Skip to content

Geloven

Donderdag had ik op het werk een IT-probleem. De man die het kwam oplossen zei dat hij een softwaretoepassing liet geloven dat ze een recentere versie van zichzelf is. Ik moest me bedwingen om niet voor Hem te knielen, Zijn hand te kussen en te prevelen dat ik niet waardig was dat Hij tot mij was gekomen.

‘Geloven’, ja, dat zei de man. Mooi, hoe hij de taal van het volstrekt irrationele gebruikte om een hoogst rationeel proces te omschrijven. 

Ongetwijfeld deed hij dat omdat hij uit mijn geknoei en gestamel terecht begreep dat ik terzake een simpele geest ben – zoals je een kind van twee onbekommerd voorzingt dat je de zon hebt zien zakken in de zee, omdat je beseft dat het kind je niet zal onderbreken met de mededeling dat je uit je volwassen speknek kletst; integendeel, het zingt en zwaait vrolijk mee, want van zingen en zwaaien snapt een tweejarige doorgaans net iets meer dan van de wetten van het universum.

Ik was de man oprecht dankbaar voor dat ‘geloven’. Zoals ik mij oprecht beledigd had gevoeld indien hij mij omstandig in vaktermen had uitgelegd wat hij had gedaan. Net door het gebruik van dat ‘geloven’ had hij mij in mijn waarde gelaten. Wie tegen een buitenstaander jargon gebruikt, heeft niet de bedoeling uit te leggen, maar te overdonderen. Dan staat de taal niet ten dienste van de aangesprokene, maar van de spreker. Aanschouw de lelijke smoel der zelfverheerlijking.

Let wel, dit is geen pleidooi tegen jargon. Dat ware ridicuul, want vergeefs. Iedereen heeft een jargon. We gebruiken het om de banden met de ingewijden te versterken en de afstand tot de buitenstaander te bestendigen. De buitenstaander die zich een term uit andermans jargon toe-eigent, maakt zichzelf minstens een beetje belachelijk, zo hij al geen aanleiding tot ergernis geeft. Ik zou bijvoorbeeld mezelf genadeloos uitlachen als ik plots iets ‘vet’ of ‘cool’ of – godbetert – ‘boeie’ zou noemen. Net zoals ik me zou ergeren aan iemand buiten m’n vriendenkring die verhalen begint te vertellen over ‘tegelskippen’. Tegelskippen is van óns. En bovendien te belachelijk voor woorden. U mag me geloven.

Advertisements

Spijbelen

De nevel der jaren is grijnzend over mijn geheugen nedergedaald. Ik kan dus niet met stellige zekerheid zeggen dat ik op de middelbare school niet heb gespijbeld. Toch denk ik dat zulks nooit is voorgevallen, aangezien ik aan mijn tienerjaren geen lichamelijke littekens heb overgehouden – men liep in die vooroorlogse periode bij ongepast gedrag of taalgebruik algauw tegen vaders harde hand aan. De rolverdeling was simpel, in die tijd: vader bracht het geld binnen, moeder beheerde het, de kinderen kostten het. Je ging dus naar school met een prijskaartje en kwam naar huis met resultaten. Niet met een nota in je agenda, en al zeker niet wegens spijbelen.  

Bovendien was het klimaat toen nog in topvorm. Of, juister: je hoorde er geen klachten over. (Áls er aan de schoolpoort al geklaagd werd, dan was het door langharig tuig, over kapitaliestiese zwijnen, het militair-industrieel complex en repressieve tolerantie.) Gedegen klimaatonderzoek bestond amper en het wereldwijde internet was nog niet eens een binaire glinstering in de ooghoek zijner verwekkers. Wisten wij dus veel. Zeker, in een krakende schommelstoel in een hoekje bij de stoof zat er wel een al even krakend oudje aldoor te murmelen dat het toch “geen winters gelijk vroeger” meer waren, maar dan dachten wij eens schouderophalend: ach, de bomma, de nevel der jaren is grijnzend over haar geheugen nedergedaald. Vervolgens renden wij vrolijk in T-shirt naar buiten, want het was volop zomer.

De enkele duizenden spijbelende scholieren die deze week in Brussel hun jeugdige ongerustheid over de staat van het klimaat hebben laten blijken, oogstten daarmee bij de goegemeente vooral meewarigheid en misprijzen. Zij moeten zich daardoor vooral niet laten afschrikken. Zullen zij door de politiek met een vervuild kluitje in het ranke riet worden gestuurd? Zeer zeker. Voor scholieren is de toekomst nog maar net begonnen, voor politieke partijen eindigt die op 26 mei van dit jaar. Maar laat ook dat, beste jongens en meisjes, geen beletsel voor jullie aandoenlijk enthousiasme zijn. Nutteloos is niet hetzelfde als zinloos.

Snor

‘Wiebel wiebel

knor knor knor!

Het nieuwe jaar

dat zit wel snor!’

En bij het laatste woord duwt hij glunderend een op een wasknijper gestoken papieren snor onder z’n neus. Ik juich en applaudisseer alsof hij net uit het blote hoofd Xenofons ‘Anabasis’ heeft opgezegd, mét voetnoten, achterstevoren. Hij krijgt een klapzoen, een aai over de bol, en een cadeautje, ik de snor op de wasknijper. Allebei blij. Zo eenvoudig kan het zijn.

Hoewel, eenvoudig? Ga er maar eens aan staan, als kleuterjuf, telkenjare weer. Verzin het maar, schrijf het maar, knip en plak het maar, binnen je budgetje van drie keer niks. Maal vijfentwintig kindjes, maal euh – tja, maal hoeveel exemplaren, eigenlijk? Een beetje peuter heeft tegenwoordig al gauw een ouder of vier, een grootouder of vijf, zes, en drie peters of vier meters, plus een paar krakerige oudjes waartegen anderen oma of opa roepen, maar die z’n oma of opa helemaal niet zijn en bovendien lange witte haren op en in hun oren hebben, bah vies en raar. 

Vroeger was het simpel: als kleuter knutselde je in de klas hooguit iets voor vader- en moederdag, en klaar. Geen uitsloverij voor al die andere dagen en lieden. En nieuwjaarsbrieven, die schreef je zelf. Meteen in het eerste studiejaar, hop, met een kroontjespen en inkt uit een potje waarvoor in je bank speciaal een gaatje was gemaakt, zodat je ’t niet kon omgooien, want van inktvlekken op je kleren werd thuis niemand overmatig blij. 

Vijf schreef je er: eentje voor mama en papa, eentje voor meter, eentje voor peter, en twee voor de mémés en pépés (of wat daarvan restte). Vijf aandoenlijke knoeiboeltjes, hooguit enkele regels lang, bevattende een iets te formele aanspreking, een wegens het gebruik van het woord ‘kapoen’ schalks ogende doch voldoende onderdanige afsluiting, en daartussenin een stuk of twee loze beloftes. In ruil kreeg je een stichtend boekje over de Heilige Walburga. Of, als je geluk had, een cent voor in je spaarpot. Een échte cent, die rinkelde – hoor maar eens hoeveel je er al hebt! Stralend luisterde je. Ja, dat nieuwe jaar, dat zat wel snor.

Gloed

Het kindeke Jezus komt geen dag te vroeg. Hoog tijd dat iedereen in dit komieke landje zich enkele dagen terugtrekt in de eigen stal en daar, desnoods gesterkt door een hemels visioen of aardse neut, liederen van peis en vree aanheft. (Liefst niet al te luid, want daar komt dan weer burenruzie van.) Vervolgens begeeft men zich aan de dis en doet men zich te goed aan de heerlijkste spijzen, tot men geen quinoa meer kan zeggen. Desgewenst wordt zulks gevolgd door het uitwisselen van genderneutrale geschenken en niet seksueel getinte knuffels. (De zatte nonkel ligt reeds gekneveld in de kelder.) Finaal begeeft men zich welwillend te bed, in de even zoete als argeloze overtuiging dat de nacht soelaas brengt. (Doorgaans brengt de nacht slechts gesnurk en onvrijwillig vochtverlies.) 

De volgende ochtend ontwaakt men verkwikt, een gesteldheid die dra overgaat in lichte euforie wanneer men beseft dat dit een dag wordt zonder gele hesjes, zonder politiek theater, zonder pendelprut. Neuriënd verzorgt men de lichamelijke hygiëne, fluitend neemt men de tijd voor de stofwisseling, zingend danst men de trap af. Men drapeert het ontbijt op de tafel en vlindert door de plannen voor de dag. Welhaast extatisch stelt men vast dat er geen plannen zijn. Er moet niks. Niks. Heel even overweegt men een bezoek aan de schoonmoeder. Vervolgens komt men weer tot zijn zinnen. Men schiet z’n jas aan, slaat een sjaal om en stapt de deur uit, voor een gezonde wandeling nergens heen. 

Wat is het een prachtig jaar geweest, overpeinst men terwijl men een winters vogeltje aanschouwt. Men ziet voor z’n geestesoog Belgische atleten van diverse kunne triomferen en herinnert zich de ietwat overdreven alcoholinname die daarop volgde. Men denkt aan dansjes, gejuich, ontroering. Heel even ontsteeg men het klein zijn, heel even waande men zich plaatsvervangend aan de wereldtop. 

Men glimlacht eens en betreedt schier per abuis een afspanning, voor een glas op de schoonheid en de samenhorigheid. Binnen treft men een oude kennis. De uren verglijden in gloed.

Zulke dagen, lezer, wens ik u toe. Tot volgend jaar.

Zonnetje

Ik had er m’n nette pak voor aangetrokken. En een keurig hemd en dito schoenen. Geen stropdas, nee. Stropdassen zijn niet alleen lelijk, ze dienen ook slechts voor twee dingen waaraan ik geen behoefte heb: enerzijds om de onbetamelijk beschonken drager ervan in het urinoir de weg naar z’n gulp te wijzen, anderzijds om aan te geven dat men iets hoogs ambieert op de marketingafdeling.

Dat ik er zo keurig bij liep, was omdat ik geen risico’s wou nemen. Je wist maar nooit dat er een foto zou worden gemaakt voor de eeuwigheid – of erger nog: voor het personeelsblad. Op zo’n foto wil je natuurlijk niet afgebeeld staan alsof iemand je een minuut eerder haastig heeft opgevist uit een vergeten vuilniszak. Noem het ijdelheid, ik noem het vooruitziendheid: een mens wil het z’n kleinkinderen niet aandoen dat ze een lichtdrukmaal onder ogen krijgen, met de mededeling: ‘Hier, kijk, een foto van opa, toen hij even in het zonnetje werd gezet op z’n werk!’, en vervolgens verbijsterd moeten staren naar een onhandig gedrapeerde voddenbaal. 

Dat ‘in het zonnetje’ moet u overigens niet letterlijk nemen. Om halfzes is er dezer dagen ter hoogte van het redelijk befaamde Kobbegem geen spoor meer van de koperen ploert. IJskoude duisternis, daarentegen, die is er volop. Gelukkig bevonden wij ons binnen, op de hoogste verdieping van het bedrijfsgebouw, in een ruimbemeten, strak bemeubeld en comfortabel verwarmd vertrek dat men eerbiedig en met lichte trilling in de stem ‘the penthouse’ noemt. Wij, jawel, want ik was natuurlijk niet de enige die werd getrakteerd op lichte versnaperingen, welgekozen woorden en een tijdloos presentje voor vijfentwintig jaar trouwe dienst.

Dat je een kwarteeuw lang wordt betaald omwille van je afwijkingen – in mijn geval: een welhaast ziekelijke neiging tot het deugdelijk schikken van letters en woorden en zinnen – is aardig. Dat je dat een kwarteeuw lang kunt doen in een en hetzelfde bedrijf, is stilaan prehistorisch te noemen. Lieden als ik sterven uit. De vuurbol der disruptie is ingeslagen, lijdzaam toeziend wachten we op de alles verwoestende schokgolf.

Achterwerk

Of ze niet gauw even kon twerken, hier op het podium?

Die vraag kreeg de Noorse Ada Hegerberg maandagavond onder de neus geschoven, meteen nadat ze was uitgeroepen tot eerste winnares van de Gouden Bal, als beste voetbalster ter wereld. Het is me een raadsel waarom Luka Modric, de Kroatische winnaar bij de mannen, niet werd gevraagd of hij, daar op datzelfde podium, niet gauw even kon swaffelen. Of – waarom niet – twerken. Met je kont in iemands kruis staan draaien is, in het mannetjesputterswereldje der voetballerij, immers een beproefde techniek om de tegenstander te beletten bij de bal te komen.

De meest bedreven twerker ooit was wellicht de legendarische vishandelaar Rik Coppens, die in de jaren vijftig van de vorige eeuw tienduizenden Belgen naar het stadion lokte om hem te zien twerken met de Nederlandse verdediger Rinus Terlouw. En die Terlouw dacht heus niet: hé, wat een lekkere kont! Voor homoseksuele gedachten kreeg je in de jaren vijftig meteen rood.

De kerel die Ada Hegerberg de twerk-vraag stelde, heet Martin Solveig. Nu, eigenlijk heet hij Martin Picandet, maar Martin is een deejay en deejays gebruiken zelden hun echte naam. Ik vermoed: omdat ze denken dat ze kunstenaar zijn en derhalve recht hebben op een artiestennaam, of omdat ze hun ouders niet in verlegenheid willen brengen met hun malle aanstellerij.

Dat hele twerken is overigens een akelig gedoe. Ooit bevond ik mij, in select gezelschap, op een pleziervaartuig in de Caraïbische wateren, teneinde een huwelijk enige luister bij te zetten. Wij voeren een eindweegs het zeegat uit en vermeiden ons met geginnegap, ontroering en fris bier. Toen ik even in een hoekje het gezelschap stond gade te slaan en een weldadige dankbaarheid mij overviel, sloeg het noodlot toe: de stuurman zette een ritmisch muziekje op en een personeelslid van de vrouwelijke kunne zette het op een vervaarlijk twerken. Er was geen ontsnappen aan – ik stond gevangen tussen reling en royaal achterwerk. Toen ze haar Caraïbische kont in mijn Vlaams kruis duwde, voelde ik me vies, brak, welhaast verkracht. Het gezelschap juichte.

Ontroering

Ruim zestienduizend jaar. Dat zou u nodig hebben, als u jaarlijks 30.000 kilometer rijdt, om dezelfde afstand af te leggen als de InSight heeft gedaan alvorens een eeuwig parkeerplaatsje te vinden op Mars. (Hopelijk moet u onderweg niet plassen.)

Die volstrekte onbevattelijkheid is een van de redenen waarom ik maandagavond werd overvallen door een gewaarwording die ik, na grondig zelfonderzoek, niet anders kan noemen dan ‘ontroering’. Waar de hersenen het laten afweten, neemt het hart over. Die al te zeldzame momenten moet men koesteren.

Door die volstrekte onbevattelijkheid heen gloort evenwel het licht dat andermans hersenen produceren. Hersenen die pas op dreef geraken wanneer de jouwe uitgeteld de berm in struikelen, verdwaasd piepend: ‘Jullie kunnen het zonder mij! Gaan jullie maar!’ Dan versnellen die hersenen fluitend de pas, opgelucht dat ze eindelijk een beetje tempo kunnen ontwikkelen, en berekenen in de gauwte even Alles. Hun licht is schoonheid. En schoonheid ontroert.

Schoonheid, echter, bestaat maar bij de gratie van onvolkomenheid. In een wereld van louter schoonheid blijft schoonheid onopgemerkt. De onvolkomenheid hier is het besef hoe onbeduidend deze uitzonderlijke prestatie van het menselijk vernuft eigenlijk is. Hoe de homo sapiens, die verst doorgeschoten scheut aan Darwins boom, bij het gretig graaien in de snoepbokaal die – voor zover we kunnen zien – ongeveer vijftig miljard keer 10.000.000.000.000 kilometer groot is, telkens weer op ontroerende wijze de eigen nietigheid illustreert. 

Duizelt het u ook een beetje? Mooi zo. U bent ontroerd.

Dat die landing op Mars mij zo aangreep, heeft, finaal, wellicht alles te maken met het jaar 1969. Dat herinner ik mij namelijk nog, want dat was het jaar waarin Eddy Merckx op 20 juli z’n eerste Ronde van Frankrijk won. Enkele uren later wandelde de eerste mens op de Maan. Ook dat vond ik knap. Ik ga niet beweren dat ik dacht dat Neil Armstrong zulks deed om Eddy Merckx te eren, maar nu denk ik graag dat die gedachte toen niet ondenkbaar was. Als je negen bent, kan alles – als je groot bent, ga je naar Mars.