Skip to content

Herpes

Zo gaat dat nu eenmaal met in leven blijven: je maakt almaar meer verjaardagen mee. Van jezelf, uiteraard, maar dat zijn de minst boeiende. Van je kinderen, je kleinkinderen, je familie, je vrienden, je huisdieren, bekende lieden, republieken en koninkrijken, bouwovertredingen en schuldvorderingen, misdrijven en misdaden. En muziekalbums. Dat zijn de lastigste. 

Deze week kwam mij een lijst onder ogen van albums die dit jaar vijftig jaar oud zijn. Ik bespaar u de opsomming daarvan, enerzijds omdat die nooit volledig kan zijn en derhalve arbitrair is, anderzijds omdat opsommingen doorgaans bijzonder saai, ja zelfs soms hoogst vervelend zijn — denk terug aan de opsomming van uw behaalde punten op uw schoolrapport, hardop en snerend, door uw uiterst ontevreden verwekker; gelaten diende u die zinloze kwelling te ondergaan, alsof u nog niet op de hoogte was van de omvang van de catastrofe, of althans daarvan al te weinig doordrongen; zo schuldbewust mogelijk kijkend boog u het hoofd, onderwijl denkend aan de heerlijkheden die u in weerwil van uw schandelijk falen alsnog te beurt zouden vallen, zoals een tongzoen van uw hitsig lief of — naargelang uw leeftijd en relationele status — een likje van de uitgelaten hond. 

Wie oud genoeg is, maakt zijn eigen lijstje wel, van de albums uit 1972 die hem zijn bijgebleven als herpes, en waarvan hij dus nooit geneest. De eerste van Roxy Music, bijvoorbeeld, of Slade Alive!, of Ziggy Stardust, of Transformer, of Made in Japan, of Can’t Buy a Thrill, of Harvest…: stuk voor stuk hoogst aangename aandoeningen die zichzelf schaamteloos op je harde schijf hebben gebrand, alsof je ze destijds zelf had bedacht, helemaal zelf, in je eentje, op je jongenskamertje, waar je eigenlijk Latijnse woordenlijsten uit het hoofd hoorde te leren, en datums van veldslagen en passés composés. 

Niet alles, evenwel, is passé composé. Er is altijd volop présent. Ook wie nu pas komt kijken, naar dat buitengewoon wereldschouwtoneel van opwinding en ontroering, van vervreemding en verdriet, van baldadigheid en ordinaire pret, ook die haalt zijn hart op, wanneer hij lukraak in de fraaie muziekdoos van 1972 grabbelt. Maar hooguit lukt hem daarbij verbazing. De ouden krijgen er telkens een bonustrack bij: die van het terugkijken in vertedering. 

Applaus

Wanneer wist u dat u nooit een echte topper zou worden? Dat u het maar beter bij monter aanmodderen kon houden, met hopelijk ooit doch gewis hoogst zelden een flits van genialiteit die iedereen verstomd deed staan, uzelf nog het meest? 

Ik was elf. Eerste jaar middelbare school. Daar stond ik dan, op die schier onmetelijke speelplaats. Een breekbaar broekventje, te midden van heelder horden vervaarlijk denderende reuzen die voet-, volley- en basketbalden met een atletisch gemak waarvan ik enigszins angstig achteruitdeinsde. Dat kon mijn broze corpusje niet aan. Nooit, zo besefte ik gelaten, zou ik scoren zoals in mijn dromen. Van de weeromstuit besloot ik mij toe te leggen op gymnastiek. Taalgymnastiek. 

Nee, het is niet voor iedereen weggelegd, topsport. Je moet er niet alleen het lijf voor hebben, maar ook en vooral — naast een bespottelijk grote dosis talent — het hoofd. Zonder het hoofd wordt het niks. Met wilskracht kom je een heel eind: tot daar waar talent écht het verschil kan maken. Wilskracht komt echter doorgaans in een pakketje, samen met koppigheid en eigenwaan. Die drie branden elkaar vooruit, veelal in de goede richting, een enkele keer naar de afgrond. Dan heb je verhalen. Altijd smullen.

Ziedaar wat mij zoal voor de geest kwam, toen ik even terugblikte op de strapatsen van Novak Djokovic en Noa Lang, deze week. De ene lijkt op weg om de succesrijkste tennisser aller tijden te worden, de andere om na tien overstapjes en zeven sleepbewegingen onweerstaanbaar zichzelf in de voet te schieten. Toch hebben ze wat gemeen: een onwrikbaar geloof in eigen kunnen, en van daaruit de overtuiging dat zij zich niet moeten schikken naar de regels voor gewone stervelingen. 

Het is een geestesgesteldheid die mij volstrekt vreemd is. 

Misschien heeft dat ook te maken met het feit dat men mij niet met vijfentwintigduizend man toejuicht of met miljoenen euro’s beloont als ik weer eens een stukje heb geschreven. Doorgaans leun ik dan hooguit even achterover, krab ik bedenkelijk kijkend in mijn baard, drink ik mijn restje koffie op en werp ik een blik door het raam. In de middagmist fladdert een vogel op. Ziedaar, zo besef ik, mijn applaus.

Vooroplopen

Het was zoals de eerste en de tweede keer. Geen ongemak die naam waard. Hooguit een vriendelijke herinnering, toen ik ’s avonds laat vanuit mijn karakteristieke denkhouding iets te fluks naar dat glas wijn op het salontafeltje reikte. Volgende keer je andere arm gebruiken, lamzak, sprak ik mezelf bestraffend toe, of tenminste de moeite doen om rechtop te gaan zitten. 

Werkelijk, het stelde niks voor, die derde prik. Enige tijd later begaf ik mij genoeglijk te bed, evenwel niet zonder eerst even mezelf dorsaal te betasten: nee, nog geen spoor van een staart. 

De volgende ochtend zat er een brief in de bus, waarin ik door het Agentschap Zorg & Gezondheid vriendelijk werd uitgenodigd mijzelf een dag tevoren aan te bieden voor mijn derde prik. Ik lachte eens op de mij kenmerkende wijze. Haha, gij onnozel Agentschap toch! Haha, gij onnozele bpost toch! Haha! Hahahaha! Hahahahahahahaha! Daarna moest ik even bekomen. Van lachen word je nu eenmaal niet jonger.

Er viel echter, zo besefte ik enigszins beschaamd toen ik weer bij mijn zinnen was, eigenlijk niet zo gek veel te lachen. Die brief was slechts grappig doordat ik al lang van tevoren digitaal op de hoogte was gebracht. In mijn eenvoudige werkmanswoonst staat een laptop, in mijn eenvoudige werkmansbroekzak zit een smartphone. Geen voos prentje ontgaat mij, laat staan een belangrijk bericht van het Agentschap Zorg & Gezondheid. En ik bekijk ze allebei even gretig. Ik zal niet ongeïnformeerd sterven.

Maar: één op de twaalf Belgen heeft geen internet, en één op de tien geen smartphone. Die mensen — toch al gauw een miljoen — rekenen voor hun communicatie met de overheid dus nog altijd op de papieren post en de telefoon. En dan kan één dagje het verschil maken tussen meedoen en afhaken. 

Wie de mensen mee wil krijgen, moet niet vooroplopen, maar tussen hen. Op hun ritme. En naar hen luisteren, als ze iets fluisteren.

Anekdote

2021 en ik hebben iets gemeen: we sukkelen allebei naar het jaareinde toe. Ik wegens een bijzonder brakke rug, 2021 wegens redenen waarop ik nu niet dieper inga omdat ik het fijn zou vinden als u dit stukje blijft lezen. Daarvoor wordt het namelijk geschreven. Daarvoor getroost ik mij de moeite om telkens weer in de grote letterbak des levens te grabbelen en met wat het lot mij toekent een min of meer begrijpelijke reeks woorden op het bord te leggen. Noem het zingeving. 

Met het ouder worden vergaat mij, wellicht paradoxaal genoeg, steeds meer de lust om terug te blikken. Jarenlang heb ik dat om den brode wel gedaan, als columnist soms zelfs paginagroot, in een milde mix van ernst en luim. Er mocht al eens gelachen worden omdat huilen op den duur gaat vervelen. De kwinkslag als remedie tegen de kaakslag. Tegenwoordig laat ik het professioneel terugblikken over aan mensen die, daarin enigszins gesterkt door de statistieken en de bemoedigende woorden hunner talloze chefs, veronderstellen dat zij nog een hele toekomst voor zich hebben. 

Mijn toekomst huppelt op kinderbeentjes door de woonkamer van mijn dochter, nu eens als prinses of dinosauriër, dan weer als Hulk of r&b-K3, zinderend van kwebbellust en skateplankenkoorts. Dan zit ik daar, naargelang de tijd van het jaar al dan niet verkleed in kerstman, vertederd en verwonderd naar te gapen. De vleesgeworden voortzetting van mijn broekloos vertier van weleer. Dat klapzoenen al een tijdje zijn verschrompeld tot een aai over de bol en hooguit een zo steriel mogelijke knuffel, en het schoolleven bijwijlen is verschraald tot een digitaal moment met de meester: het lijkt ze amper te deren. Ze hebben wel wat beters te doen. Door plassen lopen, bijvoorbeeld, of van de trap vallen. Ik gun het ze van harte.

Zo ik al het overzicht probeer te bewaren, dan niet van wat voorbij is, maar wel van wat nog kan komen. Regeren is vooruitzien, en mijn hoofd regeert als een despoot. Wat zal het komende jaar brengen, vraagt mijn hoofd zichzelf op draconische wijze, en het lijst meteen een hele reeks eventualiteiten op, van verontrustend tot catastrofaal. Vervolgens wijst het zichzelf streng terecht en mompelt het enkele aardige perspectiefjes, van glunderend een glas met vrienden tot een schaamteloos luie middag in de tuin. En in een nimmer vaart minderende carrousel malen de gedachten de uren weg. Ik leef op in mijn slaap.

Het terugblikken van weleer is herleid tot de anekdote, het aangeklede verhaal van vroeger. De naakte waarheid hoeft niet meer. Haar littekens zijn me genoegzaam vertrouwd, haar zichtbare verval verzuurt de zoete herinnering. Wij zijn geen feiten. Wij zijn onze verhalen.

2022 en ik hebben iets gemeen: we zullen de rug rechten. 

Stappen

“Dju toch. Daar gaat mijn bus. Dertig seconden. Had die vrouw voor me maar niet zo getreuzeld, aan de kassa. Nu, zover is het eigenlijk niet. Als ik goed doorstap, een halfuurtje. Misschien iets meer, met die knie. Maar hij zal op mij zitten wachten. Hopelijk begint het niet te regenen. Met die twee zware zakken heb ik geen hand meer vrij voor mijn paraplu. Wat zeg ik nu? Ik heb geen paraplu mee. Ook stom. Nu, het zal me leren. Nee, dat is niet waar. Het zal me niet leren. Het leert me nooit. Een mens is eigenlijk veel dwazer dan hij denkt. Oei, die stenen liggen hier los. Nog net op tijd gezien. Een geluk dat ik mijn goeie schoenen aanheb. Met die knie. Voor je het weet, verstap je je en mogen ze een ziekenwagen bellen. Gips. Krukken. Een karretje. De trap niet meer op kunnen. Beneden slapen, in de zetel. En al je kleren liggen boven. Voor alles hulp nodig hebben. Als een klein kind. Man, wat een verkeer. Rijd daar eens tussen, op je fietsje. En wat een lawaai. Wat een lawaai. Van ’s morgens tot ’s avonds. Om zot te worden. Je zal hier maar wonen. Tegen je goesting. En niet weg kunnen. Geen geld. Ik ga hier links afslaan. Dat zal beter zijn. Rustiger. En dan onder de brug en dan weer naar boven. ’t Is niet veel om. Beetje omhoog, ja, maar dat zal wel lukken. Wat staan die twee daar te doen? Raar. Ik ga toch oversteken. Een meter is een meter. Je weet nooit. Ah, ’t zijn vrijers. Wat een plaats om te staan vrijen. Gezellig. En warm is het ook al niet. Maar ja, ze zullen elkaar wel opwarmen, zeker? Hoe was ik zelf. In de gietende regen, soms. Je voelt dat niet, hé, als je jong bent. Je voelt dan iets anders. Haha. Onnozele. Goh, die zakken zijn toch zwaarder dan ik had gedacht. Mijn handen, mijn schouders. Bijna boven. Dan eens stoppen. Sigaretje. En goed voor mijn knie. ’t Wordt meer dan een halfuurtje. En hij zal op mij zitten wachten. Maar hij zal het me wel vergeven. De goedzak. Ik mag me gelukkig prijzen. Moh, is die winkel dicht? Op dit uur? Wat staat daar op de deur? Over te nemen? Jongens toch. Over te nemen. Triestig. Alles gaat kapot. Jaren ben ik daar geweest. Jaren. Vriendelijke mensen, nooit in de zak gezet. Hun zoon heb ik ook nog gekend. Jong gestorven. En nogal plots, geloof ik. Nooit geweten waaraan, eigenlijk. Raar. Je denkt dan al gauw: kanker. Of zelfmoord. Nu, niet dat het ertoe doet. Het is voorbij. En het is nooit voorbij. Over te nemen. Hopelijk krijgen ze er nog iets voor. Niet direct een topligging. ’t Wordt al een beetje donker. Veel straatverlichting is er hier niet. En daar, aan de overkant van het water, is het precies carnaval. Soms snap ik dat toch niet. Het zal wel aan mij liggen. Er is veel dat ik niet snap. Dan zit ik daar soms over na te denken, en ik geraak er niet uit. Of ik zoek het op en vind het niet. En dan sta ik daar. En een ander ligt er niet van wakker. Ja, die zakken, dat begint toch te wegen. En mijn knie voelt precies een beetje dik. Niet goed. ’k Ga hier een kortere weg nemen, hier rechts. Dat ken ik blindelings. Altijd langs hier naar De Vaantjes, destijds. Manmanman, en wreed dronken terug. Schandalig, eigenlijk. Was ik mijn eigen zoon geweest… Hoe zou het nog zijn, met Geert? En Peter? En Danny? Vrienden voor het leven, als het leven begint. Geen idee of ze nog leven. Zo gaat dat. Iedereen laat iedereen in de steek. Dat zweren verzweert. En je eindigt vol littekens. Ik voel mijn armen niet meer. En mijn knie moet rusten. Hoeveel stappen zou het nog zijn? Vooruit, tellen. Dan doet het geen pijn. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, elf, twaalf, dertien, veertien, vijftien, zestien, zeventien, achttien, negentien, twintig, eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig, vierentwintig, vijfentwintig, zesentwintig, zevenentwintig, achtentwintig, negenentwintig, dertig, eenendertig, tweeëndertig, drieëndertig, vierendertig, vijfendertig, zesendertig, zevenendertig, achtendertig, negenendertig, veertig, eenenveertig, tweeënveertig, drieënveertig, vierenveertig, vijfenveertig, zesenveertig, zevenenveertig, achtenveertig, negenenveertig, vijftig, eenenvijftig, tweeënvijftig, drieënvijftig, vierenvijftig, vijfenvijftig, zesenvijftig, zevenenvijftig, achtenvijftig, negenenvijftig, zestig, eenenzestig. Eenenzestig. Eindelijk. Hij zal blij zijn dat ik thuis ben. Samen kerstavond vieren, wij twee. Beetje tv kijken, gezellig. Ik heb nog wel iets in de diepvriezer. Een restje stoofvlees, denk ik. Dat is goed genoeg. En hij krijgt eens van die lekkere brokken.”

Korstmos

Dat je ertoe doet. Dat het wel degelijk een verschil maakt of je leeft of dood bent. Dat je leven, hoe schraal het ook moge lijken, zinvol is. Voor anderen, en daardoor voor jezelf. Dat lijkt me voor een samenleving de ondergrens.

*****

Even een omweg.

Hoe hard ik ook mijn best deed, de verhalen van de gewezen voetbalmakelaar Dejan Veljkovic in Panorama deze week over de linke soep waarin hij jarenlang heeft rondgezwommen maakten bij mij geen Grote Gevoelens los. Ik voelde niet de aandrang om verontwaardigd mijn winterpantoffel naar ’s mans televisieschermhoofd te gooien, en al evenmin om wraaklustig spoorslags naar de Brusselse Grote Markt te galopperen teneinde aldaar nog bij nachte een sfeervolle kerstgalg te timmeren. Dat ligt wellicht aan mijn vele jaren op een krantenredactie, en aan mijn algehele mensbeeld. Niets verbaast nog. Het enige wat telt, is vertedering. 

Ja maar, moeten we dan niet eindelijk eens stoppen met heel die corrupte, louter op geld beluste voetbalsector korting op de sociale lasten op die exuberante salarissen toe te staan?, opperde menig meninghebbende krachtig. Het is toch ronduit schandalig, wat daar gebeurt? De samenleving zou dat geld goed kunnen gebruiken! Immers, staat of valt onze sociaal-democratie niet met onvoorwaardelijke solidariteit? En vertaalt die solidariteit zich niet in een door de hele gemeenschap evenredig gefinancierde sociale zekerheid, zéker in deze turbulente tijden? Kortom, een binnenkoppertje. Toch?

*****

En toen las ik de nieuwsberichten over een verplichte gemeenschapsdienst voor langdurig werklozen. En overstemden de meninghebbenden meteen luidkeels mijn iel gemijmer.

*****

Ik ben ooit werkloos geweest. In de tijd dat je nog iedere dag je stempeltje moest halen, in het gemeentehuis, op een tijdstip dat je pas een dag van tevoren werd meegedeeld. Eerst stond je dan in een lange rij op het plein voor het gemeentehuis aan te schuiven, zodat de weldenkende goegemeente je eens grondig kon monsteren, in al je nutteloosheid. Binnen wachtte je achter een troosteloos loketraampje de aanblik ener ambtenaar wiens job jij probleemloos véél beter had gedaan, die met een verveeld gezicht een vakje op je kaart vulde en je daarbij aankeek alsof je een soort van korstmos was. Dat gezicht was op zich al erg genoeg, maar het allerergste was toch dat je zelfs niet eens korstmos wás, want korstmos is nuttig — jij zorgt er niet voor dat algen water en mineralen kunnen opnemen en tegen vraat of felle zon beschermd zijn. Jij zorgt voor niks. Hooguit voor overlast. Jij bent nutteloos. 

Wat had ik toen graag, tot nut van het algemeen, soep bedeeld. Of een perkje aangeharkt.

*****

Eenzelfde ontwrichtend gevoel van nutteloosheid overviel me toen ik mijn legerdienst moest vervullen. Ik had gestudeerd, maar kwam met mijn pedagogisch diploma niet verder dan op de nachtelijke winterse heide in een zelf gegraven putje liggen bevriezen, en in een aftandse praalzaal alcohol serveren aan lieden die daarna aan de slag gingen met helikopters of schiettuigen. Des avonds lag ik dan op mijn brits, de ledigheid van dit alles te contempleren. En zo ging een verloren jaar voorbij.

Wat had ik toen graag, tot nut van het algemeen, jongens die amper hun eigen naam konden schrijven iets bijgebracht. Een jaar lang. In ruil voor wat soldij. Bijna gratis, dus.

*****

Gemeenschapsdienst is geen verkeerd idee. Mij lijkt het zelfs iets nobels. Vraag aan iedereen die klaar is met studeren om, alvorens het betaalde werkleven te beginnen, in ruil voor een bescheiden vergoeding iets terug te doen voor de samenleving die die studies mogelijk heeft gemaakt. Wij hebben je leren metselen, metsel jij nu een tijdje voor ons. Wij hebben je leren verplegen, verpleeg jij nu een tijdje voor ons. Wij hebben je leren hersenen opereren, opereer jij nu een tijdje hersenen voor ons. Want wij hebben je nodig. Zonder jou komen we er niet. Wat jij kan, is belangrijk. Jij bent belangrijk. 

Langdurig werklozen zijn volgens mij over het algemeen niet graag langdurig werkloos. Laten we ons niet blindstaren op de hangmatkampioenen. Zoals we ons ook niet hoeven blind te staren op die enkele duurbetaalde entertainers op noppen. Laten we liever eens goed nadenken over hoe we mensen die ervaren dat hun bestaan schier irrelevant is ervan kunnen overtuigen dat hun leven wél zinvol is. Als ze iets doen voor anderen, en daardoor finaal voor zichzelf. Dat ze ertoe doen. 

Feest!

– Hij zal weer ‘Ha, altijd lekker, een glaasje cavia!’ zeggen. 

– Dat zit er dik in, ja.

– En wij zullen weer glimlachen. Uit beleefdheid. En hij zal weer denken dat hij grappig is. 

– Daar valt niet veel aan te doen, vrees ik.

– En dan zal er een stilte vallen. En dan zal hij zeggen: ‘Allez, santé.’ En wij zullen antwoorden: ‘Ja, santé, hé.’ En dan zullen we eens vanop afstand klinken, elk een slokje nemen, en ons glas neerzetten. En dan valt er weer een stilte. En dan zal hij zijn keel schrapen, wijzen naar een schoteltje scampi op de salontafel, en vragen: ‘Wat is dat?’ En dan zal iemand van ons zeggen: ‘Dat zijn scampi.’ En dan zal hij antwoorden: ’Scampi? Scampi? Scampi’s!’ En dan zal iemand van ons zeggen: ‘Het mag allebei.’ En dan zal hij zeggen: ‘Dat is flauwekul. ’t Zijn scampi’s. Ik heb het nooit anders geweten. Scampi’s.’ En dan valt er weer een stilte. En dan zal hij vragen: ‘Is ’t met look? Want dat moet ik niet hebben, hé.’ En dan zal een van ons antwoorden: ’Neenee, ’t is zonder.’ En dan zal hij zeggen: ‘Hm. Pikant, zeker?’ En dan zal een van ons antwoorden: ‘Neenee, niet pikant. Probeer maar eens.’ En dan zal hij zeggen: ‘Heb je geen kaasje of zo? Maar zonder iets op, hé.’ En dan gaat een van ons naar de keuken, een bordje kaasblokjes halen, zonder iets op, en dat bordje naast hem zetten en hij zal er twee van eten. Twee. En na het eerste — dat hij smakkend opeet — zal hij zeggen: ‘Goeie kaas. Zeg, moet dat zo luid staan, die ‘muziek’?’ En een van ons zal antwoorden: ‘Dat staat niet luid, hoor.’ En hij zal zeggen: ’Toch wel. Zet dat eens een beetje stiller. We zitten hier toch niet op de foor?’ En dan zal een van ons rechtstaan, naar de stereo lopen, doen alsof hij aan een knop draait, weer komen zitten en vragen: ‘Is ’t beter, zo?’ En hij zal knikken. En dan zal er weer een stilte vallen. En dan zal ik zeggen: ‘Ik ga eens kijken in de keuken, voor nog een warm hapje.’ En terwijl ik naar de keuken stap, zal hij me naroepen: ‘Voor mij niet te veel, hé. Ik krijg dat toch niet op!’ En ik zal antwoorden: ‘Geen probleem. Komt in orde.’ En ik zal de keuken binnenstappen, de keukendeur achter me dichttrekken, en in tranen uitbarsten.

Takelkraan

Dag Sinterklaas,

dat is al even geleden, hé? Zou U nog uit Uw blote hoofd weten wie ik ben? Of moet U dat door Uw Hoofdpiet laten uitvogelen? Ik sta zeker in dat dikke boek dat U altijd uit Spanje meebrengt. Maar Hoofdpiet zal wel even flink moeten terugbladeren, hoor. Vele oorlogen.

U herinnert zich mij misschien niet, ik U wel. Wij hebben elkaar destijds meer dan eens ontmoet. Van minstens één van onze ontmoetingen bestaat zelfs een foto. Daarop staan mijn jongere broertje en ik, als van ijzerdraad gevlochten en in hongerwintermanteltjes gehuld, naast de troon waarop U in redelijk vol ornaat bent neergezeten. Mijn broertje en ik doen, zo te zien, net niet in onze broek. Wel zijn we allebei bijzonder bleek. Dat kan aan een alarmerend gebrek aan vitamine D hebben gelegen, maar wellicht komt dat gewoon door het feit dat de jaren genadeloos zijn voor slome kleurenfotootjes van vele oorlogen geleden.

Eerst was ik behoorlijk verbaasd dat U, met al die drukte, de tijd had om in de Bon Marché te komen zitten. Op die leeftijd had ik natuurlijk nog geen notie van just-in-time-delivery, een distributiemechanisme dat U ongetwijfeld zelf ooit hebt bedacht terwijl U, daar in uw Iberisch paleis, achteloos met enkele appeltjes van oranje aan het jongleren was. Wie een paard door een schoorsteen krijgt met de belofte dat enkele meters dieper een verrukkelijke raap op hem wacht, is tot grotere mirakels in staat. Misschien, Sinterklaas, moet U zich eens over het coronabeleid in dit land buigen. Doch ik dwaal af. 

Ik kan me van U nog enkele heerlijke geschenken herinneren. Al valt niet uit te sluiten dat deze geschenken enkel in mijn herinnering heerlijk zijn, en in werkelijkheid van hoogst matige kwaliteit en verdachte oorsprong waren. Doch dat deert niet. Het loutere genoegen dat men des avonds in een soort van spijkerschrift om een takelkraan had gevraagd en des ochtends op de tafel in de woonkamer een takelkraan aantrof, overstijgt alle bedenkingen die de FOD Economie of Vinçotte of Amnesty International bij die takelkraan kunnen formuleren. Zeker als je zes bent.

Het àlleraardigste aan U, Sinterklaas, is natuurlijk dat men, zodra men niet meer in U gelooft, U wordt. 

Weliswaar eerst als zwijgzaam assistentje. Dan is men acht, of godbetert negen, maar reeds kan men met z’n ouders betekenisvolle blikken uitwisselen of eens stiekem achter z’n handje lachen wanneer het jongere broertje of zusje uit pure verrukking uitbarst in een danklied, of wanneer — dát is het echte werk — broertje of zusje angstig terugdeinst als het in de Bon Marché met zachte dwang naar Uw troon wordt geleid. Zelve stapt men met een monter hupje op U af, want men weet nu dat U een ingehuurde amateurtheaterspeler met een een handige rokersstem bent. 

Later, veel later, als men zich na menigvoud broekloos vertier met goed gevolg heeft voortgeplant, is men zelf Sinterklaas. De echte. En grijnzend heeft men lief. 

Blackie

“Pas op, ik versta dat, hé. ’t Is niet gemakkelijk. ’t Is niet dat ge niet van goede wil zijt, integendeel, maar wie of wat moet ge op de duur nog geloven? Naar wie moet ge luisteren? De ene roept dit, de andere dat, nog ene nog iets anders, en ze roepen allemaal door elkaar, en ze veranderen constant van gedacht, en na een tijdje zegt ge: flut. Flut, bekijk het maar, ik ga doen wat ík denk dat goed is. Maar in uw eigen weet ge het eigenlijk ook niet goed, ge hebt daar niet voor doorgeleerd, en daarbij, ge hebt wel wat anders aan uw hoofd. Ge draait uw botten af, maar ge komt tijd te kort. En geld. Alles wordt duurder. De naft, den elektriek, de gas. En ge moet dit aan uw huis doen, en dat, en dan komt er een op tv met cijfers en tabellen en moeilijke woorden en een vies gezicht, en gij, ge zit daar, in uw zetel, met uw zere rug en uw afbetalingen, en ge verstaat er niks van. Niks. En ge roept naar uw scherm, maar dat helpt ook niet, ge weet dat wel, maar ’t is een keer nodig, roepen. Ge kunt niet blijven zwijgen en knikken en voortdoen gelijk ge bezig waart, of ge ontploft. Dus ge roept, lelijke dingen, en ge vloekt zelfs, en ge verschiet een beetje van uw eigen, want anders zijt ge zo niet, bijlange niet, ge zijt eigenlijk een kalme mens, ze hebben u zo ver gekregen, de prutsers — en ge krijgt een krop in uw keel en natte ogen. En ge zegt, verdomme, wat is dat nu met mij, maar ze gaan niet weg, die tranen, integendeel, ze worden groter, en ze kantelen over het boordje van uw ogen en glijden op uw wangen, en ge zit daar, gelijk een kind, en ge weet niet eens goed vanwaar die tranen nu eigenlijk komen, want ge zijt geen bleiter, de laatste keer dat ge echt gebleit hebt, was toen de veearts Blackie in slaap deed, voor altijd, en dat is toch al een paar jaar geleden, maar ge voelt de pijn weer, de pijn dat ge er niets aan kon doen, dat ge alles had gedaan en dat alles niet genoeg was, en dat het beter was dat Blackie niet meer afzag, maar nu zag ge zelf af, en zijt ge in een waas van snot en tranen naar buiten gelopen, en uw maag trok in een knoop en ge begon te beven en ge moest bijna overgeven, en ge wenste dat ge zelf dood waart. Allez, ‘k ga u laten. Mijn patatten moeten op het vuur. Seffens zijn de kinders thuis. Houd u goed, hé.”

Dude

Als er op Play 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 of op VTM 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 geheel uitzonderlijk eens niks te zien is, raak ik des avonds laat soms verzeild op National Geographic of Discovery. Die twee zenders haal ik altijd door elkaar, doch dat deert niet, want welke van de twee ik ook opzet, steevast word ik getrakteerd op een portie leerzaam vermaak. Nu eens over een matig gecoiffeerde vegetariër met een voorliefde voor dood en vernieling, dan weer over even fabel- als twijfelachtige schatten in slecht onderhouden Peruviaanse bosschagen, of over de gevaren voor lijf en leden bij het uit woelige wateren hijsen van metalen kooien waarin enkele verstrooide krabben zijn beland. Bij het genot van een glas wijn kijk ik dan, veelal horizontaal gedrapeerd, empathisch toe. Die arme krabben. 

De jongste tijd stuit ik bijwijlen op de avonturen van mannen die in een uiterst onherbergzaam gebied zijn gedropt en vanuit die weinig benijdenswaardige positie naar de bewoonde wereld moeten zien terug te keren, wellicht teneinde des avonds op National Geographic of Discovery naar zichzelf te kunnen kijken. 

Die mannen zijn, geheel volgens script, met z’n tweeën. De ene is steevast een voormalige militair die, gezien zijn speciale opleiding, in staat is om met een geknakte rietstengel een aanstormende olifant dodelijk te spiesen, de andere een teleurgesteld voormalig partijlid van Agalev dat zich de voorbije vijftien jaar heeft bekwaamd in het blootsvoets over ratelslangen lopen en het vinden van zeven weken oude sporen van tuimelkruid. Om hun bovenmenselijke inspanning tot een goed einde te kunnen brengen, beschikken deze mannen zelden over meer dan al hun ledematen, enkele krachttermen, een priemende dan wel dromerige blik, enige nonchalante gelaatsbegroeiing, en een wollen muts. Respect, dude.

Het mooiste vind ik hun duizelingwekkende klimpartijen op spekgladde rotswanden, onder een genadeloze stortregen en een stijve tot krachtige bries, teneinde aan het verwoestende onheil achter hen te ontsnappen en, eens veilig en wel boven en na een duderige highfive, monter nieuw onheil tegemoet te rennen. Dan denk ik vol bewondering aan de onzichtbare mannen naast hen, die net hetzelfde doen, maar met één hand. In de andere torsen zij een peperdure filmcamera.