Skip to content

Laptop

‘Laptops, internetvergoeding, extra fietsvergoeding: Weyts investeert 188 miljoen euro extra per jaar om leerkrachtenberoep aantrekkelijker te maken.’

Dat was de tweet waarmee Het Laatste Nieuws de plannen van de onderwijsminister samenvatte. Nu moet je met tweets — en bij uitbreiding met titels van digitale artikels — altijd uitkijken, want volledigheid betrachten is nooit en nieuwsgierigheid wekken altijd de bedoeling. Maar terstond overviel mij een diepe droefenis. Pfff, alsof je de gapende leegte in de leraarskamers gaat vullen door met een leuke laptop en een kek fietsje te staan zwaaien. De echt competente jongeheren en -dames lok je daarmee al lang niet meer naar het college of atheneum. Die struikelen thuis over de laptops, en hebben een stuk of drie fietsen in de garage staan, al naargelang het parcours waarop ze fraai cardiovasculair weefselletsel bijeen willen trappen. 

*****

Onlangs las ik een bericht over Silicon Valley, u weet wel, dat funky laboratorium aan de westkust van de Verenigde Staten waarin we met aandoenlijke gretigheid onze eigen ondergang bewerkstelligen. Blijkt dat de koppensnellerskantoren een beetje door hun voorraad lekkernijen heen zitten: de waarlijk excellente high potentials happen niet meer toe. Het enige waarmee ze nog te overtuigen zijn, is: autonomie. Zelf je job mogen invullen. Quasi carte blanche. Dát is sexy.

Zo’n vaart hoeft het in de Vlaamse scholen niet te lopen. Van een beetje pedagogische structuur is geen jongeling ooit gestorven. Wie met integralen wil jongleren, heeft er beslist voordeel bij dat hij weet hoe het met één plus één zit. En je kunt, meen ik, maar ‘out of the box’ gaan denken als je eerst een tijdje in the box hebt gedacht. Maar: wat meer autonomie in de klas, zonder al te veel inmenging van Didactologen en ouders, dát zou het beroep van leerkracht pas écht aantrekkelijker maken. Dat je al eens kunt freewheelen, als je voelt dat je klas daaraan toe is. Dat je je handboek uit het raam gooit, het hoofdschuddend nakijkt, je omdraait en zegt: ‘Zo, jongens. En nu even tijd voor wat écht belangrijk is.’ Waarna zich een boeiend gesprek over schoolmoeheid ontspint. En jij hen stiekem leert argumenteren.

*****

Denk terug aan de leerkracht van wie je het meest hebt geleerd. Dat is geheid de man of vrouw die bijwijlen het handboek uit het raam gooide. Die je benieuwd maakte naar wat zou volgen. Die je tegen je eigen mening aan liet knallen, en je vervolgens terloops influisterde hoe je het aanrijdingsformulier des levens invult. Zonder laptop.

Bel

Ik ben niet zo’n fan van doodgaan. 

Nooit geweest, en met het ouder worden is dat er niet op verbeterd, integendeel. Er is steeds meer dood om je heen, en je eigen dood wordt — achter gindse bocht, aan het einde van de weg — dra akelig zichtbaar: nog maar zoveel jaar te gaan, stel je met statistische somberheid vast. Een schijntje, zo lijkt het. Een pietepeuterig deeltje van wat je al achter de rug hebt. Nog net niet de laatste rechte lijn, maar je hoort wel al de bel voor de laatste ronde. 

Of rinkelt die alleen maar in je hoofd? Ga weg, donkere gedachten! Geniet van het parcours, maan je jezelf aan, geniet van het landschap, het uitzicht, het zonnetje, het gejuich langs de weg! Geniet! En neem nog een gelletje. Hoe tragisch zou dat nu wel niet zijn, een hongerklop? 

Plus: ’t kan vroeger, ’t kan later. Vroeger is ronduit ondraaglijk, later is helemaal het hellegat — de lijdensweg des vooruitgangs, geofferd op het altaar der ijdelheid.

*****

Mede daardoor betrap ik mezelf er steeds vaker op dat ik bij het lezen van naargeestige boeken al eens een passage over de eindigheid van het leven wil overslaan, bang dat mijn hart ter plekke breekt en ik vervolgens in bed word aangetroffen in niet bijzonder smaakvolle slaapkledij. Ook dat is een schier ondraaglijke gedachte. Dat je nageslacht verder moet leven met kwaadaardig geroddel over een dertig jaar oud T-shirt en een geruite boxershort. 

*****

Dat ik vandaag zulke terneerdrukkende overpeinzingen opschrijf, heeft met twee dingen te maken. 

Eén: vandaag is het, naar jaarlijkse gewoonte, World Suicide Prevention Day. Of dat veel helpt, weet ik niet. Hoop is veelal wat hulpverleners willen hebben, en naasten. Ik heb weleens over zelfmoord — zelfdoding — geschreven. Van twee vrienden. En over onmacht en het nutteloze zoeken naar onbestaande antwoorden. 

Twee: morgen is het twintig jaar geleden dat terroristen in de Verenigde Staten volle vliegtuigen in iconische gebouwen boorden. Men noemde ze zelfmoordterroristen. Die benaming is een schandvlek op de krijsende ziel van elke ondraaglijk gepijnigde, ontroostbaar wanhopige, godsgruwelijk eenzame mens die de dood niet langer als een probleem, maar als een oplossing ziet. Omdat, samen met alles, ook Het stopt. 

Die terroristen wilden niet dat Het stopte. Voor hen was de dood het glorieuze begin.

Links

Laten we het zeggen zoals het is: Tom Van Grieken hoort in de nationale voetbalploeg. Vat vol schijnbewegingen. Dribbelt alles en iedereen. 

Het ene moment zie je hem in een eerbiedwaardig televisieprogramma zitten: de redelijkheid zelve, voorkomend, minzaam, spits, zinnig — je betrapt jezelf erop dat je denkt: ‘Mjah. Mjah.’ De andere keer gooit hij een filmpje op de sociale media waarvan je spontaan even in je elleboog braakt.

Daar is het hem natuurlijk om te doen. Hij vindt het prachtig. Tribunespeler. Alles voor de fans. Boegeroep aan de overkant is meegenomen. 

*****

Nu dus ook weer: dat hij ze in 2024 wel de rekening zou presenteren, meesmuilde hij in een filmpje naar aanleiding van het nieuwe schooljaar, voor hun valse verhalen, die linkse leerkrachten. 

Ik heb het al eerder geschreven: de termen ‘links’ en ‘rechts’ zijn voor mij allang achterhaald, en al zeker in de politiek. De enige omgeving waarin ik die nog relevant vind, is — uit veiligheidsoverwegingen — het verkeer. En, uit praktische overwegingen, bij het aantrekken van mijn schoenen. 

Maar voor de aardigheid ga ik constructivistisch even in ’s mans woordenkeus mee. Je weet maar nooit dat het leuk wordt.

*****

Linkse leerkrachten. Bestaat dat wel, linkse leerkrachten? Natuurlijk. En maar goed ook. Net zoals het goed is dat er rechtse leerkrachten bestaan. Er bestaan zelfs leerkrachten van het moedige midden, en ook dat valt — enerzijds én anderzijds — toe te juichen. 

Zo’n leerkracht hadden we in het college. Hij gaf Nederlands en geschiedenis, en ging later bij de gemeenteraadsverkiezingen op de CVP-lijst staan. Zijn lessen geschiedenis waren ongemeen boeiend, en wel hierom: in de klas zat een jong lid van het Taal Aktie Komitee, en dat jonge lid liet de leerkracht niet zomaar wegkomen met al wat hij over het vaderland vertelde. Meer dan eens veerde het jonge lid recht, en sprak de leerkracht eh krachtig tegen. Met inhoudelijke argumenten en jeugdige stelligheid. Dan grijnsde de leerkracht eens, vanop zijn verhoogje. Daarna ging de bel.

*****

Het jonge lid is later voorzitter van het Vlaams Blok geworden, de leerkracht is bij de gemeenteraadsverkiezingen niet verkozen geraakt. Toch gaat alle verdienste naar die brave borst: hij daagde uit, zette aan tot nadenken, tot argumenteren, tot debatteren. Hij maakte ons weerbaar. 

Veel meer kan je van een leerkracht niet wensen: dat hij mee helpt slijpen aan de briljant die je misschien kan worden. Dat je, als je ooit zou schitteren, toch één facetje aan hem hebt te danken. 

Dat Tom Van Grieken net dát lastig vindt en er meteen een kliklijn tegenaan gooit, daarmee ontmaskert hij zichzelf. Hij wil helemaal geen jongelui die voor zichzelf gaan denken. Hij wil vee dat met hem mee loeit, als hij weer eens in een kolkend stadion een middelvinger opsteekt. 

Nadronk

Het is mijn eigen, stomme schuld. Het is een lesje. Ik was even vergeten dat ik lang niet meer zo lenig ben, en al zeker lang niet meer zo onsterfelijk als vroeger. 

Maar ja, hoe gaan die dingen? Je denkt: dat laat ik niet liggen. Je zou wel gek zijn. Wat morgen brengt, weet je niet. ’t Zijn harde tijden. Hebben is hebben. En als jij het niet doet, doet een ander het. En krijg die dan daar nog maar eens weg. Enzovoort. Zo denk je nu eenmaal, als kleine zelfstandige. 

En dus beslis je om in de zomermaanden geen vakantie te nemen. Geen dag. Kijk mij eens heroïsch zijn, bepeins je voorafgaandelijk handenwrijvend. Laat het ongebreideld rinkelen der kassa thans oorverdovend een aanvang nemen. In september koop ik een Maserati. Om mee rond te rijden op de Regent Seven Seas Splendor, tijdens een cruise in de Caribische wateren. 

Ik zal volgende week niet eens manchetknopen van Maserati kunnen kopen. Dat ongebreideld oorverdovend rinkelen der kassa klonk bij nader inzien als een deurbel die stuk is. Zo gaat dat nu eenmaal, als kleine zelfstandige.

Maar ach, daar is het me niet eens om te doen. Als ik echt geld had willen verdienen, was ik wel in de cokehandel gestapt. Of, straffer nog, voetbalmakelaar geworden. Geld interesseert me al even matig als luxe: ik bewaak de ondergrens en vrees de bovengrens — want die is er niet, en wat er niet is doet gekke dingen met je hoofd. 

Dat hoofd, daar gaat het om. Daarvoor dient vakantie. Je kunt je lijf wel op het vliegtuig zetten, maar als je hoofd op het tarmac achterblijft, heb je geen vakantie. Dan heb je een factuur.

Een enkele keer ben ik, na alweer een dag van tien uur slavernij in de galei, met vrienden op een terrasje verzeild geraakt. Dan aanhoorde ik hun verhalen, over hun vakantie, en telkens weer stelde ik gelaten vast dat hun een aangename leeghoofdigheid te beurt was gevallen, en mij niet. Zij waren zozeer in het vakantiemoment zelve opgegaan, dat hun hoofd ongemerkt was leeggelopen. Zij peuzelden genoeglijk aan een visje, ik puzzelde aan mijn werkschema. Zij goten zich schaamteloos vol lokale, ja zelfs artisanale dranken, ik ledigde de beker des arbeids tot op de bodem. De nadronk is bitter.

Volgend jaar neem ik in de zomermaanden vakantie. Dan verdien ik niets, maar maak ik winst. 

Herinnering

Er was een tijd dat je pas op dat uur van de dag buitenkwam. Niet om het tanende licht te bewonderen. Om op café te gaan. Vroeger vertrekken had geen zin. Want dan riskeerde je tussen het jonge volkje te belanden. Die herrie, dat gekrijs, dat gekwek: nee, bedankt. Wij volwassenen, wij verkozen onze eigen herrie. 

Wij waren meer van de nacht, ook. De duisternis als trouwe metgezel, op de terugweg naar huis. De straten verlaten, de zwijgende gevels, nu eens grijnzend, dan weer peinzend. Het monotone ritme van je eigen stap. Het zachtjes blazen, de rook van een laatste sigaret. Weldadig einde van je dag. En mooi op tijd binnen voor het weer licht werd. Grinnikend vijlde je de puntjes van je hoektanden bij. 

***

Je verandert. Je hoeft niet meer zo nodig de hele nacht door. Die duisternis, ach, die heeft haar tijd wel gehad. Er zat bovendien – als je er even goed over nadenkt – iets hards, iets schonkigs aan. Iets kils, ook. Zelfs op een zomerse nacht. Alsof die hele toog- en trottoirparade finaal al bij al slechts schone schijn was. Toneel van de leegte.

Nacht is avond geworden. En hard zacht. Een waarheid hoeft niet meer steevast in steen gebeiteld te zijn. Delicaat geborsteld mag ook. Contrasten verglijden tot contouren. Impressies. Vermoedens. Wat zou kunnen, is verleidelijker dan wat is. Wie scherp toekijkt, ziet altijd de schemerzone.

***

De ene schetst die schemerzone met woorden, de andere met zwijgen, en potlood of penseel. Beiden herscheppen. Hertalen. Vertalen. Wat ze gezien hebben, is nog slechts herinnering. Even gestold als vluchtig. Uit de vegen, de flarden, de scherven, de brokstukken boetseren ze een nieuwe herinnering. Voor wie leest, voor wie kijkt. En in die nieuwe herinnering ligt een nieuw gevoel besloten. Nu eens herkenbaar, dan weer onbekend, maar altijd essentieel. Voor nu, voor later.

***

De camera is een penseel. Het penseel van het oog. De camera liegt nooit, zeggen mensen weleens. Zij dwalen. Of, iets minder streng: zij drukken zich onzorgvuldig uit. Een camera toont de waarheid niet, een camera toont een waarheid. Een waarheid zoals er van diezelfde werkelijkheid evenveel waarheden als camera’s zijn. Evenveel waarheden als ogen. Je kunt misschien nog zeggen dat een camera nooit liegt, als je daarmee bedoelt dat een camera geen moraal kent. Maar een camera bedient zichzelf niet – ook de zelfontspanner is mensenwerk; hooguit registreert ze dan toeval. 

***

Kom op dat oude, vertrouwde uur van de dag nog eens buiten. Kijk. Kijk om je heen, omhoog, om het even. Kijk. Daar, daar was ze net nog. Je glimlacht. Ze komt terug. Nog een paar miljard jaar lang. Dat weet je. Gerustgesteld neem je de tijd. Je focust, zonder scherpstellen. Je ziet wat je niet zag. Je schetst licht, schildert schaduw, laat ze met elkaar dansen, paren, verzadigd neerzijgen. Het penseel van het oog. Voor nu, voor later. Wat zou kunnen, is verleidelijker dan wat is. Weldadig einde van je dag. Herinnering. 

***

(Voorwoord bij ‘Goodnight’, een fotoboek van Femke Den Hollander. Geschreven in oktober 2020.)

(Voorwoorden bij fotoboeken werken niet echt zonder fotoboeken.)

Natuurtalent

In een van mijn zeldzame heldere momenten besloot ik vele jaren geleden geen huis met een tuin te kopen, maar een eenvoudige werkmanswoonst met een belachelijk klein koertje. Alle tuinen ter wereld zijn me er nog altijd dankbaar voor. En ik mezelf ook. 

*****

Let wel, ik heb niets tegen tuinen. Integendeel. Ik ben hun grootste fan. Tuinen zijn fantastisch. Al die natuur. Het is geen toeval dat God Adam en Eva neerpootte in een tuin, en niet in een pretpark. Zet een volwassene in een tuin, en hij wordt weer kind. Zet hem in een pretpark, en hij wordt kinds. (Het pretpark is het werk van de duivel. Dat woord alleen al doet mij ineenkrimpen. Pret, herleid tot alles wat pret niet hoort te zijn: afgerasterd. En betalend.)

Nee, werkelijk, ik ben dol op tuinen. Het is, helaas, niet wederkerig. Tuinen worden een beetje zenuwachtig, als ik nog maar in hun buurt kom. Grassprietjes beginnen te rillen, struiken kijken schichtig om zich heen, bomen gaan er zo onopvallend mogelijk bij staan — zo ze konden, ze bedekten hun kruin. En bij de bloemen is het gewoon blinde paniek.

Dat komt door mijn bijzondere talent. Ik hoef er werkelijk niets voor te doen: het gebeurt vanzelf. Níét omdat ik het wil. Het is een natuurtalent. Ik kan een bloemetje doodkijken. 

Ik verzin dit niet. Meer dan eens heb ik, op vorige adressen, een tuin gehad. Daarin ging ik steevast tekeer als een goede huisvader, met zorg en ijver en diverse functionele gereedschappen. Tevergeefs. Wat ik ook deed of liet, de tuin bezweek onder mijn loutere aanwezigheid. Noem mij gerust de Attila de Hun der tuinen. Waar ik ben langsgekomen, groeit geen gras meer. 

*****

Het was dan ook met gemengde gevoelens en uiterste omzichtigheid, dat ik deze week de tuin ener bezetene betrad. 

Jawel, bezetene: hij heeft enkele honderden soorten eetbare bloemen, planten, kruiden en struiken staan. Met kinderlijk enthousiasme leidde hij mij rond in zijn schatkamer, dansend van plekje naar plekje, hier plukkend, daar wijzend, in wonderlijke vaart. Ik aanschouwde dit welhaast ontroerende resultaat van jarenlange toewijding en blijvende verwondering, en stak al wat hij me aanreikte monter in mijn mond — die, handig genoeg, schier aldoor van verbazing openviel. 

We zijn nu enkele dagen verder, en nog steeds heeft mij geen droeve tijding van zijn schielijk overlijden bereikt. Voorzichtig veronderstel ik dat mijn aanwezigheid in zijn levenswerk geen verwoestend effect heeft gehad, en hij zich derhalve niet genoodzaakt zag zich van het zinloos geworden leven te beroven. 

Zou het? Zou het werkelijk? Zou mijn natuurtalent mij eindelijk hebben verlaten?

Misschien moet ik het nog eens testen. Misschien moet ik het erop wagen. Misschien koop ik een vetplantje.

Gif

Eddy Demarez. Delphine Lecompte. Engel. In die volgorde, van boven naar onder. ‘Trends voor jou’ staat erboven geschreven. De drie meest voorkomende namen in de tweets in mijn tijdlijn, op deze donderdagmiddag. 

Voor alle duidelijkheid: ‘Engel’ staat hier niet voor een gevleugelde hemelse boodschapper van een of ander lui opperwezen, maar voor Willem Engel, de Nederlandse dansleraar die een rechtszaak tegen Marc Van Ranst heeft aangespannen omdat hij vindt dat de viroloog bijzonder onaardige dingen over hem zegt. Eddy Demarez, die heeft dan weer onaardige dingen gezegd over de Belgische vrouwenbasketbalploeg, en Delphine Lecompte heeft — tot veler verrassing — aardige dingen gezegd. Weliswaar over pedofiele mensen. En zo is het ook nooit goed. Ondank is des dichters loon.

Ik heb de al dan niet vermeende onaardigheden van Marc Van Ranst en Eddy Demarez grondig bestudeerd, en ik kan met de hand op het hart verzekeren dat wat zij hebben gezegd in het niets verzinkt bij wat over hen wordt gezegd, op de sociale media. Ook over het warrige hoofd van de Brugse dichteres wordt de digitale stront bij bakken uitgekieperd. We zijn nu eenmaal een gul volk, en nogal gesteld op vrije meningsuiting. Vooral de onze.

Je wordt er toch een beetje treurig van, van die massale, verschroeiende giftigheid. 

Natuurlijk weet je best dat de mens geen nobel wezen is — ik wantrouw de foutloze —, natuurlijk beschikt niet iedereen over een verfijnd vocabularium en enige lichtvoetigheid in het denken, natuurlijk neemt de rauwe emotie soms de overhand. Maar mocht men zich met eenzelfde overtuiging en ijver op het prijzen van het goede storten, dan ware dit aards bestaan in één klap al wat minder loodzwaar om torsen. Ach, verontwaardigd zijn is makkelijker dan waardig zijn. 

En dan is er nog dit: met excuses nemen we geen vrede meer. Bied je ze aan, dan worden ze als goedkoop of niet gemeend weggezet. Nee, bloed, dát willen we zien. Er moeten koppen rollen — verlekkerd timmeren we het schavot, reeds sleept iemand monter de mand aan. En als de guillotine dienst weigert, druipen we morrend af. Maar hey, morgen beter!

We vergiftigen elkaar. En onszelf.

Kruibeke

De ene topsporter — een voetballer — zet, zijn neus ophalend, het product van een van de grootste sponsors van een van de grootste sportevenementen ter wereld opzij. De andere topsporter — een gymnaste — poseert met potjes yoghurt van een lokale bioboerderij. 

De ene topsporter heeft in zijn garage een McLaren MP4-12C, een Audi R8, een BMW M6, een Porsche 911 Cabrio, een Maserati GranCabrio, een Bentley Continental GT, een Mercedes-Benz S65 AMG, een Rolls-Royce Ghost, een Ferrari 599 GTO en een Ferrari F12 TDF, een Lamborghini Aventador en een unieke Bugatti Chiron van elf miljoen euro staan. De andere topsporter hoort van haar sponsor dat een upgrade van haar Audi A1 Citycarver straks “zeker bespreekbaar” is. 

Het is allebei marktwerking. De ene staat op de wereldmarkt, de andere op de markt van Kruibeke. 

*****

Gelukkig doet geen van beiden het voor het geld. Ze doen het omdat ze zot genoeg zijn om het te doen. Zot genoeg, en sterk genoeg. In het hoofd, en in het lijf. 

Er zat bij beiden iets in dat lijf, van jongs af aan. Iets wat in weinige lijven zit. In uw en mijn lijf zat het alvast niet. Het zat hooguit in ons hoofd: we dáchten dat het in ons lijf zat. Twee traininkjes en één ontwricht pootje later waren we alvast van die illusie verlost. Met aandoenlijk enthousiasme gooiden we ons op een nieuwe. 

Maar bij hen zat het er dus wel in. En iemand zag dat. En die iemand zei tegen hen: als jij heel hard je best doet, de volgende tien, vijftien jaar, en geen dag oefenen overslaat, en meer en harder oefent dan alle anderen, en je tijd niet vergooit aan onnozelheden als verjaardagsfeestjes of tienerzwangerschappen, wel, dán kan het iets worden. Kán — ik beloof niks. 

Nou, dat klinkt prima, antwoordden ze allebei monter. En ze deden het — het hoofd. 

*****

U en ik, wij hebben geen idéé. Ja, een alleenstaande moeder die met een uitkering jarenlang probeert de eindjes aan elkaar te knopen, dat is ook topsport. Maar in die discipline zijn er geen kampioenschappen. Onze winnaars mogen geen losers zijn. In onze aanbidding zijn we selectief, in onze minachting genereus. 

Ach, we lopen, in al ons doffe onvermogen, het liefst achter winnaars aan, in de ijdele hoop dat één sprankel van hun glorie op ons afstraalt, en wij aldus één enkel moment zelf schitteren, wereldwijd, of desnoods in Kruibeke. Ook dat is marktwerking.

Stenen

“Na een kwartier onder kunstenaars te hebben vertoefd is het altijd weer een verademing om een praatje te kunnen maken met een voerman van vlees en bloed.”

Aldus sprak, in een niet voor publicatie bestemde aantekening uit 1917, de Portugese kunstenaar Fernando Pessoa. 

En dan moet je rekenen dat Fernando al ‘gene gewone’ was: hij verzon afsplitsingen van zichzelf, die hij niet alleen een naam en een omstandig uitgewerkte geschiedenis en persoonlijkheid gaf, maar ook een oeuvre toebedeelde — nu eens schreef hij als Alberto Caeiro, dan weer als Ricardo Reis of als Alvaro de Campos of als Bernardo Soares, of als nog een andere van de zowat twintig heteroniemen die allemaal samen min of meer Fernando Pessoa waren. Een enkele keer schreef hij ook als zichzelf, voornamelijk gedichten, al gebruikte hij daarvoor soms een pseudoniem. Eén zaak hebben al zijn geschriften gemeen: je wordt er niet echt blij van. Nee, voor Fernando moest je geen plaatsje vrijhouden, in de polonaise.

Maar na een kwartiertje kunstenaarsgezelschap was sombermans toch telkens weer hoogdringend aan verademing toe.

Het citaat van Pessoa schoot me te binnen, toen ik vorige zondag naar een hoopje stenen en wat verwrongen ijzervlechtwerk stond te kijken. Dat hoopje stenen lag in Watou, in een speciaal daarvoor opgefriste kamer in een speciaal daarvoor opengesteld huis. Ik keek en keek en keek — en er gebeurde niets. Niet met die stenen, niet met mij. Toen dacht ik: misschien is dat wel de bedoeling. Weet ik veel. 

Het overkomt me wel vaker. Ik herken de signalen. Soms overvalt me het gevoel dat mijn leven best oké is. Dat ik liefheb en word liefgehad. Dat ik eten op tafel heb en eten op tafel kan zetten. Dat er, alles welbeschouwd, weinig is om me zorgen over te maken. Dat gevoel heet welbehagen. En dan weet ik: ho maar, vriend, tijd voor moderne kunst!

Moderne kunst heeft geen boodschap aan welbehagen. Moderne kunst confronteert. Moderne kunst reflecteert. Moderne kunst transfigureert. Moderne kunst irriteert. Moderne kunst epibreert.

Daar sta je dan. Bij dat hoopje stenen. En je beseft: iemand vóór jou heeft dat hoopje stenen gezien en begrepen dat het geen hoopje stenen is, maar kunst. Je buigt het hoofd in ootmoed. Die graad van geestelijk raffinement ga jij nooit bereiken. Hoe hard je ook je best doet — of net helemaal niet: het hoopje stenen blijft koppig een hoopje stenen. Stomme stenen.

Je stapt naar buiten, drinkt op een terras een glas bier en staart een wijle naar het zwerk. Weg, welbehagen. 

Dankbaar rijd je naar huis. Voer voor een stukje.

Vlag

Ik heb niks met vlaggen. Ik heb ook niks met parades, of toespraken, of hymnes — behalve wanneer elf strak gecoiffeerde mannen met grote pupillen en kolkende adamsappels in korte broek ‘Fratelli d’Italia’ aanheffen, doch dat is een kwestie waarover ik wellicht een andere keer bericht, als ik ooit een stukje schrijf over operette. 

Nee, het vermogen om mij nagelbijtend dan wel schreeuwend achter de notie ‘land’ te scharen ontbreekt mij totaal. Ik zie er ofwel plat opportunisme ofwel aandoenlijke redeloosheid in, en geen van beide gemoedsgesteldheden behoort tot mijn reguliere alaam. Mijn nationaliteit is een administratieve toevalligheid, waaraan ik trots noch schaamte ontleen. Hooguit verwekt het enthousiasme daaromtrent bij mij lichte irritatie tot allergene ergernis.

Dus ja, juli is voor mij telkenjare een maand vol beproevingen — en dan heb ik het nog niet eens over de somtijds verzengende hitte die mij immer midscheeps treft, waardoor ik dra verga. 

Eerst is er 11 juli, hoogdag voor wie graag zwaait met buitenmaatse vlaggen waarop een leeuw staat afgebeeld, u weet wel, dat typisch inlands dier. De enige leeuwen die alhier leven of hebben geleefd, zijn of waren gekooide exemplaren. Bovendien zijn leeuwen zo lui als de pest — behalve als ze zin hebben om te paren: dan willen ze weleens stoer doen op de speelplaats, of een nest weerloze welpjes doden. Sta daarmee te zwaaien.

En dan heb je natuurlijk ook 21 juli. Feestdag van een land dat volgens mij door dronken diplomaten is bedacht. Om te lachen. Niemand wou er koning van worden. Na lang zoeken vond men iemand aan wiens capaciteiten danig kon worden getwijfeld, dus die was meteen geschikt. En in één klap werd hij de stamvader van generaties die zich op weinig meer dan hun achterhaalde geboorterecht kunnen laten voorstaan. Ga daarmee solliciteren.

Van beide datums en bijbehorend vlaggenvertoon heb je fans. Harde fans. Die-hard fans. Die elkaar rauw lusten. Ze putten hun bestaansreden uit de uitsluiting van de anderen. Gij zijt voor Vlaanderen? Weg met u! Aan de galg, rapalje! Gij zijt voor België? Weg met u! Op de brandstapel, addergebroed! De negatieve definiëring als zelfbevestiging. Wat een schraal bestaan.

De schraalheid van zo’n bestaan wordt nog des te meer benadrukt door de trots waarmee men dan steevast uitpakt. ‘Fier Belg te zijn.’ ‘Ik ben Vlaming en daar ben ik fier op.’ Ik lees de leuzen en vat ze niet. Hoezo, ‘fier’? Je bent toeval. Hoe kan je nu ‘fier’ zijn op toeval? Of haal je je trots uit andermans verwezenlijkingen? Omdat je er zelf niks van bakt? 

Een land is een constructie. Een volk ook. Misschien ben jij wel een Eburoon. Misschien ben jij wel een Kelt. Misschien ben jij wel een Puniër. De vlag dekt nooit de lading.