Skip to content

Kleinigheidje

Er was één getal dat bleef nazinderen, in mijn achter diepe, zorgelijke voorhoofdrimpels verscholen hersenpannetje, nadat ik de hele saga rond Samen had doorworsteld. Hij sprak het schier achteloos uit in ‘Terzake’, Tom Meeuws, alsof het een fait divers betrof, een kleinigheidje: de sp.a-voorman in Antwerpen beheerde tijdens zijn dagen als directeur bij De Lijn een budget van 350 miljoen. (Voor de actieve senioren onder de lezers: dat is ongeveer 14 miljard frank.)

Een budget van 350 miljoen, dat is toch net iets meer dan het mijne – en ik wed, ook het uwe. Wij doen het met hooguit enkele tienduizenden euro’s, en daar zijn wij diep in onszelf heel blij om, want wij zouden reddeloos verloren zijn, zo wij plots 350 miljoen dienden te beheren. Wij zouden slapeloze nachten hebben, nimmer met vakantie durven te gaan en finaal ten prooi vallen aan onomkeerbare paranoia. Wie 350 miljoen kan beheren, behoort tot die zeldzame variant der mensheid die een welhaast autistische aanleg voor abstrahering en onthechting paart aan een diep doorvoeld maatschappelijk engagement en een bewonderenswaardige morele onkreukbaarheid. Die staat van genade zullen wij nooit bereiken, beseffen wij dankbaar.

Je ziet ze zelden op tv, de mensen die – zonder goedkeuring van de stembusganger – een budget van 350 miljoen aan belastinggeld beheren. Ze hebben daar geen belang bij. Integendeel. Ze staan op zondagochtend bij de bakker graag ongeschoren aan te schuiven. En een stoppelbaard of weekendsnorretje vergeeft men een beheerder van 350 miljoen niet gauw. Men redeneert: wie zo slordig met de eigen gezichtsbeharing omspringt, is ook niet te vertrouwen met andermans 350 miljoen. En staan ze op zondagochtend bij de bakker gladgeschoren in de rij, dan redeneert men: ijdeltuit.

Nee, benijden moet men ze niet, de lieden die 350 miljoen beheren. Wel dient men ze nauwlettend in de gaten te houden. Je weet maar nooit dat ze – ondanks hun hierboven beschreven exceptionele kwaliteiten – héél even alle voeling met de realiteit verliezen en menen dat een welkomstdrankje ons 660.000 euro mag kosten.

Advertisements

Kampioen

‘Hij is overleden in 2015, zij in 2016. Dat heb ik gezien in de akte’, zegt de man, terwijl hij goedkeurend de gezandstraalde gevel bekijkt. ‘Schoon, hé?’

‘Ach zo. Dat wist ik niet. Ja, schoon’, antwoord ik.

We praten wat over dakgoten en afvoerpijpen. Gaan nog gauw even samen iets controleren, op zolder in het gezandstraalde huis, en dan moet hij ervandoor: een skivakantie laat niet op zich wachten. Ik wens hem een prettige reis. Dat lijkt me gepast. Hij is tenslotte m’n nieuwe buurman.

Nee, ik wist het niet, dat ze overleden waren. Ja, op een bepaald moment was hij er niet meer, en ja, wat later ook zij niet meer, maar overleden? Misschien waren ze naar een rusthuis vertrokken, de ene al wat eerder dan de andere. Misschien waren ze alsnog uiteengegaan. Je leest en hoort zoveel, tegenwoordig, over actieve senioren. Dan ga je niet bij mevrouw aanbellen met de vraag of meneer misschien overleden is. Je wil haar niet horen antwoorden: ‘Overleden? Hij? Dat varken? Was het maar zo! Nee, begot, hij heeft me laten zitten! Voor een jonge del van zestig!’

Plus: we hebben in pakweg vijftien jaar geen honderd woorden met elkaar gewisseld. Vaker heb ik door de dunne muren boven het kraken van de houten vloer gehoord en beneden het stromen van een waterkraantje, dan gewoon, buiten, op de stoep, aan de voordeur, bij stom toeval, hun stem. Ze deden niet fanatiek aan vriendelijkheid. Wel kampioen Nors Kijken.

Ook dat zijn buren. Geen olijke, vrolijke hopsasa’s die je om de haverklap lastigvallen met wafelenbak en tuinpartijtjes, met kroostverhalen en reissouvenirs, met groepsaankoopjes en gezondheidsloopjes. Nee, gewoon sombere, stugge schaduwen van het leven. Je weet niet wat ze meedragen. Welk groot verdriet, welk bitter onrecht ze torsen. Welke strijd ze leveren, wie of wat hun demonen zijn. In welke waan ze zichzelf gevangen weten en zwijgend, gebogen hun scheikundig lot ondergaan.

Het gezandstraalde huis behoeft nog nieuwe ramen en deuren, nutsvoorzieningen en een verse vloer. Dan trekken er mensen in. Van die vrolijke. Die mij zien en denken: daar, de kampioen Nors Kijken.

Trots

’t Is niet omdat ik je hoer noem

dat ik je een hoer vind

’t is niet omdat ik je broer noem

dat je dan ook een kind

van mijn vader bent

of mijn moeder kent

zoals ik haar ken

en haar kroonprins ben

sinds ’t begin, in haar schoot

na mijn vaders kleine dood

zoals dat heet

nee, joh, je weet

toch best hoe dat gaat:

de taal van de straat

beetje swag, beetje stoer

juiste jasje, juiste dasje

onze code, ja – of was je

dan misschien zelf nooit jong?

eigen mond, eigen tong

dus nee, je bent geen hoer

 

plus: hey, ik ben een kunstenaar

een taalatleet

een straatpoëet

dus: hey, ding naar mijn gunsten, maar

eisen? vergeet

het, kunst regeert!

ik kijk en beschrijf

je billen, je kont

je borsten, je mond

ja, je hele lijf

’t is een ode

de voorbode

van mijn liefde voor jou

ja, dat hoor je goed:

liefde, geen lust

nee, wees gerust

ik weet hoe het moet

ik respecteer de vrouw

 

oké, ik loop een beetje raar

met mijn benen iets te wijd

en een blik in mijn ogen van:

aan iedereen het schijt

en ‘k zit vaker bij de kapper

dan een luiaard op zijn krent

maar zo hoort het voor een rapper

want stijl is wat je bent

in je straat, in je wijk

ben je koning, ben je rijk

beetje wheelen

beetje dealen

– ho! flikken!

met de jongens op het plein

(waar je niet zou moeten zijn)

beetje hangen

vol verlangen

chicks checken

maar hey: verlangen met respect

naar een knuffel

naar een kusje

tot de trouw geen echte seks

zoals ’t ook hoort

voor mijn zusje

 

aan de klojo’s die beslissen

aan de klojo’s die me dissen

dat ik afval ben

in riolen zwem

met ratten en poep

in chemische soep

aan hun zeg ik: man, flikker toch op

met je zelfvoldaanheid, je dikke kop

je nette taaltje in het publiek

en vieze praat elders, je bent ziek

ik daarentegen ben gezond

ik ben echt

en hey: ik own mijn shit

of, wacht, is een grote mond

het voorrecht

van wie rijk is en wit?

 

mijn woord is mijn waarheid

ja, mijn woord schept klaarheid

en ja, soms

is ’t iets doms

is ’t iets zots

en daarna

is mijn ma

niet zo trots

Glimlach

Veel is er niet nodig. Een beetje tijd. Een extra centje. Wat goede wil.

Terugblikken hoeft niet. Dat doen anderen voor u. Professionele terugblikkers. Het hele jaar door leggen zij als bezetenen lijstjes aan, maken zij mapjes vol submapjes, broeden zij kippendriftig op formats. Dezer dagen storten zij de zorgvuldig bereide vrucht hunner afwijking over u uit. Moe, maar tevreden.

(Wacht, nee, niet tevreden. Veeleer met forse tegenzin heel even berustend in de zoveelste confrontatie met de eigen onvolkomenheid. En vervolgens er weer tegenaan. Met aandoenlijke verbetenheid. Geloof me, ik ken ze. De ongelukkigen.)

U kunt er eens goed voor gaan zitten, voor zo’n professionele terugblik, bij een geurige bak koffie of een romig ruisende trappist, en zich verbazen over wat u allemaal weer hebt overleefd en de selectiviteit van uw geheugen. U neemt een slok en mijmert een wijle in stille dankbaarheid.

U kunt die hele hap ook feestelijk negeren. U hebt namelijk wel wat beters te doen dan te zwelgen in goedkoop sentiment. U weigert mee te stappen in de hersendodende tredmolen van die perfide schuldinductie-industrie. U houdt de blik strak gericht op wat komt. Achteromkijken is gevaarlijk, als je immer voortraast.

Zelve ben ik niet zo’n voortrazer. Doorgaans zit ik hoog op de zijberm, wijnkoeler bij de hand, in de schaduw van een forse partij hoogstammige vegetatie. Ik kauw op een strootje en kijk naar beneden. Daar spoedt men zich massaal van links naar rechts en van rechts naar links. Er komen brokken van, weet je als ervaren zijbermzitter, brokken en files. Je benijdt niemand. Je haalt het strootje uit je mond en nipt aan je glas. Dan hoor je plots geritsel. Je kijkt om en ziet een merel die, het kraalogig kopje driftig heen en weer draaiend, in schichtige hupjes het gras doorzoekt. Misschien, zo denk je, wil hij m’n strootje wel. Je legt het neer en glimlacht om jezelf.

Zo probeer ik deze feestdagen door te komen, en dat wens ik ook u, trouwe lezer, toe. Glimlachend. Toekijkend. In het moment. Weg van de waan. Weg van het jaar. Onthecht.

Nee, veel is er niet nodig.

Gedoe

Bekentenis: ik geef graag cadeautjes.

Mensen die tegen betaling in je hoofd kijken, zullen zeggen dat ik dat doe om aardig te worden gevonden. Die mensen krijgen van mij geen cadeautje.

Toegegeven, cadeautjes voor volwassenen gaan me beter af dan die voor tweejarigen. Dat komt hoofdzakelijk doordat ik me net iets makkelijker kan voorstellen hoe het is om een volwassene te zijn. Van mijn tweejarigheid herinner ik me voorlopig niets. Dat komt pas, zo lees ik weleens in vakbladen, als ik een jaar of vijfennegentig ben. Nu al benieuwd. Wellicht iets met kak.

Aan cadeautjes voor volwassenen zitten twee mooie kanten: enerzijds de erkentelijke glimlach van de begunstigde bij ontvangst van het kleinood, anderzijds de schier militaire operatie die aan de overhandiging voorafgaat.

Jawel, ik ben van de oude strekking: ik peins, overweeg, noteer, bereken, schrap, voeg toe, herbereken, weeg af, beslis en strompel vervolgens de winterstad in, met in mijn hart de moed der goedertierenheid en in mijn ogen de blik der waanzinnigheid, daar ik op het laatste moment het zorgvuldig samengestelde lijstje in de prullenmand heb gegooid, in de overtuiging dat mijn vindingrijkheid mij zal voorzien van een prachtvracht aan cadeautjes zonder schipbreuk te lijden op de verraderlijke klippen mijner talent voor impulsaankopen.

Inderdaad, het is telkenjare een hoogst wonderlijke, voor de toeschouwer ongetwijfeld uiterst vermakelijke vaart.

Om mij heen schudt men, bij het aanhoren mijner avonturen, steevast meewarig het hoofd. Onnozele hals, zo zie ik men denken, al dat gedoe, al die moeite, al dat tijdverlies. Men boldotcomt en feliciteert zichzelf.

Dat lukt mij niet. Ik hou van de valse romantiek die schuilt in het zelf de straat op gaan, in het zelf radeloos rommelen, in het zelf zeulen met veel te zware tassen, in het zelf inpakken – een aandoenlijk gevecht met papier, plakband en krullint dat doorgaans eindigt in het moedeloos staren naar een door tien boldotcomcamions overreden parallellepipedum.

Een cadeautje geven, zo bromt de oude man in mij, is telkens ook een beetje van jezelf geven.

Bevrijding

Eindelijk. Eindelijk waren de moderne tijden aangebroken. Eindelijk zouden wij binnentreden in de heerlijkheid van het bestaan. Eindelijk zouden wij deelachtig worden aan de geheimen die de sleutel vormden tot het ware leven, het leven zoals wij ons dat droomden.

Inderdaad: voor het eerst kregen wij op de middelbare school de mogelijkheid om Engels als tweede taal te kiezen.

Tot dan was Frans impératif geweest. Je was eraan begonnen in het vijfde studiejaar, enkele uurtjes per week, bovenop het reguliere pakket. Vocabulaire en orthographe, gedreund dictee, in eindeloze herhaling, terwijl de zon ter kimme neeg en de tijd voor plezier onherroepelijk verloren ging. Stilletjes verwenste je je ouders. Frans was een verdrukking.

Engels was een bevrijding. Samen met de kauwgum en de nylonkous aan land gekomen in 1944 en hier nooit meer weggegaan. En terwijl Frans de taal bleef van lieden in zwarte rolkraag die in rokerige kroegen schouderophalend mistroostig zaten te zijn, werd Engels de taal van de morele plicht genaamd optimisme en van die hoogst prettige jeuk onder je navel. Als je Engels sprak, barstte je wereld open, groeide je haar, swingden je tieten. L’enfer, c’est les autres? Make love, not war! Vlaanderen Vlaams? Hm. Vlaanderen Engels, ja!

Dat we op school in de jonge jaren zeventig van de vorige eeuw eindelijk Engels als tweede taal konden kiezen, was dus gewoon een inhaalbeweging. De erkenning van een fait accompli. Frans was de taal van het verleden.

Hoe ingrijpend die omslag is geweest, werd deze week nog maar eens duidelijk bij de dood van Johnny Hallyday. Johnny dafuck who?, vroegen vele cultuurminnende jongelui van dertig, veertig zich af. Welleuh, Johnny van ruim 110 miljoen verkochte platen en meer dan vijftig keer Vorst Nationaal, antwoordden vijftigers en zestigers, eraan toevoegend: maar ja, hij zong in het Frans.

Overigens heb ik Engels niet als tweede taal mogen kiezen. Het bleef Frans. Nuttiger, en net dat ietsje verfijnder qua cultuur, vonden ze thuis. Enkele jaren later ontdekte ik Serge Gainsbourg. En spuwde Jacques Brel ‘Les Flamingants’.

Wegkijken

Net toen het zijn beurt was, bleek de ketel leeg. Geen gratis soepmaaltijd, dus. Niks. Daar stond het dan, beteuterd te dralen. Nu eens blikte het in z’n lege plastic doosje, dan weer naar de man die de ketel optilde en ermee weg stapte. Tussen berusting en hoop op een mirakel in. Zinvolheid en zinloosheid in één beeld.

Het jongetje was een jaar of zeven, acht. Donker Zuid-Afrikaantje. De man met de ketel was een blanke Belg van achtenveertig, nieuwsanker bij de VRT en vierentwintig uur te gast bij Eric Goens, in diens portretprogramma ‘Die Huis’. Daarin had hij even tevoren gezegd: ‘Uitgesloten worden is nog altijd een van mijn grootste angsten.’

De ene wordt uitgesloten omdat hij homo is, de andere omdat de ketel leeg is. Telkens rest slechts de honger. Knagend.

Je wéét dat ze bestaan, de schriele zwarte jongetjes van een jaar of zeven, acht die tevergeefs aanschuiven voor een lepel eten. Je weet het, en dat moet doorgaans volstaan. Je wil ze niet iedere dag in je gezicht gewreven krijgen. De aanblik is ondraaglijk. Je ziet zo’n jongetje, en in één klap zie je ze allemaal, ooit. Alle jongetjes, alle meisjes, alle mannen, alle vrouwen, in alle kleuren en maten, in eindeloze golven aangespoeld. Menselijk wrakhout. Je wordt misselijk en kijkt weg.

Je kijkt weg en je blik dwaalt naar binnen. Geen beter medicijn tegen medelijden dan zelfmedelijden. (Onder het vergrootglas van het eigen falen wordt doorgaans andermans schuld zichtbaar.) Kneusje van de klas. Reserve in het voetbalteam. Overgeslagen tijdens de kusjesdans. Transparant aan de toog. Krap bij kas, knaapje tussen kerels, dromer van dribbels, ruzie met rekenen. Overal achteraan, telkens net niet. Je was louter ach en wee. En niemand die het zag. En wie het zag, die keek weg. Ja, toch?

Dat is dus wat schriele zwarte jongetjes van zeven, acht met een leeg plastic doosje met je doen: in al hun machteloosheid je genadeloos terugwerpen op je eigen machteloosheid. Nu, en toen. Tegen toen vermag je niks. Tegen nu helpt een trage slok van je glas wijn en zappen: hé, iemand maakt een grap over zuurgooiers, leuk!