Skip to content

Kaakslag

De zomervakantie is begonnen – men merkt zulks aan de regen – en dus breekt thans de examentijd voor de ouders aan. Maandenlang zijn zij in de weer geweest om een sluitend plan op te stellen voor hun nageslacht. Een plan waarin kwestieuze kwekelingen geen dag, wat zeg ik, geen moment lusteloos ruggelings in de divan duikelen en klaaglijk de gruwelijkste aller woorden uitstoten: ‘Ik verveel mij.’ Een kaakslag, dat zou het zijn. Een vernedering, het ultieme bewijs dat men als ooit hitsige verwekker van al die centimeters lamlendigheid schandelijk heeft gefaald.

En dus tekent men reeds in de aan de zomervakantie voorafgaande maand september de contouren ener welhaast militaire operatie uit.

Eerst een strategie. Men sluit niet-aanvalspacten met de schoonfamilie. Slaat op de eerste oudercontactavonden praatjes met wildvreemden die naar verluidt de verwekkers van een klasgenootje zijn, teneinde uit te vissen of zij aan de eigen hoge pedagogische normen voldoen – je moet er niet aan denken dat je kind een zomers weekendje doorbrengt bij naaktlopers of, erger nog, liefhebbers van schlagers. Gaandeweg vergaart men aldus medestanders, met wie desnoods uitwisselingsakkoorden te sluiten zijn.

Dan een begroting. Men rekent voor wat zo’n zomervakantie mag kosten. Gaat na waar uitgaven desgevallend deels dan wel geheel te boeken vallen onder eigen bedrijfskosten. (Van een gezinsreisje valt, met wat neoliberale humanitaire medewerking, al gauw een partieel beroepsgebonden verplaatsing te maken.) Men pluist vakantiekampbrochures uit, dicht het kind sportieve dan wel creatieve ambities toe – ‘Hoe kan je nu, zonder het te proberen, weten of je dat niet geweldig leuk vindt, Genderneutraal Breien?’ – en begint als een zitpenninghoer te lobbyen om het kind des zomers ergens enkele weken betaald te laten lummelen.

In december maakt men een tussenbalans op, in maart kruist men biddend de vingers, in juni blikt men in koortsangst vooruit: het Groot Examen begint – welke beoordeling krijgt men, van z’n kinderen, in september?

Van mij krijgt u op 2 september een nieuwe Hoofdzaken.

Papkind

Wat ik van korte broeken op het werk vind, wou ze weten. Ha!

Nog voor m’n inwendige brutaaltje guitig-samenzweerderig in een tv-camera kon blikken en Iets Stouts zeggen, onderbrak ze m’n droom om de Jani van de Redactie te worden: ze wou over deze belangwekkende kwestie enkele gedachten verzamelen voor een stuk dat ze zou schrijven. Ik zag de bui al hangen: mijn gefundeerde mening zou helemaal ondergesneeuwd raken, in een wereld waarin voornamelijk kwiek-artistieke jongelui van na de oorlog de dienst uitmaken. Troosteloos slofte ik naar m’n stoel en broedde venijnig op een reactionaire column.

Korte broeken op het werk zijn aanstellerig en contraproductief.

Althans, voor zover men met ‘werk’ bedoelt: tv kijken, radio luisteren, lezen, telefoneren, kwebbelen en op een toetsenbord tokkelen in een kantoorruimte met airco.

Wie zich daar aandient in korte broek, is een papkind. Een watje, dat deugd zou hebben van een goeie ouderwetse legerdienst – een vooroorlogs wintertje in pakweg Kassel, wachten kloppen, munitiedepots bewaken, speedmarsen lopen, en om de acht weken een weekend naar huis. Daar word je een echte kerel van. Nu stapt zo’n slapjanus uit z’n koele woonst in een koele auto en rijdt naar een koele redactie. In korte broek, want tjonge, anders overleeft hij het niet, hoor, die tweemaal tweehonderd meter die hij in openlucht moet slenteren.

’t Is ook ronduit contraproductief, zo’n korte broek op kantoor. De kortebroekdrager mag dan wel vleselijk op het werk zijn, in gedachten is hij elders. In z’n tuin, op een terrasje, aan zee, op Kreta, in Acapulco, eender waar, maar níét op het werk. Hij is, zoals hij daar onderuitgezakt in z’n stoel hangt, de blote benen uitgestrekt op een laag kantoormeubeltje, de armen nonchalant langs de rugleuning van de stoel bengelend, één beweging verwijderd van de volstrekte overbodigheid: de arm die vanuit de elleboog lui omhoog gaat, eindigend in een ten hemel wijzende wijsvinger, aldus een fris glas bier bestellend bij de net passerende hoofdredacteur.

Echte mannen in korte broek horen na het werk samen te douchen.

Walvisbraaksel

Toen ik nog op onvrijwillige basis een korte broek droeg, was ik gefascineerd door een artiest die zich op het podium liet onthoofden. We hebben het allebei wonderwel overleefd. Ik heb nooit de aandrang gevoeld om, net als hij, een boa constrictor om mijn hals te draperen en vervolgens op een elektrische stoel te worden geroosterd, hij heeft lang geleden z’n alcoholverslaving ingeruild voor een golfverslaving en bijzonder dodelijk is dat niet – al valt het natuurlijk niet uit te sluiten dat hij tijdens een partijtje golf op de dertiende hole wordt verrast door een fatale blikseminslag. Hij zou er, zo vermoed ik, wel de ironie van inzien. Weliswaar héél kortstondig. In een flits.

Een beetje aanleg voor ironie helpt, in het leven. In het formuleren van een schijnbare tegenstelling tussen feit en wens ligt de aanvaarding van dat feit besloten. Lichtvoetig danst men een paso doble met de onvermijdelijkheid. Men pareert de onredelijkheid Des Levens met de redelijkheid van de geest. Men vergroot niet uit, integendeel, men reduceert. Inkoken verfijnt én versterkt de smaak.

Helaas zal de smaak ons aan onze socialemediareet roesten. Uitvergroten is de mode. Een malleman scandeert, ten einde z’n spaarrekening een bestaansreden te verschaffen, iets stouts over een beatje heen, en hop, de goegemeente slaat alarm: schande! De ziel van het kind! Van óns kind! Ons kind, hoogsensitief en hoogbegaafd en lactose-intolerant en van nature veganistisch! Ons kind, wiens babykwijl waardevoller is dan walvisbraaksel! Het wordt in z’n waardigheid aangetast en in z’n morele kruis getast door die vunzige vuilbekkerij! Verbieden, die troep!

Vandaag heet de vermeende vuilbekker in kwestie Jebroer (duivel!), gisteren Lil Kleine en Ronnie Flex (drank en drugs!), eergisteren Sex Pistols (fucking cunt!) en Urbanus (bakske vol met stro!). En dan heb ik het nog niet eens over de tijdelijk zichtbare heupen van Elvis Presley, die in de bibliotheek der natte broekjes boekdelen spraken.

Als uitvergroten ons één ding leert, dan wel dit: dat we ironie geofferd hebben op het altaar van gemakzucht.

Zeroïek

Terwijl ik stond aan te schuiven om de auto te laten keuren, overpeinsde ik welk onderwerp geschikt zou zijn voor deze aflevering van m’n column. Aangezien ik tevoren een afspraak had gemaakt – “handig en snel!” –, kon ik helaas maar een uurtje aanschuiven. Er moest dus efficiënt gepeinsd en fluks beslist worden.

Brussel, zo sprak ik mezelf bemoedigend toe, schrijf iets over het amechtig politiek volkstheater in Brussel, waar holle retoriek moet doorgaan voor daadkracht, en stilzwijgen voor ethiek. Niemand anders zal daarover schrijven, én je kunt van de gelegenheid gebruik maken om een neologisme te introduceren: ‘zeroïek’, een nieuw woord voor de mengeling van ongeloof, woede, afkeer, berusting en desinteresse – oei, desinteresse, ja, nee, dus daarover schrijf je beter niet. Geen kat die het leest.

Iets buitenlands dan, pepte ik mezelf op, iets over het amechtig politiek volkstheater in Groot-Brittannië of de Verenigde Staten. Ook dáárover zal geen enkele andere columnist het dit weekend hebben. Wat de voormalige FBI-baas James Comey onder ede zei over de huidige president van de Verenigde Staten, bijvoorbeeld, en andersom – twee mannen, minstens één leugenaar: dat is toch gevonden vreten? En zo’n vale vaatdoek als Theresa May, die overbodige verkiezingen uitschrijft en daarin een duchtig pak voor de conservatieve broek krijgt, waardoor Albion nu nog perfider is dan het al was, dat sméékt toch om enkele welgemikte zinnen?

Tut-tut, wees ik mezelf streng terecht, dat dénk jij maar. Voor wie schrijf jij eigenlijk? Voor jezelf of voor je lezers? Je lezers hebben geen boodschap aan masturbatoire taalgymnastiek, hoor. Ze willen inzicht, of vermaak, of met rust gelaten worden.

Ik moest mezelf gelijk geven: inzicht of vermaak heb ik nu eenmaal niet te bieden. En dus besloot ik finaal fluks niet over amechtig politiek volkstheater te schrijven, maar over de autokeuring, teneinde dit stukje alsnog te kunnen afronden met een happy end.

De auto bleek beter in vorm dan de chauffeur.

Briljant niks

Voor mij staat een gigantische kast zonder deuren, verdeeld in tientallen vakjes waarboven telkens een postcode staat. Naast mij liggen met dubbele elastiekjes bijeengehouden hoge stapels ingevulde overschrijvingsformulieren. Het is de bedoeling dat ik de formulieren één per één bestudeer, teneinde de postcode erop te ontdekken en vervolgens het formulier in het vakje met dezelfde postcode te deponeren. Zal me dat lukken? Voor alle zekerheid wordt het me driemaal uitgelegd. Door drie mensen. Door een typiste, door haar baas, en door zijn baas. Dooreen. Eén ding is me meteen duidelijk: het betreft hier een zaak van het allergrootste belang, waarbij ook maar het minste foutje leidt tot een cataclysme van het ruimte-tijd-continuüm.

‘Ik denk het wel’, knik ik nederig, me bewust van de grootsheid van het moment. Je krijgt immers niet iedere dag de kans om het werk van een klerk over te nemen.

De klerk is met vakantie. Leuk voor hem, vervelend voor het ruimte-tijd-continuüm. Maar gelukkig is er een kereltje bereid gevonden om, onder het toeziend oog van een typiste, een onderbureauchef en een bureauchef, een maand lang elastiekjes los te maken en overschrijvingsformulieren te klasseren. In ruil daarvoor ontvangt het kereltje omgerekend 375 euro. Lekker. Dat is een bromfiets. Tweedehands. In theorie. Als het mag. (Het mag niet.)

Dat ’bereid gevonden’ is overigens niet helemaal correct. Het kereltje is daar neergepoot op voorspraak van z’n vader, die van het bestaan van de vakantiejob op de hoogte was en vond dat het tijd was dat het kereltje in de zomer eens wat anders deed dan briljant niks. Het is tenslotte net zestien geworden. Zestien. Misschien, zo meent de vader, valt er nog iets te redden.

Goedbedoeld, natuurlijk, maar schandalig. Immers, door het kereltje aan dat baantje te helpen, heeft de vader duizenden andere tieners gediscrimineerd, nietwaar, Unia?

Het kereltje is er de vader nog altijd dankbaar voor. Het besefte daar en toen dat er in het leven meer moest zijn dan veertig jaar lang overschrijvingsformulieren klasseren. Lang leve de discriminatie!

Fris biertje

U hebt het fragment ongetwijfeld ook gezien – en tussen ongeloof en verbijstering in telkens opnieuw bekeken: de president van de Verenigde Staten die de premier van Montenegro opzij duwt als ware deze laatste slechts een hinderlijk toefje struikgewas. Waarna hij z’n jasje recht, het mondje lichtjes tuit en om zich heen kijkt met een air die men op z’n vriendelijkst zelfvoldaan kan noemen.

Ach, dat ongeloof en die verbijstering zijn nergens voor nodig. U moet het de heer Trump niet kwalijk nemen. Weet hij veel wat Montenegro is. Daar heeft hij personeel voor – dat het overigens, net als wij, even heeft moeten opzoeken: Montenegro is een wat groot uitgevallen ranch ergens in het zuiden van Europa, met amper meer inwoners dan Antwerpen. En dat noemt zichzelf een land? Een stofje op de wereldkaart, ja. Een pluisje dat je schier achteloos van je wereldleidersjasje af pitst.

De meesten onder ons zijn af en toe de premier van Montenegro. Dan sta je daar, aan de bar op een festival, geduldig aan te schuiven tot je aan de beurt bent. Het is bloedheet en vreselijk druk en o, wat kijk je al uit naar dat fris biertje, zo meteen, nog even maar, ha, daar draait de man voor je zich al om, met z’n handen vol volle bekertjes, dus ja, nu ben jij aan de beurt, je zet een stapje naar voor, bonnetje in de aanslag, klaar om “Een pintje, alstublieft” te prevelen en goh, wat zal dat sma – báf, je krijgt een beuk en een breedgeschouderde boer wurmt zich voor je, jij verliest je evenwicht en valt halvelings tegen de naast je aanschuivende vrouw aan, je verontschuldigt je met een slecht grapje en sterft een beetje. Ondertussen heeft de brede boer al acht bekers bier in z’n klauwen. Ruig draait hij zich om, het bier in triomf op schouderhoogte meevoerend. Z’n elleboog raakt je arm, een halve pint kletst koud in je nek. Dju toch, denk je bitterzoet, was m’n tong maar lang genoeg.

De brede boer kijkt om en staart je aan, één tel – je ziet z’n hersentjes malen: zal ik die lul een klap geven? Dan beseft hij: kan niet, met m’n handen vol. En bulldozert verder. Je glimlacht. Gered door bier.

Gekke dingen

Wat voor mens wordt het? Of juister: wat voor mens zal het blijken te zijn?

Nu ligt het daar, schattig verpakt, te glimlachen. Het vult de dagen met glimlachen, slapen, eten en verschoond worden. Een enkele keer krijst het – doorgaans ’s nachts, als jij probeert wat slaap in te halen. Mopperend ga je kijken, vertederd kijk je het aan, zoals het daar ligt, met z’n lelijk smoeltje vol traantjes. Kleintje toch, denk je, kom hier. Het lijkt bijna niks, maar het is al heel wat. Wat precies, dat weet je nog niet. Je zult dat ontdekken. En niet.

Zo is het ook met jou gegaan. Je was al van alles, maar je wist het nog niet. En je ouders al evenmin. Hebben zij ontdekt wat voor mens je eigenlijk bent?

Er blijft niet veel verborgen. Alleen het allerbelangrijkste.

Dat het groot of klein is, dik of dun, slim of lief, lui of moe: dat alles wordt zichtbaar. Nu eens ‘heel z’n vader’, dan weer ‘als twee druppels haar moeder’, een enkele keer ‘precies nonkel Jef’. Daar doen we het mee. We leggen foto’s naast elkaar, vergelijken herinneringen en besluiten. Gerustgesteld. We kunnen niet zonder referentiekader, en blijven er liefst binnen. Zodra we er ons buiten moeten begeven, dient de argwaan zich aan. En de angst.

De argwaan, ach. Het lijkt niet op mij, nou en? Misschien is ’t een voordeel. Misschien is ’t een gril, dat hoor je namelijk weleens, dat de natuur gekke dingen doet met genen. Met zo’n misschien valt te leven.

Met de angst amper. De angst dat je kind een mens blijkt die z’n plek in de wereld niet vindt. Omdat de wereld wreed is. Verstoot. Je betrapt jezelf op hoop. Hoop dat je kind hetero is, want dat maakt het leven nu eenmaal veel makkelijker, niet? (Nee, maar hoop is blind.) En als dat niet zo is, hoop je op een andere wereld. (Ik zei het al, hoop is blind.) Voor jezelf maakt het niet uit: wat je kind ook is, je zult het altijd graag zien. Toch?

Je kind kan pedofiel zijn. En het je nooit vertellen. Omdat dat het allerbelangrijkste is. Daarom is het goed dat er nu een hulplijn voor pedofielen is. Goed voor alle kinderen, en hun ouders. Negeren hebben we al geprobeerd.