Skip to content

Drek

Nog even doorbijten, mensen. Nog enkele dagen. Nog even de laatste stuiptrekkingen van die lange, lastige zomer doorstaan, en dan is het lekker herfst. Weg met de luchtige niemendalletjes, de muggenmelk en de barbecue! Welkom, warme sjaals, haardvuur en hoestsiroop! 

Ja, dat wordt weer een feest. Het daglicht almaar schuwer, het grijs almaar grauwer, het leven almaar lamlendiger. Op weekdagen slepen we ons hooggeschouderd naar het werk, in het weekend strompelen we ter ontspanning lijdzaam door een bos, op een tapijt van verrotting, in een walm van verval. Ik kan al niet wachten.

Het allermooiste aan de herfst dit jaar worden natuurlijk de verkiezingen. Omdat we daarna weer voor een tijdje van een heleboel lelijkheid verlost zijn. Al weken gooien ze met drek, onze geachte volksafgevaardigden, al weken slaan ze onder de gordel, al weken plegen ze iedere dag weer grijnzend een karaktermoord. Ze noemen het ‘campagne voeren’. En wij, wij kijken weg. We hebben er genoeg van. Ze doen maar. Met hun zieke spelletjes. Het is herfst. Wij willen wijn en gepofte kastanjes.

En dat zijn dan nog maar de gemeenteraadsverkiezingen. Een opwarming voor de federale en Europese verkiezingen van volgend jaar. Het zal dus zaak zijn om ook volop van de winter te genieten, want zodra de lente aanbreekt, zitten we gegarandeerd opnieuw tot aan onze nek in de drek. Dan zijn de geachte volksafgevaardigden voldoende hersteld van de ergste verwondingen van oktober en gaan ze weer voltijds tegen elkaar te keer. Met sluipschutters en bombardementen, met oneliners en het vingertje, met oude koeien en nieuwe cijfers. En wij, wij kijken weg. Het is lente. Wij willen pastis en blote benen.

Maar tussentijds, mensen, wachten ons dus enkele heerlijke maanden. De herfst smoort dra de herrie, de winter hersmeedt de vriendschap. We schuiven genoeglijk onze stoelen bijeen en vertellen elkaar verhalen. We luisteren en genieten. We delen een fles, we delen verdriet. We lachen en omarmen. En bij het weggaan weten we nog beter wat ons al al die jaren bindt: wij stemmen niet voor lelijkheid, wij kiezen voor schoonheid.

Advertisements

Vrienden

Het ging vrijwel altijd zo: een timide klopje op de deur, ik die ‘jaha!’ riep, hij die in staat van gedeeltelijke naaktheid m’n kamer binnen strompelde en zuchtend op het bed neerzeeg. Waarna ik hem vanop m’n bureaustoel vragend aankeek en hij, nog zuchtender, hoogst bedenkelijk naar de grond staarde, zo schuldbewust mogelijk antwoordde dat het weer eens verschrikkelijk was geweest en finaal trakteerde op een rondje spitante zelfspot.

Noem het een ritueel. Zoals er wel meer zijn, als je met volslagen vreemden in een huis gaat wonen: je verzint manieren om het samenleven te overleven. Regeltjes – pakweg: geen diefstal van toespijs, geen ontlasting in de douche – en rituelen. De regeltjes zijn er voor iedereen, de rituelen zijn er voor vrienden.

Want vrienden, dat werden we. Zoals alleen achttienjarigen dat worden. Snel, onvervaard, somtijds veeleer onbewust vanuit een gezamenlijk gemis dan bewust vanuit een gedeelde passie. Samen op kot, samen in de aula, samen in de kroeg. Vaker in de kroeg dan in de aula. En hij nog vaker in de kroeg dan ik. En heviger. Hij liet zich alleen beteugelen door mateloosheid. Dat zag ik telkens weer, de volgende middag, aan z’n doorzopen kop, na het timide klopje op de deur.

We waren vrienden zoals alleen achttienjarigen dat zijn. Ze verwarren tomeloosheid met intensiteit, oppervlakkigheid met vanzelfsprekendheid. Ze staren zich blind op wat zichtbaar is. En dan wordt het onzichtbare essentieel, eens dat z’n smoeltje laat zien. 

Zo ging het ook tussen ons. Die eerste keren dacht ik dat het de schuld van het bier was – we verklaren, in beschonken toestand, allemaal ooit wel eens onze liefde aan iemand die slecht voor ons is. Daarna volgden de boeken, de prullaria, de insignes, de wapens. De kille overtuiging, het weeë gedweep. Verzamelaar van vernietiging. De zelfspot verdwenen. Er kwam een verhitte discussie van, zoals alleen negentienjarigen discussiëren, en een breuk, en de verwijdering.

De laatste keer dat ik iets over hem vernam, werkte hij aan de UGent. Als dat nog altijd zo is, moet hij hopen dat de rector deze column niet leest.

Zwerm

Telkenjare overvalt mij omstreeks deze tijd een vreemd gevoel. Iets tussen opwinding en verveeldheid in. De immer oprechte opwinding van het kind, de somtijds gespeelde verveeldheid van het jongmens. 

Het is een herinnerd gevoel. U kent dat wel: over de felheid ervan is door de jaren heen een vertroostend dekentje gaan liggen. We hebben ons ermee verzoend, en lachen het bijwijlen net iets te vlotjes weg. ‘Ach, jij malle mij.’ Maar weglachen doet niet verdwijnen. De aandoening is chronisch. Tijd heelt alle wonden, zeggen zij die het niet kunnen weten.

De opwinding. De glans van al wat nieuw is, het veilige vertrouwde. Het witte blad, de bruingebrande vriendjes. Oude schoolbank, nieuwe broek. Slimmer, sneller, sterker worden. Parfum van grenzeloosheid. Verrukking, een glimlach, een hupje. 

De verveeldheid. Lag je net zo lekker luiwammes te wezen – van groeien word je moe –, moet je weer de wekker dulden. En de bel. En het fluitje. En de moppen van mei, het gejaag van juni. Wat valt er nog te leren, dan? Lang gezicht, slome stappen, gezucht.

Daar gaan ze maandag weer, met een hupje of gezucht, de honderdduizenden die aan ons amechtig broekloos vertier zijn ontsproten. Als een reusachtige zwerm over het hele land, vanuit alle hoeken en kanten, alle kieren en gaten, even schrikbarend als voorspelbaar duiken ze plots op in straten en steegjes, in treinen, trams en bussen, op kruispunten en naast zebrapaden, tegendraads en tegen richting, onsterfelijk en kwetsbaar. 

Soms kijk ik een groepje jongelui na, zoals ze zwierig met iets te lange benen en zonder handen richting school fietsen, druk in de weer met cool zijn. Ik kijk ze na en ontwaar plots een kereltje dat driftig met ze mee probeert te peddelen. Het kereltje is niet cool. Het draagt een niet cool brilletje, heeft een niet cool kapsel en zijn fiets is een niet cool maatje kleiner dan alle andere, en bovendien een modelletje uit de jaren zeventig. Maar het fietst met een glimlach, zij met een cool lang gezicht. ‘Cool, kereltje!’, wil ik het toeroepen, doch even plots als het er was, is het verdwenen. Een vreemd gevoel.

Actie!

Dit kan geen toeval zijn. Of het al een trend is, daarover kunnen we discussiëren, maar toeval is het niet. In minder dan een maand hebben twee belangrijke stemmen in het publieke debat alhier aangekondigd dat ze zich gaan herbronnen bij het Belgisch leger. Begin juni was er de befaamde VUB-professor Jonathan Holslag – hij weet meer over China dan u over uw partner –, deze week was het de beurt aan N-VA-woordvoerder Joachim Pohlmann – hij weet meer over Bart De Wever dan Jonathan Holslag over China.

Nu, misschien is ‘herbronnen’ niet meteen het juiste woord. Misschien is dat slechts een bedoeld neveneffect. Beide heren geven in hun motivatie blijk van een drang tot daadwerkelijk engagement tegenover de samenleving. Je kan, zo redeneren ze, als intellectueel blijven lullen over een komma in een apocrief citaat van een wellustige slavendrijver of over een modeblunder in de haar- of kostuumsnit van het belangrijkste model ten oosten van de Ganges, maar ondertussen gaat het Avondland hier wel feestelijk naar de vaantjes. Tijd voor actie, dus!

Het is tijd voor bezinning, zeg ik u. De heren Holslag en Pohlmann zijn frisse dertigers. Hun leeftijdgenoten blinken uit in koffiebeleving, de generatie die erna komt is vooral bekommerd om de lengte van haar broekspijpen. Gaan wij ten onder aan algehele weekheid? Dienen wij misschien een voorbeeld te nemen aan Frankrijk, waar men de dienstplicht opnieuw invoert, met een leger-luikje en opgelegd vrijwilligerswerk? Welke politici te lande durven de denkoefening hardop te maken?

De heren Holslag en Pohlmann gaan hun zomer besteden aan tucht en dril en nu en dan met een krakkemikkig schiettuig in een voos grachtje wegduiken. Dat ga ik niet doen. (Mijn militaire bijdrage aan het welzijn van het land heb ik al geleverd. Toen de munitie- en wapendepots nog dienden te worden beschermd tegen vuige communisten en anarcho-terroristen. Dat is uitstekend gelukt, mede dankzij mijn krachtdadig optreden als bibliothecaris en barman.) Nee, mijn zomer ga ik besteden aan gul gezweet en functionele tamzakkerij. U verneemt er alles over in september.

Konijn

De dt-regel zal verdwijnen. Dat zei de her en der befaamde schrijfster en docent Kristien Hemmerechts vorige zondag in ‘De zevende dag’. Een schokgolf trok door Vlaanderen, alsof net de annexatie door Barbarije was afgekondigd. De noodklokken werden geluid, vrouwen en kinderen duikelden de schuilkelder in, mannen van stavast trokken met verbeten grijns en geslepen bajonet de wacht op. O, Kristien Hemmerechts, gij vermaledijde heraut van de ondergang!

Ik ben geneigd de helleveeg gelijk te geven. Taal is altijd een vief ding geweest. Zij laat zich niet knechten door doemdonderpreken, doch buitelt speels van generatie naar generatie en tooit zich schaterend met de haar toegeworpen frivoliteiten. Noem het onkuisheid, ik noem het leven. De enige talen die verandering weerstaan, zijn de dode. 

Nu, ik begrijp ze wel, de lieden die zich halsstarrig verzetten. In een wereld waarin alles aldoor vloeibaar en vergankelijk lijkt, klampen zij zich vast aan de enkele dingen die een schijn van standvastigheid bieden: de riten en rituelen, in woord en daad. Zo was het, zo is het en zo zal het zijn, prevelen zij, of het zal niet zijn. Ontneem ons de taal, en u ontneemt ons de hoop. 

Voor die noodkreet moeten we niet doof blijven. Er zijn zo al genoeg wanhopigen om ons heen. We moeten de boze bange mensen duidelijk maken dat hun taal niet onherroepelijk teloorgaat. Integendeel, zij krijgt een bijzondere plaats. In de fraaiste lade van de fraaiste commode in huis. En we halen haar glunderend boven voor speciale aangelegenheden, zoals de bomma somtijds haar schoonste servies. Dankbaar schuiven we dan mee aan, en doen ons te goed aan haar onovertroffen konijn met pruimen, dat ons op proustiaanse wijze terugvoert naar de kommerloze jaren. Bomma, zeggen wij dan, het was zo lekker, dat ik mijn teljoor ga uitlikken, zie, en wij likken ons bord schoon en vader kijkt boos, maar bomma glimlacht – en om die glimlach is het ons te doen. Bomma en wij, wij verstaan elkaar.

Taal is een huis met vele kamers. De kunst van het converseren bestaat erin met de juiste mensen in de juiste kamer te zijn.

Eenheid

De winnaar van het wereldkampioenschap voetbal kennen we nog niet, de verliezer wel: de Hoge Gezondheidsraad. 

‘Maximaal tien eenheden alcohol per week.’ Zo luidde het advies dat de raad maandag verspreidde, in een even heldhaftige als potsierlijke poging om ons aan te zetten tot matigheid. Matigheid, in een periode waarin miljoenen Belgen zich rond al dan niet buitenmaatse schermen scharen teneinde de Rode Duivels aan het werk te zien, en vele tienduizenden bierstekers zich een tricolore hernia hijsen om die miljoenen Belgen tijdig en genereus te bedienen. Maximaal tien eenheden per week? Na een uur of drie is die week om. Dat wordt dus een maand van pakweg twintig weken. (En dan reken ik de festivalzomer niet eens mee – twee weken per dag.) 

Een mens vraagt zich af waarvoor ze het eigenlijk doen, die ongetwijfeld achtenswaardige lieden van de Hoge Gezondheidsraad. Vingertje omhoog en ‘tien eenheden!’ roepen, wie heeft daar een boodschap aan – behalve hier of daar een wanhopig naar bruikbare onderwerpen speurend columnistje? De overtuigden waren al overtuigd, de niet-overtuigden zal het aan hun klotsende bierbuik roesten. ’t Is voetbal, meneer, dus drinken wij pinten, meneer. Pinten, ja, geen ‘eenheden’. Wat is dat voor droogkloterij? Denkt gij nu echt dat wij naar de patron ‘Jef, vijf eenheden!’ roepen? Doe normaal! 

Geef ze eens ongelijk. Juichen met een koffie is gekkenwerk, wanhoop verdrinkt men niet in karnemelk.

Er zijn, zo laat ik mij vertellen, Belgen die dezer dagen niet aan juichen of wanhoop doen. Zij hebben lak aan dat hele WK. Zij verkiezen een avondje experimenteel theater van een non-binaire Bosnische Bosjesman. Mooi. Je hebt ook Belgen die voetbal misprijzen. Zij vinden het brood en spelen voor het klootjesvolk, waartoe zij vanzelfsprekend niet behoren, in al hun pedante verfijndheid qua mensbeeld. Er zijn naar verluidt zelfs Belgen die naar eigen zeggen voetbal ronduit haten, en zich daarop laten voorstaan, onder het genot van een glaasje bio-organisch gefermenteerd witte-koolsap. Ach, zij weten niet wat haat is. En dus ook niet wat liefde is.

Afscheid

Ik moest deze week aan Xavier De Baere denken. De oudere lezer herinnert zich hem natuurlijk meteen: de onveranderlijk in een gele debardeur verpakte Professionele Afscheidnemer die aan het eind van elke aflevering van ‘Morgen Maandag’ professioneel afscheid nam van het publiek en de kijkers en daarbij het Nederlands dingen aandeed die hem tegenwoordig voor het Internationaal Strafhof in Den Haag zouden brengen. (De jongere lezer, die zich hem niet herinnert, moet maar gewoon de vorige zin lezen. Of – nog makkelijker – de man even youtuben.)

Afscheid nemen is, zeker in het medialandschap, een genre op zich geworden. Let wel: het gaat hier om nog in leven zijnde lieden. De befaamde radiomaker Jan Hautekiet, in het diepst van zijn gedachten ongetwijfeld Voorzitter van het Internationaal Strafhof in Den Haag, afdeling Taalkundige Misdaden Tegen De Menselijkheid, nam deze week op Radio 1 een hele week lang afscheid, met iedere dag een eigen programma en live interventies in andere; het enige waarover de luisteraar in het ongewisse werd gelaten, was de kleur van ’s mans onderbroek. En de misschien net iets minder befaamde radiomaakster Annemie Peeters, in het diepst van haar gedachten ongetwijfeld Annemie Peeters, nam gisteren afscheid met een uitzending van haar praatprogramma waarin ze als gast niemand minder dan zichzelf had uitgenodigd. Ik heb, op doktersadvies, niet geluisterd.

Men moet, zo meen ik, het afscheid nemen bewaren voor de waarlijk overledenen. En wel hierom: zij zullen niet protesteren en al evenmin dreigen met een comeback. Het afscheid dat wij van hen nemen, kan derhalve ongegeneerd oprecht zijn. Wij kunnen ze welverdiend doodzwijgen, wij kunnen ze even welverdiend naar eigen keuze groots of intiem danken en herdenken. Wij zijn tot niets verplicht. Wat wij doen, is nooit afgedwongen.

Popsterren doen tegenwoordig afscheidstournees van enkele jaren, ‘om de fans te bedanken’. Hou toch op met die schijnheiligheid, denk ik dan, of laat je fans er gratis in. En trakteer ze na het slotakkoord op een volstrekt lachwekkend dansje, gekleed in een gele debardeur.