Skip to content

Trein

Onze job, zei m’n collega, kan je nog het best vergelijken met een trein: ’s morgens spring je erop, en die trein begint te bollen, en bolt maar door, de hele dag lang, gestaag almaar sneller, en dan plots sneller sneller, en snelsnelsnel dendert hij de avond in, mindert geen vaart, integendeel, integendeel, hij dondert naar de nacht, vervaarlijk grommend, majestueus koppig, want hij weet dat hij zo meteen alles dicht moet gooien, álles, snoeihard in de remmen, schurend, gierend, rillend op de onverbiddelijke sporen, nú, en het schuurt en het giert en het rilt, álles schuurt en giert en rilt, en even majestueus koppig weigert hij te breken, hij weigert te breken en triomfeert, dankzij en ondanks, hij triomfeert en komt majestueus tot stilstand – en pas dán kan je eraf.
Toegegeven, hij zei het een beetje anders, m’n collega. Met veel minder woorden, vooral. Maar dat van die trein, dat klopt.
Wij zijn jongens van de stoomtrein.

Klein onderhoud

Ja, dat is natuurlijk even schrikken. Ruim zestien jaar lang bent u eraan ontsnapt, vorige week haalde u bij het bericht dat ‘De Week van Devriese’ ermee kapte ongetwijfeld opgelucht adem, en nu krijgt u het bám rauw in de maag gesplitst, ongecensureerd: mijn hoofd.

Hoofdzaken

Ik begrijp het best. Zelve vind ik het ook niet echt geweldig geslaagd, mijn hoofd. “Maar zie eens, wat een dikke kop!”, zei ik tegen de lay-outer met wie ik het fotoaanbod bekeek. En welke foto we ook openklikten, die kop blééf dik – ondanks de welhaast humanitaire verdiensten van de fotograaf. “Ja, ik kan die natuurlijk wel een beetje versmallen”, antwoordde de lay-outer schalks, en we glimlachten eens zoals mannen glimlachen wanneer ze zich onbespied en pienter wanen: onnozel.

Het is wat het is. Mijn dikke kop, uw nobel gelaat. We moeten ermee door, met die somtijds ietwat malle uitstulping van de nek. Daar zitten nu eenmaal onze ogen, oren, neus en mond – en mits wat meeval, een bruikbare portie hersenen. Zonder hoofd is het leven waarschijnlijk behoorlijk saai.

Zeker, je kunt eraan laten sleutelen. En gelukkig maar – sommigen onder ons worden geboren met een hoofd dat wel lijkt te zijn vervaardigd met slechts één doel: sociale defenestratie van de bezitter ervan. Goh, de natuur kan wreed zijn, verzucht men dan, terwijl men eigenlijk dient te zeggen: de mens is wreed. De natuur is niet wreed. De natuur is. De mens, hoewel deel uitmakend van de natuur, onderscheidt zich ervan door moraliteit – of het gebrek daaraan. Korstmos oordeelt niet.

Het gaat, kortom, niet eens zozeer om onze oren, doch wel om wat zich ertussen bevindt. Ook daaraan kan men laten sleutelen. Op al dan niet gezette tijden een klein onderhoud kan wonderen doen. Helaas, men wantrouwt zulke wonderen. Eerder nog rijdt men zich glorieus toeterend te pletter, na een vermijdbare kortsluiting in het besturingssysteem. En roemloos spat het gefacelifte gelaat uiteen.

Dat zal ons niet gebeuren, trouwe lezer. U en ik delen hier voortaan een wekelijks klein onderhoud. Met daarin aandacht voor de zaken die ertoe doen. De hoofdzaken.

Column 663

BEKENTENIS VAN DE WEEK

Deze week heb ik, teneinde mijn moeizaam verworven en uiterst breekbaar innerlijk evenwicht te bewaren, grensoverschrijdend gedrag vertoond.

Dat gebeurde via de E314, vanuit Genk, alwaar ik enkele uren te gast was geweest bij het echtpaar Eames – u weet wel, Die Van Die Stoelen. Een uiterst aangenaam en leerrijk bezoek, jazeker, maar wel dermate uitputtend, dat ik na afloop buiten even diende te bekomen op een bankje in de zon. Daar overpeinsde ik de maniakale bezetenheid van de ontwerper in het algemeen en het brute bestaan van de mijnwerker in het bijzonder – nederig verwijderde ik mijn bouwvallig kantoorlichaam.

Niet veel later overschreed kwestieus lichaam de grens, meer bepaald tussen Meers en Elsloo, waarna het zich – inderdaad, makkelijkheidshalve in een rijdende auto – via de E25 en de A73 tot diep in het hart van Nederland waagde. Doelwit van deze vermetele onderneming: het Kröller-Müller Museum in het Nationaal Park De Hoge Veluwe.

Over dat nationaal park kunnen we kort zijn: blijf daar weg. Er is geen hol te zien en je fietst je er een liesbreuk, op die malle witte vélocipèdes met terugtraprem – al na één kilometer verlangde ik hevig naar de dood (bij gebrek aan een bezemwagen, want die mag daar niet eens komen).

Over het museum, daarentegen, raak ik niet uitverteld. Gelukkig voor u beschik ik hier maar over zo’n vierduizend tekentjes, en derhalve zal ik mij beperken tot de essentie: de beeldentuin.

Beeldentuinen zijn fantastisch. Je weet niet wat je ziet. Letterlijk, soms. Sta je daar minutenlang te staren naar iets dat het midden houdt tussen een dinosaurusei, een trapladder, woekerend korstmos en een parallellepipidum – je hersens gaan helemaal blank, even verwoed als tevergeefs graait je kop in Het Ongrijpbare Niets – en finaal geef je het op en stap je naar het naambordje, teneinde een glimp op te vangen van de geniale geest van de kunstenaar, een vonk te vinden, een vingerwijzing, een voorzetje, hoe microscopisch klein ook, maakt niet uit, gewoon íéts. En dan lees je: ‘Zonder titel’. Knetterend zijg je ter aarde.

C9OHDG4XgAQHLZF

Het kan ook ietwat prozaïscher. Zo trof ik in de beeldentuin van het Kröller-Müller deze forse horizontalistische figuur aan. ‘Schwalbe’, gokte ik meteen, als naam. Ik maakte een foto en whatsappte die voor overleg naar enkele vrienden. ‘De kotser van Rodin’, meende een kenner. ‘Waar zijn m’n lenzen?’, opperde een ander. We kwamen er niet uit, en dus raadpleegde ik ten langen leste in arren moede het naambordje: ‘Niobe, 1951’, stond er. En nog: ‘Constant Permeke (1886-1952)’. Nadat het schaamrood enigszins was weggetrokken, googelde ik zo discreet mogelijk ‘Niobe’ (voor de liefhebbers: https://nl.wikipedia.org/wiki/Niobe) en werd alles me duidelijk. Een mythologische, sterfelijke figuur die in steen veranderde, nadat haar kinderen waren vermoord om haar te straffen voor haar hoogmoedig verlangen aanbeden te willen worden, ja, natúúrlijk – hoe kon ik dat níét weten? Hoe kon ik zo dom zijn? Niobe, parate kennis, toch? (Maarre… Als die vrouw in steen veranderde, waarom heeft Permeke haar dan afgebeeld in brons? Of ben ik nu wéér dom?)

Nee, werkelijk, met titels – strikt genomen is ‘Zonder titel’ ook een titel – dient een mens uit te kijken. ’t Zijn tweesnijdende zwaarden. Ze nodigen uit en perken in. Ze verleiden en stoten af. Ze verklaren en verwarren. Vandaar dat ik in dezen, immer de lezer indachtig, steevast de eenvoud betracht. Zo heet deze aflevering van m’n Bescheiden Prachtcolumn op deweekvandevriese.wordpress.com ‘Column 663’ omdat het de 663ste column is. Zo heet m’n column ‘De week van Devriese’ omdat het een column over m’n week is en ik Devriese heet. (Plus ook wel een beetje omwille van het stafrijm light erin en het metrum ervan, bestaande uit een dubbele amfibrachys, zijnde een beklemtoonde lettergreep tussen twee onbeklemtoonde lettergrepen, zocht ik hier net even op, zielig uitslovertje dat ik ben.)

O ja: deze 663ste aflevering, trouwe lezer, is meteen ook de laatste. Ik dank u grensoverschrijdend zeer.

Column 662

BEDE VAN DE WEEK

Vergeef het mij, geachte trouwe lezer van deze Bescheiden Prachtcolumn, dat ik u deze week niet vermoei met beschouwingen over bijzaken.

Er zijn inderdaad belangrijkere kwesties te behandelen dan bekvechterij tussen een Vlaamse viceminister-president en de Belgische Staatsveiligheid, een ijzige ontmoeting tussen de opperhoofden van China en de Verenigde Staten, een truck die inrijdt op mensen in Zweden, een gifgasaanval op burgers in Syrië, een Amerikaans bombardement in datzelfde Syrië, en het alarmerend gebrek aan fitte aanvallers bij Club Brugge.

Er is, immers, het afscheid van Tom Boonen.

(Moge de echo van uw hoongelach een stille dood sterven. In de vrijdageditie van het redelijk befaamde dagblad ‘De Morgen’ richtte de persoonlijke woordvoerder van Bart De Wever een smeekbede tot de heer Boonen om, ter verheffing van het Kempische volk, nog éénmaal te gloriëren, en een andere Vlaamse krant noemde het beeld van de pittige drukte tijdens Boonens laatste persconferentie in de aanloop naar zijn laatste wielerwedstrijd “hallucinant” – Vlaamse kranten, dat is geweten, overdrijven nooit.)

Tom Boonen is een geslepen sujet. Hij startte z’n carrière in 2001, als stagiair bij het team van de Amerikaanse volksverlakker Lance Armstrong. Dat is natuurlijk geen toeval: 2001 was het jaar waarin ik met deze column begon en reken maar dat het opportunistisch parasietje in Boonen stiekem hoopte een graantje mee te pikken van het enorme instant-succes dat ik boekte – vrijwel meteen telde deze column talloze lezers, die zich van de te verwaarlozen rest van Vlaanderen onderscheidden door hun gevoel voor humor, hun ontwapenende teerhartigheid en hun voorliefde voor min of meer zinvol geschikte letterreeksen. Als ik, zo redeneerde de vileine jonge Boonen tijdens een rustdagje in de mistige Appalachen, als ik erin slaag mij te laten opmerken door die Devriese, krijg ik beslist een vermelding in zijn rubriekje en zullen dientengevolge dra heelder horden nobele Vlamingen mij aan de autochtone borst drukken, wat mijn onderhandelingspositie bij contractbesprekingen alleen maar gunstig kan beïnvloeden, zodat ik gauw een zeer platte wagen kan kopen, want van dat onnozele fietsen ga ik géén hobby maken – zerre ge zot?

Het is de heer Boonen aardig gelukt. Tegenwoordig spendeert hij z’n vrije tijd hetzij bij de tatoeëerder, hetzij in een van z’n exclusieve Porsches of in z’n Donkervoort – een auto die zó exclusief is, dat zelfs prins Laurent er geen bezit. Dat heeft hij dus mede te danken aan de vele eervolle vermeldingen in deze column. Soms richtte ik alhier zelfs een heuse brief aan hem, waarin ik hem overlaadde met goede raad en aanmoedigingen. Zo schreef ik in 2008, toen hij zich even had verloren in welhaast professioneel bedreven recreatief harddruggebruik, deze opmonterende woorden:

“U bent een held voor duizenden kereltjes. U valt aan. U versaagt niet. U trotseert. U triomfeert. U hebt een grote bobbel in uw broek. Dát zijn dingen waar kereltjes naar opkijken – met hun kleine bobbeltjes.”

En óf dat hielp, dat beeld van die bobbeltjes: niet veel later won Boonen fluks twee ritten in de Vuelta, en daarna Kuurne-Brussel-Kuurne én een derde keer Parijs-Roubaix.

Waarmee we dus bij de brandende actualiteit zijn aanbeland: Parijs-Roubaix. De ultieme klassieker. Vergeet die onnozele Milaan-Sanremo. Dat is geen koers, dat is een rode loper met twee bobbeltjes in het tapijt. Vergeet die onnozele Ronde van Lombardije. Dat is geen koers, dat is een herfstwandeling op wieltjes. Vergeet die onnozele Luik-Bastenaken-Luik. Dat is geen koers, dat is voorjaarstoerisme tussen everzwijnen. Vergeet die onnozele Ronde van Vlaanderen. Dat is geen koers, dat is een criterium in een circus. Nee, de enige afspraak voor de helden der vélocipède is Parijs-Roubaix. Daar fietsen echte mannen het lot uit het wiel, daar triomfeert de gestaalde kunstenaar.

Geachte heer Boonen, als U zondag wint, neem ik in Uw dankwoord genoegen met één enkele vermelding van mijn naam.

Column 661

VASTSTELLING VAN DE WEEK

Men heeft het niet makkelijk.

Men dient het overzicht te bewaren. Zich niet te verliezen in kortzichtigheid. Een brede kijk te hebben. Zich niet blind te staren op de uitzonderingen. Te focussen op wat verbindt. Dat weet men. Dat weet men zoals men weet dat de aarde niet zonder de zon kan. Er is geen alternatief. Men doet derhalve, binnen de beperkingen van het eigen empathisch vermogen, zijn best. Probeert te begrijpen. Begrijpt het niet. Probeert te aanvaarden. Aanvaardt het niet.

’t Is niet dat men niet wil. Men is lang de kwaadste niet. Al zegt men het zelf. Maar makkelijk, nee, dat heeft men het niet.

Men verneemt dat er een politiek akkoord is over het onverdoofd slachten – dat dat nu maar eens gedaan moet zijn, met die foute praktijken, voor feesten van geïmporteerde religies. Men knikt instemmend, doch nog voor men klaar is met knikken verneemt men dat de geïmporteerde religies dat akkoord luidkeels verwerpen. Ziedaar, zegt men bitter bij zichzelf, ziedaar wat ervan komt, van onze gastvrijheid. De volgende dag verneemt men dat er in de hoofdstad onder aanhangers van een geïmporteerde religie vechtpartijen tussen voor- en tegenstanders van een kwaadaardig staatshoofd zijn uitgebroken. Aanschouw, zo bromt men mistroostig, aanschouw de vooruitgang.

Doch, bitter en mistroostig als men is, men zwijgt. Men buigt het hoofd en zwijgt. Zwijgend staart men naar de overkant van de rivier, waar de geïmporteerde religies schouder aan schouder staan, de armen voor de borst gekruist, de blik strak voor zich uit gericht. Men slaat de ogen neer en ziet vanuit een ooghoek de balken liggen waarmee men naar verluidt een brug dient te bouwen. Men schopt er eens tegen en wandelt weg.

 

BEKENTENIS VAN DE WEEK

Bijna was u aan deze aflevering van m’n Bescheiden Prachtcolumn ontsnapt.

Dat zat zo.

Vrijdagochtend meldde ik mij vroeger dan anders aan mijn schrijftafel teneinde alweer een kleine vierduizend tekens op min of meer zinvolle wijze bijeen te schikken. Niet omdat ik plots een aanval van bovenmatige gretigheid had gekregen, wel doordat de bouwvakkers in de straat al omstreeks kwart voor acht waren begonnen aan een uitvoering van het gevreesde Concerto voor Slijpschijf en Werfradio. Nog enigszins verfrommeld legde ik een baxter koffie aan en boog me korzelig over het schermpje van de laptop. Grmbl. Toch maar eerst even, om me op te monteren, een blik werpen op het wereldnieuws.

Amper had ik m’n Twitteraccount geopend, of reeds viel mijn oog op ‘#voorderonde’, een hashtag die bleek te verwijzen naar een marathonuitzending op het befaamde tv-kanaal Canvas, waarin de weinig aerodynamisch gecoiffeerde sportjournalist Ruben Van Gucht de hele Ronde van Vlaanderen zou fietsen. Ik snoof minachtend. Is er dezer dagen nog niet genoeg wielergekte? We worden al weken, wat zeg ik, maanden om de oren geslagen met de nakende laatste kilometers van de vélocipède-atleet Tom Boonen en de verbazingwekkende triomfen van Greg Van Avermaet, tien jaar geleden pas 63ste op het wereldkampioenschap in Stuttgart, de knoeier. En nu gebruikt de VRT onze belastingen voor een urenlange rechtstreekse uitzending van een niet-koers? Wat een malligheid. Dáár ga ik nu eens een vlijmscherp stukje over schrijven, zie, nam ik mij giftig voor, en zette met een boze duim de televisie aan, teneinde het beschamende resultaat van deze schandelijke spilzucht in hoogsteigen persoon te aanschouwen. Vijf minuutjes, dat moet volstaan voor die rommel.

Een fatale vergissing.

Urenlang heb ik in m’n zetel gelegen, genietend van de pretentieloze, onderhoudende manier waarop Chris Van den Abeele en z’n gasten commentaar en achtergrondverhalen leverden bij beelden die op een vreemde manier dan toch hun weg wisten te vinden naar het kleine wielerventje in mij, het ventje dat op z’n fietsje rondjes rond het huis reed en de denkbeeldige tegenstand telkens weer genadeloos aftroefde.

En plots was het heel laat en moest ik nog gauw een column verzinnen en dat is eraan te zien.

Column 660

VRAAG VAN DE WEEK

Hebt u ze bekeken, die beelden van dat slachthuis in Tielt?

Ik niet. Zo’n wegkijker ben ik wel. Ik weet dat vlees afkomstig is van dieren, ik weet dat ze daartoe worden gedood, ik weet dat zulks niet altijd even zachtzinnig geschiedt – trouwe lezers van deze Bescheiden Prachtcolumn zullen zich moeiteloos herinneren dat ik meer dan eens heb geschreven over het amechtig gekrijs van het varken dat bij zonsondergang op de binnenkoer van de boerenhofstee de kop werd ingeslagen; het gekrijs scheurde de schier gewijde stilte waarin ik m’n Latijnse woordjes uit het hoofd zat te leren aan flarden. Mortuus porcus, habemus koteletten.

Koteletten zijn lekker. Let wel: niet zo’n slap lapje dat in supermarkten in watercultuur op isomoschaaltjes wordt gekweekt, maar een flinke knoert, ruim duimdik, met een stevig stuk bot eraan, door de slager met één machtige klap van de streng gescheiden, in hoeveboter gebakken, eerst enkele minuten op een hoog vuur, daarna op een zacht pitje rustig verder gegaard – ja, daar kan ik naar kijken. Maar niet te lang, want anders verknal je zo’n kotelet, en daarvoor is het varken niet gestorven.

Ik heb het ooit geprobeerd, de vleesloosheid. Om de verkeerde reden – een vrouw – en in de verkeerde omgeving: te midden van vele overtuigde vleeslozen. Diepe tristesse werd mijn deel. Daar waar uit eten gaan tevoren een hoogmis van smakelijkheid en gezelligheid was geweest, werd het plots een uitvaartdienst: waar ik ook keek, ik zag louter lieden die in bedrukt stilzwijgen een wortel tot zich namen en deze bedachtzaam wegkauwden. Daarna bogen zij zich een weinig naar elkander toe en prevelden enige zuinige woorden. De laatste keer dat ik mij in die treurnistempel heb gewaagd, werd ik betrapt op een glimlach en staarde iedereen mij verbijsterd aan: eten was ernst en niet gediend van zoveel schaamteloze lichtzinnigheid. Bij het naar buiten stappen negeerde ik het tafeltje met flyers voor macramélessen en holistische workshops.

Nee, ook daar kon ik niet naar kijken.

 

BEKENTENIS VAN DE WEEK

De officiële herdenking van de aanslagen in Brussel is aan mij voorbijgegaan.

Dat was niet uit desinteresse. Integendeel. Ik heb zo’n beetje m’n eigen herdenkingetje gehouden. Aan zee. Samen met zij die op 22 maart van vorig jaar ’s ochtends vroeg in Brussel moest zijn. (Waar precies en hoe – metro? welke metro? –, dat was me ontgaan. Bange, lange, lange minuten – een uur roken en koffie en bloedruis en onmacht.)

Er staat een pittig briesje, maar dat deert ons niet want wij lopen lekker in de zon en het gras onder onze voeten is mals. De hemel is strak helderblauw en de ziltheid van de zee vlakbij danst in onze neus. Monter kwebbelend houden we er flink de pas in. Ik heb een stok die ik van haar geen stok mag noemen en we stappen naar een bunker die ik van haar geen bunker mag noemen, want die bunker heet ‘driving range’ en de stok heet ‘club’, en een ‘bunker’ is hier een put vol zand. Ik moet nog veel leren.

Dat blijkt ook in de driving range. We slaan een halfuurtje ballen: ik als een gek, zij als iemand naast een gek. Haar lukt het prima, ik raak er drie goed. Naeen. Even overweeg ik een ereronde, doch ik ben te uitgeput en m’n arm doet pijn, waardoor ik niet zou kunnen wuiven, naar bovendien niemand, dus laat maar. Plus: hier hoort men een heer van stand te zijn. Geen flurk.

Dan is het tijd voor wat simpeler werk – zo meen ik: balletjes in gaatjes slaan. Minigolf dat ik van haar geen minigolf mag noemen omdat het ‘putten’ heet. Wedstrijdje, maar we gaan niet tellen, zegt ze ridderlijk. Mooi zo, want anders raak ik als kluns meteen ontmoedigd. Bij het derde gaatje – dat ik geen gaatje mag noemen, omdat het ‘hole’ heet – test ik even: ze heeft stiekem geteld. (Ik ook.)

We wandelen terug, slaan de cafetaria – pardon, ‘club house’ – over en rijden naar huis. Dat was mooi. Ik zet de autoradio op. Nieuwsflash. Aanslag in Londen.

Je kunt niet altijd wegkijken.

Column 659

CITAAT VAN DE WEEK

“Een vrouw kan prachtig zijn, maar een mooie paling is ook bijzonder.”

Aldus sprak, in een reportage deze week in het befaamde dagblad ‘De Morgen’, Jan Smit uit Volendam. Jan is, in tegenstelling tot wat u denkt, geen modellenscout. Jan is palingroker. (In Volendam is iedereen palingroker. Of muzikant – u kent ongetwijfeld The Cats, en BZN, en Jan Smit. (In Volendam heet iedereen Jan Smit.))

Men kan over dit citaat redetwisten. Men kan het denigrerend vinden dat een vrouw in haar esthetische verschijningsvorm wordt vergeleken met een paling. Doch dan gaat men voorbij aan de ziel van de Volendammer. En daar was het de reportage(reeks) om te doen: peilen naar de ware aard, de ware gemoedsgesteldheid van de Nederlanders, in aanloop naar de verkiezingen van afgelopen woensdag. Want laten we wel wezen: je leest zulks niet af aan de kreten die politici in de ether dan wel op Twitter gooien. Dat zijn ingestudeerde – ik schreef bijna: doordachte – dingetjes. Effectbejag, ingegeven door de roes genaamd peilingen. Voor de junkie die de politicus is zijn peilingen het shot, en verkiezingsresultaten de cold turkey. Keihard afkicken, terug naar de realiteit.

Die realiteit is in Nederland dat Mark Rutte straks, behoudens schielijk overlijden zijnerzijds, opnieuw zichzelf mag opvolgen. En dus lezen we dezer dagen ten derde male verhalen over de aan slaapverwekkendheid grenzende gewoonheid van deze liberale excellentie. Hij heeft geen wijngaarden, geen olijfboomgaarden en geen seksleven. Hooguit speelt hij weleens een stukje piano, doorgaans in de beslotenheid zijner privévertrekken, een enkele keer in het openbaar – iets van Schubert, veel gekker moet het niet worden. Geeuw.

En dan lees je, op vrijdag in deze krant, plots dit: “Ik zou Mark Rutte wel een podiumbeest durven noemen.”

Huh? Podiumbeest? Hebben we met z’n allen de Herman Brood in Mark Rutte over het hoofd gezien? Heeft Mark het bekken van Elvis, de bek van Jagger, het kruis van Iggy, great balls of fire?

Je leest verder: het blijkt een citaat van Geert Bourgeois. De man wiens idee van rock-’n-roll een boterham met stiekem twéé plakjes kaas is. De man wiens podiumact zich beperkt tot speechen zonder stropdas. Je herademt. Het was ongetwijfeld maar om te lachen. Die dekselse Geert.

Die andere dekselse Geert schuift straks mee aan tafel, daar in Nederland, wanneer Mark Rutte de pionnen schikt. Hij zit in de hoofden. In alle hoofden. Her en der lees je daaromtrent bezorgde commentaren, vingertjes omhoog. Ruk naar rechts en zo, en foei. Dat snap ik niet. Mij lijkt het net heel gezond, dat zo’n Wilders in de hoofden gaat zitten. Je wil aan die tafel toch wakkere hoofden, en geen sufkoppen die smoren in eigen lof? Traag garen is voor palingen.

 

WOORD VAN DE WEEK

Woonstschennis.

Het is een gruwelijk woord. Van een lelijkheid die het woord ‘lelijk’ laat schitteren van schoonheid. Het is, zoals zoveel gruwelijke woorden, tevens een woord dat men weleens aantreft in juridisch-politioneel jargon. Daaruit spreekt vaak een armoede van denken, nauwelijks gecamoufleerd. Woorden, termen uit de tijd van pakweg Napoleon, die bij gebrek aan juridische lenigheid nog immer stram en strak in de houding pal staan en derhalve welhaast veroordeeld zijn om telkens weer de realiteit houterig achterna te hollen en nooit bij te benen.

Woonstschennis. Men ziet een weerloze voordeur waarop onverlaten zich hebben uitgeleefd met hamer en beitel en wie weet een handig huis-, tuin- en keukenkoevoetje. Een kind begrijpt: hier is iets niet in de haak – wellicht heel even de voordeur zelve. Een kind begrijpt: wie dit heeft gedaan, had van die deur de sleutel niet. Een kind begrijpt: wie de sleutel niet heeft, hoort daar niet thuis. Een kind is slimmer dan de wet.

Surrealisme hoort een kunststroming te zijn, geen samenlevingsvorm – zelfs niet om aldus zwervend volk beter te kunnen monitoren, zoals enkele bevlogen lieden opperden. De wetgever die dat niet inziet, bekent z’n eigen moreel failliet.