Skip to content

Blablabla

Als trouwe lezer van deze bescheiden prachtcolumn weet u het na achttien jaar ondertussen wel: deze mij toebemeten ruimte is een oase van rust, een tempel gewijd aan de innerlijke vrede, een joert voor de nomaden van het hart.

Dat is niet altijd zo geweest. Sterker nog: dat is niet dankzij, maar ondanks mij gebeurd. De verdienste ervoor komt vrijwel louter de tijd toe. De tijd heeft de venijnige pieken van weleer weggevreten, de diepe dalen met dikke donsdekens van berusting toegedekt. Ik ben een oud gebergte. Een gebergte dat zich bijwijlen z’n eigen vervaarlijkheid herinnert, dan eens weemoedig glimlacht en vervolgens weer indommelt, dromend van wufte wolken.

Een enkele keer, evenwel, wordt het oude gebergte ruw gewekt. Dan breekt het vergramd uit z’n gemoedelijke glooiingen los en herrijst dreunend en donderend tot spitse hoogten, als een genadeloze scherprechter. Tot hier en niet verder, freewheelende onverlaten! 

Zo’n enkele keer was deze week, toen ik werd gewekt met het nieuws dat de stad Gent – zoals wij allen weten: een toonbeeld van progressieve samenhorigheid – in haar officiële communicatie haar inwoners voortaan met ‘je’ zal aanspreken, en niet langer met ‘u’. Want: directe communicatie en blablabla en dichter bij de mensen en blablabla en helder taalgebruik en blablabla en blablabla en blablabla. En kielekiele kleutertjes. 

Die ‘je’ is het talige equivalent van de korte broek op kantoor. De teloorgang van de voornaamheid, van de bereidheid om een onderscheid te maken tussen de wei van Werchter en de werkplek, tussen respectvolle terughoudendheid en verschralende vrijpostigheid. 

Nee, men dient anno 2019 zijn mannelijke verwekker niet aan te spreken met ‘Hooggeëerde, teergeliefde vader’, maar evenmin met ‘Dude’. Als er één ding is waarmee wij mensen het verschil kunnen blijven maken, in een wereld waar algoritmen almaar meer te zeggen krijgen, dan is het wel sociale intelligentie. Daarmee word je niet geboren. In de opvoeding is Functionele Nuance een hoofdvak.

Wereld, ziedaar uw vakantietaak. Ik meld mij, ter strenge overhoring, weer in september.

Advertisements

Kopstoot

Het waren moeilijke tijden. Ik ga niet beweren dat we ondergedoken leefden en enkel fluisterend met elkaar praatten, maar veel scheelde het niet. Je wisselde schichtige blikken uit, knikte schier onmerkbaar, neuriede in gedachten. Je sloop schimmig langs muurtjes, het pak angstvallig onder je arm geklemd. 

Pas thuis durfde je het pak open te maken. Ze moesten eens weten. Je luisterde, je gloeide, je zong breekbaar mee. En nog eens. En nog eens. Met hier en daar een luchtgitaar, en een riedel, een roffel, een dreun, in eenzelfde parmantige pantomime. Tot het zich allemaal onder je kippenvel had genesteld, alle bandbreedte in je hoofd had gevuld. Dan kon je weer voort, dan kon je weer naar buiten, gelaafd en gelouterd, drager van een groots geheim. En dus zweeg je. Want je moest uitkijken met wat je hardop zei, in de kroeg. Misprijzen was je deel, als je geluk had. Voor je ’t wist, liep je tegen een fluim aan, of een glas bier in je gezicht, of een kopstoot. 

Nee, je kon eind de jaren zeventig maar beter niet zeggen dat je van Pink Floyd hield. En van Genesis en Jethro Tull en Steely Dan. En van Yes en Emerson, Lake & Palmer. En Neil Young, ja. (En somtijds zelfs van godbetert Alan Stivell, met z’n Keltische kut-harp. Al was dat misschien om een meisje te behagen, een meisje van bloemen en licht.) Je hoorde verdomme van punk te houden! Had immers niet Johnny Rotten zelve die dinosauriërs dood verklaard? Je hoorde van punk te houden, en van boosheid, en van lak aan alles! Haal die sluitspeld uit je luier en steek ‘m door je neus! 

Ik snapte er niks van. Kon je niet én boos én blij zijn? Van én kort én lang houden? Van én luid én stil? Van én dino’s én jonge honden? Wat een treurnis, wat een armoe.

Deze week is in New York de ‘Black Strat’ van David Gilmour geveild, een gitaar die hij in 1969 kocht, een beetje naar zijn hand zette en vervolgens gebruikte om enkele muziekhistorische Pink Floyd-albums mee vol te spelen. Het ding werd afgeklopt op 3.975.000 dollar, voor het goede doel. Toen ik het vernam, ben ik nog eens loos gegaan op ‘Money’. Ook dát was een kopstoot.

Lucifers

Zo ging dat, als er op de speelplaats weer eens plotsklaps heftige onenigheid tussen twee knapen ontstond: dan verzamelde zich rond het drieste duo algauw een immer dikker wordende kring van tienertjes, die het op een aanmoedigend, volgehouden ’HEY! HEY! HEY! HEY!’ zetten, in de hoop een flinke boks- en worstelpartij te mogen aanschouwen, bij voorkeur opgesmukt met minstens een dik oog en een bloedneus. 

Aldus trokken zij dra de aandacht van de leraars die op dat moment, somtijds met zichtbare tegenzin, de speelplaats dienden te bewaken. Die beenden dan met zo vastberaden mogelijke tred en ongetwijfeld licht verhoogde hartslag richting kring, wurmden zich erdoorheen en scheidden de vechtersbaasjes, niet zonder ze streng te hebben aangesproken op hun uiterst laakbare gedrag, dat minstens een nota in de agenda tot gevolg zou hebben, en zeer waarschijnlijk enkele zaterdagvoormiddagen strafstudie. Ook de bloeddorstige meute kreeg een stevig standje: zo’n houding gaf geen pas in een eerbiedwaardig college. Waarna de meute teleurgesteld afdroop, doch grijnzend op wraak zon. 

Die wraak bestond er vaak in dat zich enige tijd later opnieuw een ’HEY! HEY! HEY! HEY!’ schreeuwende roedel vormde, waarop de speelplaatsbewaker – enerzijds zuchtend, anderzijds christelijk plichtbewust – op de hossende kring af stoof en die ietwat minder christelijk dan voorheen doorbrak, om dan vast te stellen dat de horde zich ophitsend had verzameld rond twee kruiselings op elkaar neergelegde lucifers. Vervolgens ging kwestieuze horde in triomfantelijk hoongelach vreedzaam uiteen, de speelplaatsbewaker totaal vernietigd achterlatend.

De jeugdherinnering schoot me te binnen, toen ik woorden zocht voor mijn immer toenemende ergernis aan de immer toenemende lichtgeraaktheid om ons heen. Er kunnen geen twee lucifertjes kruiselings op elkaar worden gelegd, of er is altijd wel iemand die zich persoonlijk in z’n universele rechten als lucifertje aangetast voelt. Ironie, dwarsigheid, stoutheid, spot: alles moet op de brandstapel.

Er zijn in Vlaanderen tegenwoordig meer heilige huisjes dan kapelletjes.

Verhaal

Er waren deze week twee berichten die mijn bijzondere interesse hebben gewekt. Dat is vrij veel, want doorgaans ligt mijn bijzondere interesse te slapen alsof ze net vierhonderd gram bleu chaud gebakken Black Angus Irish Rib Eye en een fles Quinta Quietud naar binnen heeft gewerkt en bij wijze van dessert een duo van Valium met een pijpje opium. Derhalve moet ik het meestal stellen met mijn gewone interesse, doch die heeft de aandachtsspanne van een puppy op speed, waardoor me finaal amper iets bijblijft. 

Maar dus niet zo deze week. Men telt z’n zegeningen. Allebei.

Het eerste bericht betrof de vijfenzeventigste verjaardag van D-Day, de dag waarop – ik vertel dit er even bij voor de mensen die ziek waren tijdens de lessen geschiedenis – de westerse geallieerden onder de codenaam Operatie Overlord in Normandië aan land kwamen en aldus het einde van de Tweede Wereldoorlog hielpen bespoedigen. Duimpje!

Voor mensen van mijn generatie is de Tweede Wereldoorlog een realiteit: onze ouders hebben die meegemaakt. Hun ervaringen hebben mee bepaald hoe ze ons hebben opgevoed. Wees zuinig. Wees spaarzaam. Wees niet kieskeurig. Wantrouw helden. Wantrouw Duitsers. Wantrouw Walen. Dit is geen land. Dit is ons land. Dit is een grap. Wees trots. Wees bescheiden. Wees slim. Zwijg over de dood. Zwijg over het verleden. Spreek.

Voor onze kinderen is de Tweede Wereldoorlog een verhaal. Game of Thrones, maar dan saaier. En in zwart-wit en zonder blote borsten. Pfff.

Het tweede bericht betrof een tweet van een jonge freelancejournalist, die ik hierbij letterlijk citeer: “Ik ben op zoek naar mensen die in een zwart gat vielen nadat hun favo reeks afliep, en dat gat invulden door iets dat met die serie gerelateerd is. Een reis naar waar het zich afspeelt, de inrichting van hun huis, het dagelijks herbekijken van de serie, … Alle tips zijn welkom!”

Ja, u leest het goed: ‘die in een zwart gat vielen nadat hun favo reeks afliep’. Ja, dat is de echte pijn. Miserabele millennials. Onze freelancejournalist gaat op zoek naar sneeuwvlokjes in juni. 

Voor onze kinderen is ook dat een verhaal. Hartje.

Retraite

Om enigszins te bekomen van de heisa na mijn correcte voorspelling van vorige zaterdag – dat u van de verkiezingsuitslagen steil achterover zou slaan – ben ik woensdag op retraite geweest. Op de eerste verdieping van mijn eenvoudige werkmanswoonst. Daar bevindt zich een kamertje dat zich nog het best laat omschrijven als Niet De Zolder. Er staan dozen en kisten waarvan ik de inhoud dringend moet sorteren. Sommige staan daar al vijftien jaar. 

Dat komt doordat ze zo zwaar zijn. Tillen is geen optie – er waren vijftien jaar geleden twee forse, door het vooruitzicht op gratis bier daartoe aangelokte manspersonen vandoen om ze in dat kamertje te krijgen. En sindsdien heb ik geen tijd gehad om naar het krachthonk te trekken. Er kwam altijd iets tussen. Alsof de duivel ermee gemoeid was. Met z’n oorkussen, de smeerlap. 

Wel, dat moest maar eens gedaan zijn, sprak ik inwendig doch wilskrachtig, toen ik woensdag omstreeks halfdrie het kamertje betrad. Retraite draait om bezinning, en geen betere compagnon voor bezinning dan harde fysieke arbeid. Met heldenmoed sleepte ik een doos uit de hoek en boog mij plichtbewust over de inhoud, klaar om onverdroten genadeloos te zijn. Doch wat bleek? Ik bevond mij in de grot van Ali Baba! Of die van Altamira, dat kan ook. Vijftig Vlaamse Filmpjes. Enkele Zorro’s. Een handboek Latijnse grammatica. Een Griekse woordenlijst. Mappen vol vroege schrijfsels. Een cursus analytische boekhouding. Een handboek Transformationeel-Generatieve Grammatica. De ‘Beknopte ABN-syntaksis’ van Paardekooper. Een stapeltje elpees met Spaanse lessen door Godfried Bomans. Enkele edities van ‘Muziekkrant Oor’s Eerste Nederlandse Popencyclopedie’. Kortom, omstreeks halfvijf keerde ik als bij wonder plotsklaps terug tot de realiteit.

Eerst nam ik me voor mezelf streng te straffen voor alweer zoveel ledigheid, doch dra overviel mij het inzicht dat dit waarlijk een goede retraite was geweest: ik had mezelf afgezonderd en me overgegeven aan spiritueel zelfonderzoek en geestelijke oefening.

Beneden zette ik de radio aan en aanhoorde gelouterd een politieke analyse. 

Dans

Voor u zondagavond steil achteroverslaat van de resultaten van de verkiezingen, heb ik hier ter opwarming enkele cijfertjes om alvast even gezellig van te duizelen. Facebook heeft in een half jaar tijd meer dan drie miljard nepaccounts verwijderd. Dat is dubbel zoveel als in de zes maanden daarvoor. Van de 2,4 miljard accounts die nu maandelijks actief zijn, is vijf procent nep, schat het bedrijf. Ik heb het drie keer nagerekend: dat zijn er zo’n 120 miljoen. Evenveel als er inwoners zijn in pakweg Frankrijk en Italië samen. De smeerlappen.

Nepaccounts zijn geen grapje van God, die na al die jaren een beetje uitgekeken was op Zijn Tien Plagen van Egypte en daarom ter Zijner vermaak een 2.0-versie van Zijn enge kikkers- en sprinkhanenregen fabriceerde. Nepaccounts zijn geen grapje. Ze worden aangemaakt door computers, maar laten we niet vergeten dat die daartoe worden aangezet door mensen. Mensen zonder gevoel voor humor. Mensen met een vuig plan. Dat plan is: ons bestoken met leugens, maar dan zodanig massaal dat de waarheid ondergesneeuwd raakt en de leugens derhalve de nieuwe waarheid worden. Als iedereen danst, is wie stilstaat verdacht.

Ach, wat kan het ons schelen, hoor je mensen dan zeggen, dansen is toch leuk?

Net dat ‘leuk’ is de heikele kwestie. We dansen op het ritme van ‘likes’. We zijn, niet eens ongemerkt, verschraald tot ons digitale alter ego. Bemin ons binair, smeken we cool. En geef ons de zegen, vader Zuckerberg. Zonder bestaan we niet.

Wel, de zegen, die kan je van Zuckerberg zo krijgen. Je eigen data, nou, die dan weer niet. In de redelijk befaamde krant ‘De Morgen’ getuigde gisteren daarover Ruben Verborgh. De heer Verborgh is professor doctor ingenieur aan de UGent en onderzoeker aan het Massachusetts Institute of Technology. Dat zijn wij niet. Wij doen maar wat. De heer Verborgh weet wat hij doet. Denk je dan. Hij probeert al maanden zijn data – juridisch zijn eigendom – van Facebook terug te krijgen. Tevergeefs. Facebook valt liever dood.

Facebook zal niet doodvallen. 

Wantrouw zo’n orkest dat ten dans speelt. Wie stilstaat, ziet de nooduitgang.

Het vrije Westen

Kent u Kay Ivey? Nee? Stop dan maar met lezen, want ik ga uw weekend verpesten. We zijn diep in mei, ginds gloort reeds de welverdiende zomer, uw nageslacht zit monter over de studieboeken gebogen en de kiescampagnes zijn bijna voorbij. Veel beter wordt het dus niet. Gooi deze column uit het raam en verheug u.

De gouverneur van Alabama heeft deze week een wet ondertekend die abortus na verkrachting strafbaar maakt. Alabama is een staat in het zuiden van de VS waar men vroeger uitblonk in slavernij en waar de inwoners amper vijftien jaar geleden voor de formele instandhouding van de apartheidswetten stemden – ware er geen federale wetgeving die zulks verbiedt, dan zaten de zwarten in Alabama vandaag in aparte scholen en verplicht achteraan in de bus. (Inderdaad, Alabama is ook de staat waar in 1955 Rosa Parks haar zwarte zitje in de bus weigerde af te staan aan een blanke en daarvoor achter de tralies belandde.) Anders gezegd: in Alabama hebben ze lak aan mensenrechten. 

En dus ondertekende de gouverneur die wet. Net zoals de gouverneur eerder al een wet ondertekende die adoptiebureaus toelaat plaatsing van kinderen bij homokoppels te weigeren. En een wet die de uitvoering van doodsvonnissen – executies, dus – versnelt. De gouverneur doet dat niet zomaar. De gouverneur weet zich gesteund. Niet alleen door heel wat good folks of Alabama, maar ook en vooral door de Allerhoogste: “Voor de vele aanhangers van deze wet is dit een krachtige onderstreping van het diepe geloof van Alabama dat elk leven kostbaar en een heilige gift van God is”, sprak de gouverneur ten geleide. Denk even ‘van Alabama’ weg en de moslimbashers kunnen de straat op. Zo vrij is het vrije Westen. 

De gouverneur is een vrouw. Een vrouw van 74, weliswaar, maar ik kan niet geloven dat Kay Ivey zich niet meer herinnert hoe het was om vruchtbaar te zijn. Dat ze zich niet meer herinnert hoe nietsontziend kerels kunnen zijn, die stoere southern men die naar goeddunken nemen. Kay Ivey had de pen moeten neerleggen en naar buiten moeten stappen, en beschermend voor haar kwetsbare burgers gaan staan.