Skip to content

Warmte

‘Iemand zou eens een reportagereeks moeten schrijven over die mannen’, bedenk ik, terwijl ik ten afscheid mijn delicaat kantoorhandje in een kolenschop schuif en zo krachtig mogelijk knijp zonder dat het lijkt alsof ik knijp, want dat ware pas écht belachelijk. ‘Die hebben verhalen. Die komen overal. Die zien dingen die niemand anders te zien krijgt. Misselijkmakende rijkdom en wraakroepende armoede. Schone schijn en sluwe soberheid. Ruzies over een keukenstoel, tranen om een grasspriet. Wat een job.’ 

De eigenaar van de kolenschop, die even tevoren nog achteloos had gejongleerd met een volwassen wandkast, knikt vriendelijk en zet z’n lege minibierflesje omzichtig op tafel – op een stuk krantenpapier, natuurlijk, want hij weet uit ervaring hoezeer mensen gehecht kunnen zijn aan een waardeloos meubel. Dan stapt hij met z’n collega’s de deur uit, op weg naar alweer een nieuw beklijvend hoofdstuk in het boek ‘Verhalen van Verhuizers’.

Nu is het aan ons. We hebben tot dusver vooral gewezen en geknikt en gedrenteld en betekenisvol uit het raam gestaard, terwijl de echte mannen het werk deden. Maar nu is er geen ontkomen meer aan: de dozen moeten leeg, de kasten moeten vol. Wat wekenlang is voorbereid, mag nu niet eindigen in chaos. Als we hier straks buitenstappen, willen we toch minstens de illusie van een thuis achterlaten, de mogelijkheid van een leven. Een almaar kleiner wordend leven, ja, met almaar minder grootsheid en almaar meer mist, maar toch: een leven. Waarin de dagen eeuwen lijken en de jaren dagen, ja, maar beter hebben we niet te bieden. We zijn geen tovenaars. We zijn slechts zonen. 

Enkele uren later zitten we in z’n nieuwe woonkamer. Hij zegt: ‘Er is meer plaats dan ik dacht.’ We knikken bemoedigend en wijzen op het licht van de late zon. Je zou zelfs nog even op je terrasje kunnen gaan zitten, opperen we, met een pullover aan, het is nog zacht, buiten. Nee, zegt hij, en sluit de verandadeur. Dat is niet vanwaar de warmte zal komen. Als ze ooit nog komt. Wie na vijftig jaar z’n zelfgebouwde huis verlaat, verlaat de warmte. En eindigt altijd in de kou.

 

(De bijzaak)

De Dag van de Jeugdbeweging werd gisteren her en der in alle vroegte gevierd met een ochtendfuif, zo meldden twee vrienden van me. De ene was het haasje en moest z’n dochter om zeven uur aan de ingang deponeren, de andere had iets meer geluk: hij mocht lekker in bed blijven liggen, want zijn dochter was al om kwart over zes in haar eentje vertrokken. Die wou ongetwijfeld eerst nog even stevig inpilsen.

Advertisements

Vergetelheid

Er zijn maar weinig dingen waarin we allemaal specialist zijn. Voetbal is daar één van. En koers. En andermans gebreken. En Nobelprijzen. Derhalve worden wij telkenjare in de week van de bekendmaking van de laureaten bevangen door een welhaast mondiale meningenkoorts. 

Er zijn, zoals wij specialisten natuurlijk weten, twee soorten Nobelprijzen. Enerzijds de Nobelprijzen waarvan wij niks snappen: natuurkunde, scheikunde en fysiologie. In die gevallen dienen wij, teneinde als specialist niet door de mand te vallen, de persberichten daarover minstens driemaal te lezen, en vervolgens even te gaan liggen omdat wij danig duizelen. Waarna wij onze mening fijntjes beperken tot een op kennerstoon uitgesproken ‘Stráf!’ (Let wel, er bestaan mensen die ook daadwerkelijk begrijpen wat ze lezen, maar dat zijn geen specialisten; dat zijn vakidioten.) 

Van de overige twee Nobelprijzen snappen wij alles. Literatuur is immers gewoon een duur woord voor boekjes, en vrede is gewoon een rustpauze tussen twee oorlogen. Daar is dus niks moeilijks aan. Wint een Oeigoer de Nobelprijs voor literatuur, dan snappen wij dat meteen. Oeigoeren lezen ook boekjes en zo’n prijs is leuk voor die brave mensen, die het voorts ongetwijfeld niet zo gezellig hebben, daar in Oeigoerië. Hooguit vragen wij ons dan af wanneer het eens aan ons is om in de prijzen te vallen, want wij hebben toch Sandra Bekkari?

De Nobelprijs voor de vrede ligt wat moeilijker. Zeker, wij snappen er allemaal alles van, maar wij hebben natuurlijk ook allemaal onze eigen favoriete vrede, en dan krijg je dus ruzie. Dan schieten de meningen als kernraketten over en weer. De ene specialist roept ‘Trump!’, de andere snauwt ‘Greta!’, een derde schreeuwt ‘Abiy Ahmed!’ – waarop de eerste twee, ietwat uit hun rol als specialist vallend, die derde stomverbaasd aankijken en vragen: ‘Abiy wie? Is dat een Oeigoer?’

Het zorgwekkendste aan de Nobelprijswinnaars is dat ze vrijwel allemaal gedoemd zijn tot de vergetelheid. Wij specialisten zijn grillige minnaars met een slecht geheugen en een onverzadigbare drang naar vrijblijvend vermaak. 

 

(De bijzaak)

Als wij ons neefje van tien verslaan, dan houden we ons bij het juichen in. Je wil niet al te opzichtig de lul lijken die je volgens het neefje wellicht bent. Maar een beetje hypocriet is het wel. Net daarom was het zo mooi, zoals Romelu Lukaku juichte, bij z’n goals tegen San Marino. Je zag oprechte blijdschap. Je werd er zelf een beetje blij van. We doen het te weinig, juichen alsof we tien zijn.

Canon

Mensen, laten we de focus niet verliezen. Laten we bijkomstigheden de plaats geven die ze verdienen: als voetnoot in jaaroverzichten. Laten we, integendeel, de essentie vatten en haar de aandacht schenken die haar toekomt: als hoofdmoot in bescheiden prachtcolumns. 

Dus nee, we gaan het hier niet hebben over de nachtelijke vermeende heroïek van de onderhandelaars van het Vlaams regeerakkoord. Al evenmin over het schimmenspel rond de beschikbaarheid van begrotingscijfers. En zeer zeker niet over de potsierlijke taferelen in het daaropvolgende debat in het Vlaams Parlement. Dat zijn voetnoten, voer voor lieden die hun identiteit ontlenen aan selectieve verontwaardiging. We moeten het hier hebben over het Belgisch kampioenschap Broodpudding, dat dit weekend in De Panne wordt georganiseerd. 

Men kan het belang van broodpudding niet overschatten. Broodpudding hoort in de Vlaamse canon te staan. Iedere Vlaming kent broodpudding. (En wie broodpudding niet kent, is geen Vlaming.) Broodpudding was er al lang voor wij er waren en zal er nog zijn lang nadat wij opnieuw datgene zijn geworden wat we waren voor we er waren: niets. 

Broodpudding is niet niets. Integendeel. Broodpudding is soms alles: jij die als kind toekijkt hoe je mama oud brood omtovert in het lekkerste wat er bestaat op een natte, kille woensdagmiddag – je hebt net met je veel te enthousiaste broertje een uur lang in de tuin staan lummelen en zuchten tot je weer naar binnen mocht en binnen is het lekker warm en mama zingt halvelings mee met iets op de radio en de hond trippelt enthousiast heen en weer in de keuken en je huiswerk is al lang klaar en straks is er een fijn programma op tv en misschien mag je wel kijken. Maar eerst broodpudding. En je hebt dubbelplus geluk, want het zijn van die platte kleintjes, die mama in de pan bakt tot ze een hele stapel heeft en die stapel vertelt je dat er zaterdag nog broodpudding zal zijn en nu al verlang je gloeiend naar zaterdag. (En je weet nog niet eens dat je ooit een column zult schrijven waarin een wereldrecord wordt gevestigd qua gebruik van het woord broodpudding.)

 

(De bijzaak)

Van deze kleine ruimte maak ik graag gebruik om mijn oprechte dank uit te spreken aan het Waasland Shopping Center, dat heeft laten weten dat het glimlachcoaches zal inschakelen. Ik neem mij voor om in dat hele Waasland Shopping Center nooit een voet binnen te zetten. En mocht ik daar alsnog geheel abusievelijk belanden: kijk maar uit, beste glimlachgecoachte medewerkers, of ik glimlach eens terug.

Inzicht

Schrik niet, trouwe lezer van deze bescheiden prachtcolumn: vandaag breng ik hulde. Welgemeend en onversneden. (Al valt een misplaatste snaakse kwinkslag helaas niet uit te sluiten, ik ken mij.) 

Aanleiding voor de huldeblijk is een interview met Peter Adriaenssens, in de vrijdageditie van de redelijk befaamde krant ‘De Morgen’. De kinderpsychiater gaat met emeritaat en blikt tijdens het vraaggesprek terug, vooruit en in eigen hart. Toen ik het interview las, overviel mij de vaststelling dat ik de woorden van de heer Adriaenssens meende te horen. Alsof hij ze hardop uitsprak, in mijn aanwezigheid. 

Dat heeft niet zozeer te maken met een ernstige psychopathologische aandoening mijnerzijds, maar veeleer met de manier waarop de kinderpsychiater het spreken beoefent. Rustig, weldoordacht, helder, overzichtelijk. Dit alles met een stem die zowel qua klankkleur als qua tongval meer mensen behaagt dan irriteert. Telkens als de heer Adriaenssens in een radio- of tv-programma te gast is geweest, kan ik mij iets beter met het bestaan verzoenen: ik ben wat minder dwaas en ongedurig geworden. 

Dat is niet niks. Er is een overaanbod aan lieden die uitblinken in het slaken van vurige loze kreten of in het tactisch stamelen van wartaal; zij vervuilen de ether en onze geesten. Sprekers als de heer Adriaenssens zijn dun gezaaid; zij bieden inzicht en troost, en somtijds daaruit voortvloeiende gemoedsrust. In diezelfde categorie situeer ik Dirk De Wachter en – voor u gaat roepen: nóg een psychiater, ’t zijn allemaal dezelfde, die geslepen dure mooipraters! – Jan Tytgat, de toxicoloog die ons doet vergeten dat we op de middelbare school de leerkracht chemie bejegenden met iets tussen afkeer en moordlust. 

Teneinde de hoeveelheid afkeer en moordlust in onze geesten tot het strikte minimum te beperken, is het belangrijk dat de heer Adriaenssens zijn emeritaat niet aangrijpt om weg te sluipen uit het publieke debat en ons derhalve verweesd achter te laten. Zeker, hij mag zich wat vermeien in z’n grootvaderschap, maar zijn stem moet hoorbaar blijven – hij spreekt namens de weerlozen. 

 

(De bijzaak)

“We passen ons snel aan. We zijn van het sterrenbeeld Kameleon.” Aldus sprak wielercommentator José De Cauwer, toen bleek dat hij en collega Renaat Schotte ietwat voorbarig jubelend Remco Evenepoel kansen op de wereldtitel tijdrijden hadden toegedicht. Grappig en poëtisch, vond ik dat, en bij uitbreiding zelfs universeel juist. We zijn allemaal van het sterrenbeeld Kameleon: sterrenstof met kapsones.

Voor de grap

Ik ben verkleed als Maria Magdalena en beween hartverscheurend het lot van Jezus Christus, die aan het kruis genageld is. Nu, het is niet echt Jezus Christus, maar een vriend die als Jezus Christus verkleed is, en hij is niet echt aan het kruis genageld, want we hebben hem nog nodig in de volgende, laatste scène. Daarin is hij net verrezen, een onverwachte gebeurtenis die Jezus Christus en Maria Magdalena uitgelaten vieren met confetti en een polonaise door de zaal. Die eindigt op het podium, met een dansje waarin Maria Magdalena tijdens een zeer matig uitgevoerde breakdance back spin de zaal finaal een even royale als onbedoelde blik gunt op haar onderbroek. Mijn onderbroek, dus. 

U weet niet of dit echt gebeurd is. Er bestaan geen beelden van. Dat is te danken aan de artistiek aangelegde jongeman die het twaalf minuten durende spektakel – een oneerbiedige samenvatting van de rockopera ‘Jesus Christ Superstar’ – met z’n splinternieuwe, peperdure videocamera zou vereeuwigen. Daar hij echter even tevoren zijn geest een beetje heeft verruimd, duwt hij bij aanvang op stop en na afloop op start, waardoor van kwestieuze historische performance slechts opnames van een leeg podium bewaard zijn gebleven. 

Er bestaan ook geen foto’s van. In de jaren tachtig van de vorige eeuw waren er nog geen smartphones – wij communiceerden in die tijd gewoon via telepathie – en alleen een gek nam een fototoestel mee naar een feestje: we waren te jong voor blijvende herinneringen, toch? 

Mooi niet, dus. De herinnering is gebleven en vreet thans aan me. Oké, ’t is vijfendertig jaar geleden en het was voor de grap, maar maakt dat het minder erg? Hoor ik mij niet diep te schamen voor m’n verkleedpartijtje? Heb ik niet in één klap alle vrouwen en alle christenen ter wereld grof beledigd? Moet ik niet in alle ootmoed publiekelijk mijn oprechte verontschuldigingen aanbieden? Kan ik überhaupt nog aanblijven als columnist?

Ik ben Justin Trudeau niet. Maar tegelijk ook wel. Net als u. Ons leven is een aaneenschakeling van beschamende achteloosheid. Gelukkig wijzen de onfeilbaren ons terecht.

 

(De bijzaak)

Toen hij namens de PS schepen van Charleroi was, heeft Claude Despiegeleer 2,3 miljoen euro uit de stadskas verdonkeremaand. Bij wijze van boetedoening moest hij eerst 476 jaar lang 400 euro per maand terugbetalen, voortaan nog slechts 106 jaar lang 1.800 euro per maand. De heer Despiegeleer is nu 72 en moet dus 178 jaar worden om zijn schuld te vereffenen. We rekenen op u, beste farma-industrie.  

Oorveegkunst

September is telkenjare een zeer geschikte maand om opvoedkundige principes onder de loep te nemen. Retrospectief overschouwt men juli en augustus, een periode waarin men vrijwel doorlopend en van veel nabijer met de voortbrengselen van het eigen broekloos vertier werd geconfronteerd; niet zelden slaakt men derhalve in september een zucht van verlossing, want men was in de aan de zomer voorafgaande maanden gelukkigerwijs vrijwel vergeten wat voor een jengelend dan wel lamlendig zootje ongeregeld men heeft verwekt, aangezien kwestieus zootje dan z’n dagen min of meer wakend en uit z’n neus etend doorbracht op school. 

Tegelijk is september de maand waarin het nageslacht iedere dag oogrollend van school thuiskomt met verhalen over de nazipraktijken van nieuwe leerkrachten. Dat die beul van wiskunde zowaar al meteen een toets had gegeven – onaangekondigd! Dat die trut van lichamelijke opvoeding tijdens de les smartphones verbiedt! Dat meester Toon op de speelplaats een kindje bij het armpje had vastgepakt en dat dat kindje begon te wenen en daarna weenden alle kindjes. Obersturmbannführer Toon. 

Voed de opvoeders op. 

Die teneur sprak ook uit de mening van experts nadat de redelijk befaamde tv-presentator Thomas Vanderveken zijn verontwaardiging had getweet over een vader die in een parkje z’n kind “ruw tegen de grond mepte”. En wat blijkt? In België is de zogeheten pedagogische tik nog altijd niet verboden. Enthousiaste beoefenaars van de oorveegkunst (voor optimaal klankeffect een brede forehand met de binnenkant van de hand, voor maximale pijn een korte backhand met de beringde knokkels) vragen hier ongetwijfeld asiel aan. 

Zulke lieden verdienen slechts ons misprijzen. Wat zij afleveren, is knoeiwerk. Wie het kind waarlijk wil raken, onthoudt het elke vorm van affectie. Men verschaft het kind bed en brood, maar negeert het voorts volkomen. Geen knuffel, geen kus, geen praatje. Wat het voelt, waarom het huilt, wanneer het juicht: desinteresse is z’n deel. De gloed van een klap verglijdt, de kilte snijdt voor altijd. Niemandsland tussen geweten en wet.

 

(De bijzaak)

Ze leert schrijven. En dat wou ze opa wel even laten zien. Monter kwam ze naast me zitten met potlood en papier en vroeg welwillend: ‘Welke letter eerst? De moeilijkste of de gemakkelijkste?’ ‘De moeilijkste, natuurlijk’, antwoordde ik constructief. Even later had ze tien parmantige k’s klaar. Gloeiend van trots deelde ik het filmpje. Het antwoord kwam snel: “Ze zal rap ‘kaka’ kunnen schrijven.”

Plus

Uw zomer was, naar jaarlijkse gewoonte, ongetwijfeld een aaneenschakeling van culinaire en erotische hoogstandjes, slechts onderbroken door de discrete mededeling dat u de enige winnaar was van EuroMillions. Zo’n zomer is u zeer gegund, want de overige tien maanden van het jaar moet u op een houtje en uw tanden bijten en wordt u bestolen door de overheid en miljoenen rare mutsjes dragende Afrikaanse Chinezen die niet eens Vlaams spreken.

Mijn zomer was, bij hoge uitzondering, iets minder wellustig en lucratief. Gelukkig heb ik een afwijking die in zulke gevallen enige vertroostende vergetelheid biedt: ik strompel al eens graag een museum binnen. Aldaar verlies ik mij dan volgaarne in onthechte aanschouwing en droefgeestig gemijmer, twee bezigheden die bovendien wonderwel passen bij mijn aangeboren gelaatsuitdrukking. 

Zo begaf ik mij donderdag naar het Gruuthusemuseum. Enerzijds omdat het zich op strompelafstand van mijn eenvoudige werkmanswoonst bevindt, anderzijds omdat ik er als inwoner van Brugge gratis binnen mag, een budgettaire oefening die mij het prettige vooruitzicht bood op vier glazen bier die ik ’s anderendaags in een gunstig verscholen tapperij zou consumeren na het schrijven van deze column. Helemaal warm werd ik van de vaststelling dat het Gruuthusemuseum, in weerwil van vijf jaar restauratie en verbouwingen, nog altijd waarlijk een museum bleek, in de onbestemde ouderwetse betekenis van het woord, zoals zich dat in mijn mediorenhoofd heeft genesteld. Zeker, ik hou van glas en staal en strak en licht, maar in mijn museum mag er al eens een plankenvloertje vervaarlijk kraken en waag ik mij gaarne via uitgesleten treden naar een belendend vertrek. Een beetje muf mag ook. Dat je even aan zo’n wandtapijt snuffelt en de geur opsnuift van vijftiende-eeuws angstzweet voor het Immer Toornige Opperwezen: het ware genot. 

Enkele uurtjes later stapte ik geheel verkwikt naar buiten, op het binnenplein dat spaarzaam met vreemdelingen uit Hispanië en de Nieuwe Wereld was bestrooid. Vol vertrouwen verwelkomde ik het nakende najaar, prevelend: ‘Plus est en vous.’

 

(De bijzaak)

In de Indiase stad Guntur, zo las ik gisteren in de nieuwsrubriek ‘De Gebroken Klomp’, is deze week de 74-jarige Mangayamma bevallen van een tweeling. Ik wens hierbij mijn oprechte felicitaties over te maken aan de kersverse wereldrecordhoudster en hoop dat deze prestatie alle vrouwen ter wereld zal inspireren om beter te doen. Nog een béétje meer vooruitgang, en we babysitten voor onze groottante.