Skip to content

Bedevaart

Ik heb makkelijk praten. Ik ben een kind van de kust. Heb er jaren gewoond, ben er jaren heen gefietst, kom er al jaren zomaar. Wanneer het me uitkomt. Dan strompel ik contemplatief over stranden, weersta op dijken heldhaftig stormen, vlij mij kommerloos neder in de windluwe armen der duinen. Ik hoef geen schelp tegen mijn oor – ik sluit de ogen en hoor de zee. Toon mij een zandkorrel en ik toon u mijn DNA. 

En daarom mijd ik dezer dagen de kust. De ware schoonheid van dit litorale lapje land openbaart zich immers pas in haar desolaatheid. Wanneer de mens slechts een stipje is, vervaarlijk schaverdijnend op gindse golfbreker. Wat zoekt hij daar? Een wilde mossel? Is het waarlijk de honger die hem drijft? Of slechts de overmoed? Waant hij zich een David Attenborough voor inheems gebruik? Even overweeg je om hem ‘Laat dat, ongelukkige!’ toe te schreeuwen, maar dan bedenk je bijtijds dat zulks zinloos is omdat de wind verkeerd staat. Je wendt het hoofd, je blik dwaalt over de einder, je loopt leeg in de zoet deinende cadans der schuimkopjes. De wolken wijken, de zon strooit glinstering. Zuivering.

U, daarentegen, u uit het barre binnenland, u mijdt dezer dagen de kust duidelijk niet. U spoedt zich monter de files in, verlekkerd op stapvoets verkeer, van Bertem tot Bredene, van Kasterlee tot Knokke, en terug. U gooit zich vol doodsverachting in extra ingelegde treinen met vertraging wegens onvoorziene omstandigheden en mooie staanplaatsen. Uw christelijke inborst bromt: toe maar, een héél klein beetje lijdensweg, zoals weleer de Heer. Uw kroost mekkert, uw portemonnee kreunt. U glimlacht wrang, u houdt van tradities. Zo deed u het als kind, met vader en moeder en broer en zus en die iets te bouwvallige oma. Zo doet u het nu. Zolang de zee niet tot ons komt, trekken wij naar haar. Bedevaart der heidenen. 

Wij kinderen van de kust, wij kijken het verbouwereerd aan, die massale zoektocht naar het onvindbare. Mensen toch, zo prevelen wij hoofdschuddend, doe zoals wij: blijf thuis. Ga in uw dorp op de stoep zitten, met een glas bier en een portie verfrissende gemoedsrust.

Advertisements

Safari

Geen idee waarmee de chauffeur van de kleine witte driedeurs z’n auto had gewassen. Maar de giraf vond het blijkbaar lekker. Zo lekker, dat hij zich wijdpoots half over het karretje heen had gebogen en gestaag voorruit en dak aflebberde. De chauffeur kon dat maar beter leuk vinden, want een uitweg was er niet: vlak voor hem stond dus een opdringerige torenkraan, vlak achter hem een rij van vijf auto’s. 

In die vijfde zaten wij. Per vergissing. (Dat zeg ik er gauw even bij, want het is natuurlijk ongelofelijk fout, in je wagen door een park tuffen om er dieren in gevangenschap te aanschouwen. Ze noemen het daar juichend ‘autosafari’, maar eigenlijk bedoelen ze ‘beschamende tamzakkerij’.) Een momentje van verstrooidheid, dat was het geweest, bij de boeking van ons hotel. Dus hadden we vol zelfspot ‘haha en tja en vooruit maar’ gemompeld, en bij wijze van voorafgaande boetedoening een dag eerder vijftienduizend stappen gewandeld. In de kou. Waardoor we nu dus met politiek correcte stramme poten in de vijfde auto zaten.

Gelukkig was er geen zesde. Ik reed een eindje achteruit en dokkerde behoedzaam langs het rijtje, op naar verdere avonturen en graag zo stilaan eens een toilet. Negen ringstaartmaki’s, acht kamelen, zeven edelherten, zes neushoorns, vijf leeuwen, vier struisvogels, drie Californische zeeleeuwen, twee luipaarden en één lippenbeer later vonden we eindelijk sanitaire verlossing. Waarna we maar net ontsnapten aan een aanstormende horde krijsende kindjes en dra opgelucht en monter naar huis snorden. Ha! Leuke foute dag, toch? Wat kon er ons nog gebeuren?

Dat we dood hadden kunnen zijn, bijvoorbeeld, toen op de E40 een hufter ons met honderdvijftig per uur vanop het tweede rijvak rechts inhaalde en maar nét de plots vertragende auto voor hem kon ontwijken, waardoor ik redelijk in de remmen moest. Vrijwel meteen schoot, als uit het niets, een anonieme politiewagen tevoorschijn, die de idioot enkele honderden meters verder te pakken had. Ik glimlachte genadeloos. Hopelijk veroordeelt de rechter hem tot een jaar autosafari. Met aflebberende giraf. Zonder auto.

Acteurs

“Bekentenis: ik praat niet altijd zo raar. Dat doe ik alleen voor m’n werk. En m’n werk is nu eenmaal acteren. Laten geloven dat je iemand anders bent. Daarvoor gebruik je trucjes. Dat doen alle acteurs. Of dacht u soms dat Marlon Brando thuis met proppen katoen in z’n mond liep te mompelen? Dan duurde het ongetwijfeld een halfuur eer z’n tafelgenoten doorhadden dat hij eigenlijk zei: ‘Geef de appelmoes eens door’, en tegen die tijd was de appelmoes koud, en z’n kip en kroketten ook, dus Marlon zou wel gek zijn geweest als hij dat had gedaan, want hij hield niet van koude kroketten. 

Dat ik zoiets weet, komt doordat ik research doe. Dat doen alle acteurs. Of dacht u soms dat Meryl Streep op de eerste draaidag als een onbeschreven blad naar de set dwarrelt en daar ter plekke zo’n weergaloos Pools accent verzint? Mooi niet. Meryl heeft tevoren wekenlang rondgehangen in Greenpoint, Brooklyn – ook wel ‘Little Poland’ genoemd; iedere dag opnieuw spendeerde ze er uren in de Poolse winkels en restaurants. Dat ze iedere avond scheurend van de honger naar haar sjofel hotelkamertje moest doordat ze van dat hele Pools geen snars begreep en derhalve niks te eten kon bestellen, deed er niet toe. Het ging Meryl om het accent. En dat ze daardoor gaandeweg akelig mager werd, was meegenomen. Dan ging ze glunderend in haar blootje voor de spiegel staan en prevelde, met ontluikend Pools accent: ‘Oscar.’

Die was Meryl natuurlijk helemaal gegund – het was háár prestatie. Van haar alleen. Maar als het om een duo gaat, moet de aandacht eerlijk verdeeld zijn. Ik heb samen met een andere acteur grote successen gekend, honderdduizenden mensen blij gemaakt, maar steevast gaat alle aandacht naar hem – ook nu weer. Dat steekt, en moet maar eens gedaan zijn. Ik sta op mijn strepen. Dat doen alle acteurs. Of dacht u soms dat De Dikke zweeg als hij met z’n kompaan op straat liep en alleen De Dunne werd herkend? Mooi niet. Dan wrong hij zich ertussen en riep driftig: ‘Zeg, ik ben wel De Dikke, hé!’

Maar goed. Wat ik dus eigenlijk wou zeggen: thuis praat ik gewoon zoals iedere andere hond.”

Overval

Het was, geloof ik, een geelsnavelbekje. Of een huppeltsjieperke, dat kan ook. Ik ben niet zo goed in levend gevogelte. Plus: die krengen zitten ook nooit stil, hé. Dus tegen de tijd dat jij je slimme telefoon in de aanslag hebt voor een digitaal lichtdrukmaal waarmee je vergelijkend aan de slag kunt, staan zij alweer elders fotogeniek te kraalogen, die dekselse dinootjes. 

Ja, plots was het daar, gisteren, dat blauwdonsgorsje. Plots zat het parmantig op het muurtje. Alsof het zijn muurtje was. (Of haar muurtje, natuurlijk. ’t Is niet omdat ze onzijdig zijn, die pimpelkuifborstjes, dat ze niet vrouwelijk kunnen zijn.) Alsof het dat muurtje zelf had gemetseld, zelf had gevoegd, zelf had afgewerkt met een deksteen die het zelf was gaan halen in de Brico Planit. Het hupte wat heen en weer, pikte hier en daar een denkbeeldig oneffenheidje weg, en blikte vervolgens vrijpostig om zich heen. Tussendoor stiet het korte geluidjes uit die het midden hielden tussen de klank van een roestig kinderfietswieltje en die van een verkouden boskrekel. Daarna strekte het cyaanpluiskopje de pootjes en fladderde weg, het dakje van de achterkeuken op. Halsreikend keek ik het na – tot ik met m’n voorhoofd tegen het vensterglas knalde.

Mezelf inwendig doch genadeloos uitlachend om zoveel blanke lompheid, opende ik het schuifraam en stapte het koertje op, in de hoop alsnog een glimp van het roodpootklevertje op te vangen. 

Bám.

Een overval. Dat was het. Op mijn vel, op mijn oren, op mijn neus. Een overval, in koelen bloede. Weerloos, was ik. Weerloos tegen de lente. 

Ik gaf me over. Trok een fleurig hemd aan, stapte in m’n vrolijkste schoenen en huppelde gonzend de stad in. Baande me, monter venijnige elleboogjes uitdelend, een weg door de duizenden allochtonen en streek finaal neer op het zonnige terras van café ’t Goed Bewaard Geheim. Daar wentelde ik me in de wellust. 

Pas vele uren later landde ik weer op het nest. Uitgeput door zoveel lente, zette ik me moeizaam aan het schrijven van deze column. Vanop het muurtje op het koertje weerklonk smalend het schemergevlekte stadsavondfluitertje.

Bijkomstig

Mensen, ga veiligheidshalve liggen voor u verder leest.

U ligt? Welaan dan: het nieuwste accessoire voor wie er cool bij wil lopen, is… een boek. 

Ik vind dit niet uit. Het staat letterlijk boven een bericht van de ooit achtenswaardige krant ‘The New York Post’, bij foto’s van twee jongedames: “Bella and Gigi Hadid make books the hot new accessory of 2019”. Bella en Gigi zijn – ik heb het omwille van de journalistieke deontologie nagekeken – zusjes die de kost verdienen als mannequin en fotomodel en op Instagram respectievelijk 23,4 en 46,8 miljoen volgers hebben. Anders gezegd: als de jongedames hoesten, voelen tientallen miljoenen mensen empathische keelpijn. 

Men houdt, zo leert nadere studie van de foto’s, het boek bij voorkeur schijnbaar achteloos in de hand van een neerwaarts bungelende arm; desgevallend mag de arm in een hoek van negentig graden zijn geplooid, wellicht om aan te geven dat het boek de drager ook figuurlijk nauw aan het hart ligt. In ieder geval, zo begrijp ik uit de foto’s, dient men bij het in de hand houden van een boek een gelaatsuitdrukking te vertonen die twijfelt tussen existentiële zijnsdroefenis en onverschillige leeghoofdigheid. Laat u door deze gelaatsuitdrukking evenwel niet om de tuin leiden: de jongedames Bella en Gigi Hadid zijn klaarblijkelijk geen eencellige paspoppen. Het vakblad ‘Vogue’ weet te melden dat Bella al enkele weken loopt te zeulen met ‘The Outsider’ van Stephen King, en dat Gigi werd gezien met ‘L’étranger’ van Albert Camus. Ik voorspel voor beide boeken een verkooptoename met tientallen miljoenen exemplaren. Het valt zelfs niet uit te sluiten dat kwestieuze romans ook daadwerkelijk worden gelezen.

En toch. We moeten streng zijn. 

Accessoire. Proef het woord. ‘Bijkomstige zaak, iets dat tot aanvulling dient maar niet functioneel is’, verduidelijkt de geachte heer Johan Hendrik van Dale op pagina 53 van mijn editie van zijn zeer lezenswaardig levenswerk. 

Een handtas, ja, dat kan een accessoire zijn. Een hondje ook. Een partner voor broekloos vertier ook. Maar een boek? Nee. Je beste vrienden zijn nooit bijkomstig.

Guho

Vrijwel het eerste wat ik, na het bericht dat Godfried Danneels was overleden, zag opduiken in mijn Twitter-tijdlijn, was een link naar een YouTube-fragment uit het redelijk befaamde klankgolvenverschijnsel ‘Het Leugenpaleis’. Dat zegt ongetwijfeld iets over mijn Twitter-tijdlijn en dus over mij, maar het zegt vooral iets over de renommee van wijlen de kerkvorst. Weinig prelaten hebben het voorrecht genoten te worden opgevoerd in een komisch-absurdistisch radioprogramma van Bart Peeters en Hugo Matthysen.

Die Hugo Matthysen – van opleiding filosoof en dus geschoold in de tot wetenschap verheven twijfel – zet in dat YouTube-fragment een geestelijke genaamd Dardinaal Kanneels neer. Met in subtiele kerkgalm gemarineerde stemme bespreekt de Dardinaal de film ‘Titanic’, waarbij hij in het bijzonder cinematografische aandacht besteedt aan de boezem van actrice Kate Winslet en tussendoor een kleine bekentenis doet: hij is “een beetje een tettenhek, zo.”

Tettenhek, jawel. De Dardinaal is een West-Vlaming, en dat is duidelijk goorbaar. 

Men moet de prestatie van Hugo Matthysen, die bijna drie minuten lang consequent de g en de h omwisselt, niet onderschatten. De heer Matthysen is geboren in Ekeren. Hij kwam dus ter wereld met de enige correcte tongval en dictie in het hele taalgebied. Je zou het een aangeboren talent kunnen noemen, ware het niet dat de Antwerpenaren zelf zulks niet als een talent beschouwen, aangezien iedere Antwerpenaar over dat vermogen beschikt. Genieën vinden elkaar niet geniaal.

Nee, ware appreciatie voor zijn prestatie krijgt Hugo Matthysen in West-Vlaanderen. De West-Vlaming is met die worsteling vertrouwd, weze het andersom. Een half leven doet hij erover, om die g en h goed te krijgen. En als hem dat dan uiteindelijk is gelukt, is dat het eerste wat hem mislukt wanneer hij een neut op heeft. Dan is het dra weer van ‘Of iek nog een Bolleke wiel? Geel hraah!’ 

U weet dus wat u te doen staat, als u iemand ervan verdenkt West-Vlaming te zijn: gooi er een biertje of tien in en wacht rustig af. Vroeg of laat ontmaskert de onverlaat zichzelf. Op uw kosten.

Slak

Telkens weer staat hij doodsangsten uit. Doodsangsten waar geen cursus of pillen aan verhelpen. Hij heeft de cursus gevolgd, hij heeft de pillen geslikt, hij blijft sterven. In een halve eeuw tijd heeft hij drie keer geprobeerd het vliegtuig te nemen, twee keer is het – nog net en zijns ondanks – gelukt. Eén keer omdat je nu eenmaal maar één keer in je huidige leven met een roedel vrienden wordt uitgenodigd om een trouwfeest mee te maken op een Caribisch eiland. Eén keer omdat hij per se in IJsland een papegaaiduiker wou gaan eten – ik maak een grapje, de waarheid is veel erger: hij wou z’n vrouw een plezier doen. Die derde keer is het hem níét gelukt: halverwege de snelweg naar Zaventem heeft hij rechtsomkeer gemaakt, met tranen in de ogen. Beer van een vent, geveld door beestjes in zijn hoofd. 

Nee, een gulle sponsor van de vliegtaks zal mijn goede vriend nooit worden. Aan de ecologische hemelpoort mag hij straks naar binnen via de VIP-ingang. Gaat u hier maar even lekker loungen, meneer, ik breng u meteen een glaasje nectar – hemels, meneer.

Het is weinig waarschijnlijk dat wij daar samen zullen zitten. Ik heb iets vaker gevlogen. Wat wel een beetje gek is, want bijna alles aan een verplaatsing met het vliegtuig staat mij tegen. Het enige waaraan ik waarlijk plezier beleef, is de acceleratie op de startbaan. Dan denk ik glunderend terug aan de tijd toen ik mij danig vermeide op de motorfiets. Heel even weer helmboswuivend. Alsof je ontsnapt aan het heden.

Maar voorts koester ik mijn inwendige slak.

Dat men voor een reis zo gretig naar het vliegtuig grijpt, komt mede doordat men onder ‘reizen’ niet langer reizen verstaat. De verplaatsing wordt als een vervelend nevenverschijnsel beschouwd, terwijl net dat reizen is. Als men iemand vraagt ‘hoe is je reis geweest?’, dan krijgt men vrijwel altijd alleen een relaas van het verblijf. Hoe het hotel was, en het eten, en het weer. Zelden hoort men iemand vertellen over de prachtige driedaagse erheen en terug.

Reizen is pas echt reizen wanneer men de schoonheid van traagheid apprecieert. Zo niet, blijft reizen beperkt tot racen.