieden die dierbaren en geloofsgenoten op slinkse wijze enkele rijen vooruitschuiven in de prikorde, maar we ergeren ons niet meer. Dat is voorbij. Onderschat nooit de helende kracht van zeven glazen bier op een met vrienden gedeeld terras. 

Zolang ze ons dat straks maar niet weer afpakken, natuurlijk.

Vorige zondag zaten we aan het ontbijt, het schuifraam open. Zal ik een muziekje opzetten, vroeg ze. Nee, antwoordde ik, nee, hoeft even niet, luister eens, luister naar die vogel. (Geen idee welke vogel het was, ik ben erg slecht in het herkennen van niet bereid gevogelte.) Ze luisterde. De vogel gaf wonderschoon van jetje, alsof hij net was neergestreken op een terras en nu genoeglijk om zich heen zat te kijken, met voor zich een vers getapt glas bier. 

Drink jij er ook maar zeven, vriend, wenste ik hem stilzwijgend toe. 

Café-21

Het is gedaan met de rust. 

Maandenlang heb ik in een weldadige sereniteit gebaad. Om mij heen enkel boeken, en uitzonderlijk een laatavondfilm waarvan ik mij de volgende ochtend de eerste tien minuten herinnerde. De dagen dobberden voorbij, gemoedelijk vlijde ik me erin neer en dreef een eindweegs de dood tegemoet. Heerlijk. Er was gaandeweg een zekere gemoedsrust over mij nedergedaald die mij verzoende met de onontkoombaarheid van mijn lot. Zo, Devriese, dat was het dan. Meer komt er niet. Het is wat het is, het blijft wat het is. Het wordt nooit iets anders. Hopelijk heb je er nog wat aan. 

Ik vond het best, zo. In de eenvoud, welhaast de schraalheid ervan ontpopte zich een verhevigd gewaarworden. Het gevolg, zo vermoedde ik, van onthechting, zoals lieden die hun leven louter aan contemplatie en aanbidding van een denkbeeldig opperwezen wijden plots kwestieus opperwezen voor zich zien verschijnen. Mij verscheen evenwel geen opperwezen. Veeleer werd ik mij scherper bewust van de weinige daden die ik stelde, de woorden die ik las of sprak of schreef, de vrucht waarin ik beet, het licht dat ik vermeed, de stilte, het niets. De wereld almaar kleiner, de rust almaar groter. 

Maar met die rust is het dus gedaan. De wereld wordt opnieuw groter. Reeds heeft zich in mijn hoofd een kwaadaardig virus genesteld: café-21. 

Het kan weer. Ziedaar, in alle eenvoud, de essentie der kwaadaardigheid. Het kan weer, en is dus denkbaar. En met die denkbaarheid is in één klap alle gemoedsrust verdwenen. Voor mijn geestesoog ontrollen zich heelder langspeelfilms over cafébezoek van weleer. Het genoeglijke geginnegap, het gemonkel, de fijne scherts. Het elkaar samenzweerderig aanstoten, het knikje, de immer gelaafde dorst. De zeer schone uren tussen vast voornemen en wankele tred.  

Het water in het bad der weldadige sereniteit is koud geworden. Ginds wenkt de warmte van gedeelde onzin. Het leven.

Harkjes

U en ik, wij hebben geluk gehad. Wij bleken niet bovenmatig getalenteerd en al evenmin uiterst gedreven. Wij zijn eraan ontsnapt. 

Nee, wij werden niet doorgelicht, vanaf een jaar of zes. Wij gingen knutselen. En vielen uit bomen. Dat vonden wij leuk. Dat wij lekker vrijuit konden vallen, en niet hoefden na te denken over waar we vielen, binnen of buiten de zestien.

Wij waren geen voetballertjes. Wij dàchten soms dat we het waren. Als we een nieuw paar voetbalschoenen kregen, van meter of peter, voor onze communie. Of een shirtje en broekje van ons favoriete team. En de kousen! Hoera! Dan dosten wij ons helemaal uit, trokken naar buiten en trapten in vijf minuten vaders bloemperkje tot gort. 

Echte voetballertjes doen dat niet. Zij hebben geen bloemperkjes in de tuin. Zij hebben voetbalgras, en een heus doel. Daar heeft vader allang voor gezorgd. Zodra hij zag dat jij geheel spontaan binnenkantje-buitenkantje trapte, en links en rechts, en balletjes hoog hield alsof het ballonnetjes waren. Dan spitte vader eigenhandig zijn knollen omhoog, rukte monter sierheesters uit de grond en walste fluitend over moeders moestuintje heen. Weg met die rommel, maak plaats voor de aanstormende grootheid die ik tijdens een al te zeldzaam moment van broekloos vertier heb verwekt! 

Zulke voetballertjes, dus, worden doorgelicht. Genadeloos. Die? Hm, hooguit gewestelijk. Kijkt naar de bal. Tja, dan weet je het wel. Die? Ja, dat is wat. Geen genie, maar provinciaal moet kunnen. Als hij nu meteen twintig centimeter groeit. Die? Materiaal voor nationaal. Maar hou het stil. En vertel het zéker niet aan z’n vader. Want die gaat er dan meteen mee leuren. En voor je ’t weet, zijn we dat ventje kwijt aan een Rus. 

Eén grote afvallingskoers, dat is het. Aldoor. Vivisectie van zesjarige knookjes, billetjes, kopjes. Droompjes worden aan spaanders gehakt, hartjes uiteengereten. Vloekend beent vader weg, angstig overpeinzend hoe hij dat nu weer thuis gaat uitleggen, dat moeders moestuintje destijds voor niets is gesneuveld. Of ja: voor zijn eigen wensdroom, hij die zelf geen deuk in een pakje boter trapte, maar aan de zijlijn steevast haarfijn wist uit te leggen waarom die Olivier Deschacht toch maar een hautaine zak en een overschatte knoeier was — dat zou zijn zoon straks beslist beter doen, zijn zoon, ZIJN zoon. 

Olivier Deschacht heeft vandaag laten weten dat hij het op zijn veertigste welletjes vindt. Gedaan met dat rondhollen in korte broek, in ruil voor enkele honderdduizenden euro’s per jaar. Tijd om volwassen te worden en in het leven iets te doen dat ertoe doet. Cocommentator, bijvoorbeeld, of analist. 

Ik zie hem al zitten, aan zo’n analistentafel, samen met Franky Van der Elst, de mensgeworden didgeridoo die vandaag zestig wordt. Wellicht een van de intelligentste voetballers die de voorbije vijftig jaar op de Belgische velden hebben rondgepikkeld. 

Als Olivier en Franky vandaag zes zouden zijn, wed ik, gingen ze er bij de eerste vivisectie al meteen uit. Harkjes.

Relletje

Waarom komen de mensen die graag ’s morgens vroeg klopboormachines gebruiken altijd naast mij wonen? 

Ziedaar de gedachte die mij vanochtend als een lauwe dweil in de nek overviel, meteen nadat ik op schandelijke wijze aan het rijk der slapenden was ontrukt. Op zich vind ik halfacht geen oneerbaar uur om de knoken uit bed te gooien, maar dat doe ik bij voorkeur met enige auditieve ingetogenheid – hooguit verdraag ik dan het kraken der knoken en wat mistroostig gezucht. Daarna ben ik, zoals immer, het zonnetje in huis. 

Nee, die herrie beviel me matig. De kracht van verandering hoeft op dat moment van de dag niet hoorbaar te zijn. Even overwoog ik om bij de boosdoener te gaan aanbellen, in ochtendgewaad en met krulspelden in, maar gelukkig besefte ik bijtijds dat hij de bel niet zou horen. Nutteloze verplaatsingen zijn enkel leuk als ze ook zo bedoeld zijn. 

Terwijl ik mijn krulspelden uitdeed en de geur van de eerste kop koffie van de dag als een stripteaseuse door de kamer danste, overpeinsde ik monter de belangwekkende ergernissen van de week. 

Was me dat toch weer een gedoe, over die aanpassingen van de Algemene Nederlandse Spraakkunst – we waren amper bekomen van de reuring rond de dt-regel, nadat de befaamde auteur Kristien Hemmerechts weer eens in het openbaar had gezegd dat die regel zou en mocht verdwijnen – dat doet ze ongeveer om de vijf jaar, als de nieuwsredacties verlegen zitten om een relletje. 

Dan moet iemand, veelal het kneusje van de redactie, mevrouw Hemmerechts bellen om te vragen of ze nog eens – en dan zegt mevrouw Hemmerechts al meteen ja, want ze weet wat volgt. Daarna bedankt het kneusje haar uitvoerig en opgelucht, en blikt het enigszins triomfantelijk rond, wachtend op een woordje van appreciatie vanwege de collega’s. Die ellendelingen barsten dan evenwel in hoongelach uit. Op de niet-begrijpende, ja zelfs enigszins panische blik van het kneusje volgt finaal een toelichting door de senior redacteur, die uitlegt dat Kristien de dochter van Karel is, de man die vijfentwintig jaar lang Bestuursdirecteur Informatie bij de BRT/BRTN/VRT is geweest, en dat er in hoofde daarvan derhalve op de redactie een eeuwigdurende erfdienstbaarheid ten gunste van Kristien bestaat. Ze hebben, met andere woorden, het kneusje nogal eens goed liggen gehad, haha. Daarna is het kneusje kneusje-af, en waart het nietsvermoedende volgende kneusje al rond in de gangen van het VRT-gebouw: een iets te ambitieus medewerkertje van Radio 2. Ja, een performante redactie waakt over haar fijne tradities. 

Dat dt-gedoe hangt mij overigens ondertussen dermate de keel uit, dat ik ernstig overweeg om de d en de t gewoon te schrappen. Gedaan ermee. In de prullenmand en Leeg prullenmand. Weg, finito, raus damit. Zou dat niet veel eenvoudiger zijn?

a wee ik nog nie zo zeker. Ja, he werk plaasbesparen en we zouen van veel onnozele seriele iscussies af zijn, maar of alles an meeen veel uielijker wor, is nog maar e vraag. o naer orer och nog nie weggooien, ie en ie, lijk me. Misschien over een jaar of vijf – enminse, als Krisien Hemmerechs a goevin.

Slachtmaand

Als ik al het geld dat ik ooit op café heb uitgegeven niet zou hebben uitgegeven, zou ik genoeg geld hebben voor een café. 

Nu, helemaal waar is dat niet. Ik zou er ook het geld dat ik op restaurant heb uitgegeven bij moeten leggen. Maar het komt beslist aardig in de buurt. Laten we zeggen: de horeca is door de jaren heen een stevige hobby geweest. Anderen hebben op mijn leeftijd een stal vol dure fietsen of paarden, of een pittoresk buitenverblijf of een stoet aan maîtresses, of dat allemaal bijeen, ik heb een vage herinnering. 

En toch geraak ik niet bovenmatig opgewonden van de federale mededeling dat de caféterrassen op 8 mei weer open kunnen. Eén blik op de voorwaarden volstaat. 

Daaruit leer je dat we tot die tijd met z’n allen héél flink en braaf moeten zijn – tja, dan weet je het al: dat lukt ons niet. Let wel: dat ligt niet aan u of mij, dat ligt aan de anderen. De anderen verpesten het. Want die ene enkele keer dat u zich – eigenlijk buiten uw wil om – niet strikt aan de regels hebt gehouden, bent u uitermate voorzichtig geweest, toch? Ik ook. Maar de anderen? Goh! Eén respiratoir en tactiel Sodom en Gomorra! Ach, waren er maar geen anderen. 

En alsof dat niet volstaat: er moeten natuurlijk voldoende vaccins worden geleverd. Van die goeie, van die veilige. Rommel komt er bij ons niet in. Dus ja. Jij kunt dan wel dapper met je centje in je knuistje staan aan te schuiven, daar aan dat kraampje op de dijk, in de blakende zon, maar als er niet geleverd is, tja, dan kun jij fluiten naar je ijsje. Kom morgen eens terug, ventje. Of overmorgen. Of zo. Misschien. Lik ondertussen maar een beetje aan je tenen.

Net omdat ik niet graag aan mijn tenen lik, kijk ik het allemaal maar wat aan. Zeker, die verdomde vage herinnering wil maar niet oprotten, en jawel, mijn spaarvarkentje is vervaarlijk slachtrijp, maar het brave beest hoeft het nog niet meteen op een angstig krijsen te zetten – al zou ik, als ik jou was, toch niet rekenen op uitstel tot in de slachtmaand, spekmans. 

Op de dag waarop de caféterrassen opnieuw open zijn, blijf ik thuis. Dan trek ik een fles open, schenk een glas in, nip er eens van en glimlach gelukzalig, in de wetenschap dat ik op dat moment aan het gekkenhuis daarbuiten ontsnap. Immers, niets is heerlijker dan niet te moeten. De ware voldoening haalt men uit het besef dat iets kàn.

Tango

– Ja maar, lijkt dat dan eigenlijk niet gewoon een ordinaire tango?

Meteen besefte hij dat hij beter had gezwegen. Hij beet op zijn lip, bijna tot bloedens toe, en rommelde met gebogen hoofd door denkbeeldige nota’s die voor hem lagen, terwijl plots zweet gul zijn oksels vulde. Verdomme toch. Zijn eerste topmeeting en direct een kemel geschoten. Verdomme, verdomme, verdomme. Hij dacht aan de zware afbetaling van zijn designflat. Strak zwart en glas. 

De hele executive board room conference table keek hem aan alsof hij een geitje was dat uit eigen beweging bij nachte vrolijk mekkerend het oerwoud in was gehuppeld, slechts gekleed in een T-shirt waarop iemand in Comic Sans ‘I eat tigers’ had geborduurd. 

Het bleef stil. Doodstil.

Toen draaiden alle executive hoofden naar het chief executive hoofd. Dat liep, geheel toepasselijk, rood aan, merkte hij toen hij heel even van zijn denkbeeldige nota’s opkeek, maar hij zweeg. Hij had weleens in een managementboekje gelezen dat een grap soms de spanning kan wegnemen, maar dat boekje vertrouwde hij plots niet al te zeer meer, aangezien hij in een ander hoofdstuk had gelezen dat chief executive officers in de board room één ding bijzonder op prijs stellen: eerlijkheid. 

Toen zag hij de grijns. Op het gelaat van de chief marketing officer, die zonet in gloedvolle zinnen een presentatie van zijn meesterplan had gegeven: om de Rode Duivels tijdens het Europees kampioenschap te steunen, zal het pilsbier een tijdlang… rood zijn. Briljant in alle eenvoud, vond de chief marketing officer in alle nederigheid. En verfrissend betaalbaar – waarbij hij een opzichtig knipoogje had getrokken naar de chief financial officer, die dat had beantwoord met een al even opzichtig duimpje, waarna alle overige executive hoofden collectief hardop hadden gegrinnikt. Alle hoofden, behalve twee: dat van de chief executive officer, en het zijne. De chief executive officer had – zoals het chief executive officers past – gezwegen, hij had zijn mond opengetrokken. Kieken. 

Ondertussen klotste het zweet bijna over zijn broeksband.

De executive hoofden waren nog altijd collectief op dat van de chief executive officer gericht. Dat kreeg langzaamaan z’n gewone kleur terug: skibruin. De chief executive officer leunde even achterover en trommelde met de vingers kort iets niet echt ritmisch op het glanzende, vuistdikke blad van de board room conference table. Daarna staarde hij de onverlaat en diens naambordje aan. 

– Zeg, Pieters…

De chief executive officer zweeg even en staarde uit het raam. Hij is na één seconde vergeten dat ik Peeters heet, prevelde de aangesprokene inwendig, ik ben al dood zonder dat ik het weet. Toen schraapte de chief executive officer de keel en hernam.

– Waarom zou dat erg zijn, Pieters? 

De executive hoofden glimlachten collectief meewarig. In een flits begreep hij dat de chief executive officer geen antwoord verwachtte, en prees zichzelf gelukkig om dat inzicht.

– Ik zal u iets zeggen, Pieters. Uw vraag illustreert perféct wat we willen bereiken: dat de mensen zich dat afvragen, dat van die ordinaire…

– Tango, vulde de chief marketing officer net iets te welwillend aan.

– Ja, tango, herhaalde de chief executive officer. We gaan, Pieters, over de lippen.

– Over de lippen, ja, haha!, grinnikten de executive hoofden collectief prijzend.

– We gaan over de lippen, ging de chief executive officer onverstoord door, en daarom draait het hé, Pieters, bij bier. Maar kom, ’t is u vergeven. Dat inzicht verwachten we niet direct, van een nieuwe chief administrative officer. 

De executive hoofden gniffelden, de chief administrative officer stond op uit de doden. Dat ging hij vanavond toch even vieren, in zijn designflat, nam hij zich parelend voor. Met een glas wijn. Rode.