Skip to content

Titels

Door een ernstige afwijking genaamd werk zit ik dagelijks met m’n neus in meer dan één krant en struin ik door tientallen websites. Dat levert doorgaans een heleboel oninteressante informatie en vaststellingen op, die ik gretig opneem en, door een andere afwijking, onthoud. Ik heb daarmee leren leven en probeer er zo weinig mogelijk mensen mee lastig te vallen. Behalve u. 

Zo stelde ik deze week weer eens vast dat titels boven artikels verdomd lenig zijn. Pfff, vertel mij iets nieuws, Devriese, zult u streng zeggen, en ik zal ootmoedig knikken doch tegelijk u om vergeving vragen voor zoveel voorspelbaarheid, aangezien het onderwerp ons allen na aan het hart ligt: de gezondheid van onze studenten. 

Studenten zijn, sinds de sluiting van de steenkoolmijnen, onze belangrijkste grondstof. We gooien er miljoenen tegenaan en organiseren ons leven – openbaar én privé – zodanig, dat onze studenten in optimale omstandigheden kunnen drinken. (Wie ooit zelf student is geweest, zal zulks in dankbare herinnering bevestigen. De memorabelste verhalen gaan zelden over rauwkost.) Jazeker, de student moet nu en dan iets kunnen opdreunen, en inderdaad, een enkele keer wordt van hem of haar ook geveinsd inzicht verwacht, maar de belangrijkste oefening die hij of zij tot kunst dient te verheffen is de tango met de drank. Niets getuigt zozeer van geestelijke en intellectuele volwassenheid als een krachtdadig bijeen gezopen coma.

Die ontzagwekkende taak wordt van nabij opgevolgd door het Vlaams expertisecentrum voor Alcohol en andere Drugs. Uit cijfers die dat VAD vergaarde na bevraging van 36.000 studenten blijken, getuige de titels boven stukjes in twee kranten, twee zaken: enerzijds ‘1 op de 3 studenten drinkt te veel’, anderzijds ’Studenten gaan gezond om met alcohol’. 

Resultaat? Epische gevechten in de Vlaamse huiskamers, gevechten waarbij het lichtzwaardduel tussen Darth Vader en Luke Skywalker verbleekt. Aan de ene kant: de vader, met opgerolde krant, ‘Nietsnut!’ sissend; aan de andere kant: de zoon, met opgerolde krant, ‘Tiran!’ schreeuwend.

We lezen allemaal de verkeerde krant.

Advertisements

Boeketje

Ik kan me niet herinneren hoe we het gevierd hebben, die laatste keer. Zelfs niet eens óf we het gevierd hebben. Maar ik neem aan van wel. Al is ‘vieren’ ongetwijfeld een iets te feestelijk woord. Het was geen huis van trommels en trompetten. Malle hoedjes en polonaises kwamen er niet in. Hooguit zag je die onhebbelijkheden op tv, in een flits, onder afkeurend, misprijzend gegrom. Daar deden wij niet aan. Het was een huis van het kleine gebaar.

Het kleine gebaar was geen versje of liedje, die laatste keer, geen knutselwerkje uit de klas. Een vluchtige zoen, dat zou kunnen, en een van bijeengelegd zakgeld betaald boeketje, dat ook, ja. Veel gekker krijg je opgeschoten tieners niet. Misschien was er een stukje taart. Haar zoete zonde. Daarvoor kneep de Heer beslist een oogje dicht. Dat ene momentje van zwakheid, tegenover al die maanden van zelfbeheersing, dat was zo vergeven, toch?

Voor veel zondigheid was er trouwens geen tijd, die laatste keer. Half mei betekende: studeren. Ook op zondag. Natuurlijk. In de kleuterschool kwam je misschien nog weg met een weekendje niksen, maar niet aan de unief. En wie te jong was voor de unief, die diende stil te zijn. Zo ging dat nu eenmaal, in een huis zonder trommels en trompetten. Alles in de juiste volgorde. Leven was een ernstige zaak. Maar dat wisten wij nog niet.

Ach, wij wisten zo weinig, wij tieners. Wij wisten bijvoorbeeld ook niet dat het de laatste keer zou zijn, die laatste keer. Wij verkeerden in de waan dat er nog vele keren zouden volgen, jaar na jaar na jaar, tot in lengte van dagen, en dat wij, eens wij afgestudeerd en aan het werk en goedbetaald zouden zijn, telkenmale met almaar fraaiere attenties dan een vluchtige zoen en een boeketje zouden komen aanzetten. Wij zouden arriveren met trommels en trompetten, en uitstapjes en reizen, en vertederend nageslacht met knutselwerkjes. En wij zouden glimlachend toekijken hoe zij glimlachend toekeek.

Ja, wat we zouden, dat kan ik me herinneren. Maar niet hoe we het, háár gevierd hebben, die laatste Moederdag. Het is veertig jaar geleden. Wat rest, is het kleine gebaar.

Jantje

Ergens in een doos in een kast in een kamer heb ik er een foto van. Het is een van die foto’s die je niet eens tevoorschijn hoeft te halen om te kunnen bekijken, want ze staan op je netvlies gebrand. De zeldzame keren dat je ze in je handen houdt en daadwerkelijk bekijkt, overvalt je telkens weer dat gevoel waarvoor nog geen woord bestaat: een mengeling van verwondering, vertedering, vervreemding en het besef dat alles finaal teloorgaat. (Misschien net daarom hou je die foto’s veilig in de doos.)

Wereldwijd bestaan er van kwestieuze foto hooguit honderd exemplaren. En ik bezit daar één van. Door stom toeval. Toeval dat ik, bij mijn conceptie, net die ene versie van mijzelf werd en niet een van de miljoenen mogelijke andere. Toeval dat ik net dat ene stel ouders bleek te hebben. Toeval dat wij net dan net daar woonden. Toeval dat ik net op die dag niet ziek was. Of dood. (Bij nader inzien: toeval is niet altijd stom.)

Het is een foto in zwart-wit. Men ziet, tegen een achtergrond van vakkundig opeengestapelde bakstenen, een dertigtal minderjarigen en één meerderjarige. De meerderjarige staat uiterst links, netjes in het pak, de armen gekruist, het spaarzaam behaarde hoofd tien graden uit de loodlijn, een zelfverzekerde glimlach. De minderjarigen, stuk voor stuk kortgeschoren, zijn verdeeld over drie rijen: de achterste rij rechtop, de middelste op een bankje, de voorste op de grond in kleermakerszit, aldus een keure aan gehavende jongensknietjes etalerend. 

Het opmerkelijkste aan de minderjarigen is evenwel dat zij hun schort niet dragen. Voor de gelegenheid mocht, nee, moest die uit. De foto, immers, diende iets feestelijks uit te stralen, een heuglijke herinnering aan een heuglijk moment te zijn. Iets, vooral, waarmee je ouders konden uitpakken, kijk, hierzie, daar, op de voorste rij, in het midden, dat is ons Jantje! 

Ach. Ons Jantje staarde ietwat onnozel en mistroostig voor zich uit, door z’n stomme brilletje, in weerwil van het dubbele bevel van de meester en de fotograaf om vrolijk te kijken. 

Misschien was dat wel zijn kleine revolutie, daar en toen, in mei ’68. 

Onderhoud

In het eerste deel van zijn verdienstelijke werkje ‘La Divina Commedia’ heeft Dante Alighieri jammerlijk een deel van De Hel over het hoofd gezien: vrijdagochtend bij de coiffeur. Ofwel komt dat doordat in de veertiende eeuw de vaste wekelijkse sluitingsdag van de barbiers op vrijdag viel, ofwel doordat Dante stiekem kaal was.

Van nature ben ik een dinsdagmiddag-type. Dan kom ik in het coiffeursalon het best tot mijn recht. Het is er rustig. Geen mensen die er des ochtends als eerste bij willen zijn om hun dreigende struisvogelcoupe te laten aborteren, geen jongelui die in het diepst van hun gedachten een topvoetballer zijn en zulks uitdrukken in capillair vormgegeven waanzin. Nee, op dinsdagmiddag treft men in het salon louter lieden van stand aan: bedaarde dames en zwijgzame heren. En mij, dus. Wij knikken elkaar beleefd toe, doorbladeren een tijdschrift uit een lang verloren gewaande jaargang en doen er, tot wederzijds genoegen, het zwijgen toe. In de andere, immers, herkennen wij onszelf: een mens die van het groot onderhoud van de buitenkant van het hoofd dankbaar gebruik maakt om de binnenkant ervan een klein onderhoud te gunnen. Oogjes dicht en snaveltjes toe. Weldadig sluimeren.

Des te pijnlijker was het ontwaken, toen ik vrijdagochtend bij de coiffeur binnenstapte. Ik belandde er in een kakofonische kwelling van hels kwetterende dames en loeiende haardrogers. Even overwoog ik halsoverkop te vluchten en mijn uit de hand gelopen haardos dan maar enkele dagen te bedwingen met een fleurig elastiekje, doch mijn ergernis over mijn hoofdstruweel bleek groter dan mijn weerzin. Moedeloos onderging ik de pijniging door hardhorige vrouwen die luidkeels hun hele leven gedetailleerd uit de doeken deden, tot schier bekentenissen over urineverlies toe. Dra raakte ik bevangen door een milde moordlustigheid, doch even gauw kwam ik tot mijn zinnen: wat men zag en hoorde was, zo meende ik, de kakelende keerzijde van veelal onbevroede eenzaamheid.

Wat later doorprikte de coiffeur genadeloos mijn illusie: de dames waren hier om op hun schoonst te zijn voor een communie.

Gat

Wie, zoals ik, z’n schamel kostje verdient in de nieuwssupermarkt, kent de aandoening wel: het Syndroom van Schaarstestress. 

Er dient, tegen de klok, telkens weer een ruimte gevuld – op papier, in zendtijd – en liefst dusdanig, dat de klant er z’n gading vindt en, jawel, tevreden terugkeert. Dat lijkt eenvoudiger dan het is. Een supermarkt vol groenten is een groentewinkel, een supermarkt zonder groenten is geen supermarkt. En dus worden de nieuwssupermarktmanagers, en een enkele keer ook de rayonhoofden en beloftevolle rekkenvullers, op gezette tijden op cursus gestuurd. Daar worden zij, tussen het nuttigen van twee broodjes karnemelk in, deskundig bijgespijkerd in rekkenvullen, voorraadbeheer, magazijnopbouw, klantenservice, directe en indirecte interne en externe communicatie, en constructieve omgang met managers, rayonhoofden en rekkenvullers. Zulks valt toe te juichen. Wij willen immers onze groenten vers en snel, en dienstbaar gehoor vinden als wij zin hebben om eens flink te mopperen over een wanstaltige wortel. Wij zijn koning.

En toch. Ondanks alle cursussen en coaching en brainstorming en broodjes karnemelk, steekt het soms de kop op, even onvoorspelbaar als venijnig, als een hardnekkige herpes: het Syndroom van Schaarstestress. Plots is er een Gat. Een briljant idee blijkt door een stoethaspel verknoeid, een toezegging wordt te elfder ure een afzegging, in de coulissen zijgt een prima donna kotsend van de faalangst neer. En dus gaapt daar, grijnzend, het Gat. De klok tikt, almaar harder, almaar sneller. Iedereen kijkt naar iedereen, niemand kijkt terug. Dit is het dus, denkt men collectief, dit is het: het ondenkbare. 

Dan graait iemand blind in de prullenbak.

Zo moet het gegaan zijn, zondag bij de openbare omroep. Hoe valt anders te verklaren dat we in het tv-journaal plots een item te zien kregen waarbij ons werd verteld dat de paasvakantie gedaan was, dat ’s anderendaags de school dus herbegon, dat we derhalve onze kindjes op tijd in bed moesten stoppen en dat er daarvoor “tips” volgden? 

Tips? Om halfacht ’s avonds? Echte kindjes liggen dan al in bed.

Snotaap

Het was de schuld van Arnout Hauben. Zes weken lang hadden we op dinsdagavond naar zijn documentairereeks ‘Leve de Zoo’ gekeken, en wat bij aflevering één nog een onnozel ideetje had geleken, was na aflevering zes uitgegroeid tot een heus strijdplan voor een ontdekkingsreis: wij zouden tijdens de paasvakantie een dagtrip naar de Antwerpse zoo maken.

Vooral de manier waarop de presentator bij elk vervaarlijk dierlijk geluid telkens opnieuw geschrokken achteruit deinsde, kop in kas, de handen beschermend op de oren, had mij overtuigd. Ik keek naar Hauben, maar zag het jongetje van zes dat ik ooit was geweest – tussen fascinatie en oerangst in. Of zag ik een wat ouder wordende sukkelaar met een bovengemiddelde aanleg voor akoestische overgevoeligheid?

Daar gingen we dan, de trein de sporen gevend. Welk een urbanistische vreugde was het toch weer, de aangebouwde achterkant van het land te mogen aanschouwen: Tetris voor mensen met een blinddoek om. Stapelgekte. Surrealisme, dat in Antwerpen Centraal zichtbaar werd in een door zwaar bewapende militairen bewaakte flash mob van gymnastisch geïntoxiceerde jongelui.

Nadat we de argeloze knapzak hadden overvallen, begonnen we aan een fikse wandeling doorheen diverse continenten. Daarbij verbaasde ik me over de vele verfraaiingen. Ik herinnerde me pijnlijk scherp het apengebouw van weleer, waar ik als snotaap hevige aanvallen van machteloze empathie had moeten doorstaan – een gevoel dat nooit helemaal verdwijnt, bijvoorbeeld wanneer men een thargeit moedeloos ziet rondscharrelen op enkele vierkante meters nep rotsen in Antwerpen, in plaats van op een kloeke bergwand in de Himalaya. Het is niet anders: toon mij een geit, en ik val ten prooi aan valse romantiek.

Bij het verlaten van de zoo ontwaarden wij in elkaars ogen de ontgoocheling om onze vergeefse speurtocht naar de gevlekte roofwants en herstelden wij moeizaam van de akoestische kwelling die wij hadden ondergaan in het aquariumgebouw, waar de snerpende galm van heelder horden gillende peuters ons bijna tot meervoudige kindermoord had gedreven.

Kortom, een fijne dag.

Welverdiend

Sinds geruime tijd beoefen ik, zoals u als trouwe lezer van deze bescheiden prachtcolumn natuurlijk weet, het vaderschap. Af en toe leidt zulks tot een kleine bespiegeling. Doorgaans ontsnapt u daaraan: ik sta dan, in de beslotenheid mijner eenvoudige werkmanswoonst, naar foto’s te staren en overpeins een wijle de zichtbare resultaten van mijn broekloos vertier van weleer. Een enkele keer ontsnapt u er niet aan. En leest u zinnen zoals deze.

Het vaderschap is, in tegenstelling tot wat velen lijken te menen, geen hobby. Het is evenmin een job, en al zeker geen zwaar beroep dat recht geeft op vervroegd pensioen. Veeleer is het een aanhoudende staat van lichte verdwazing, waarin de boude overtuiging steevast in onzachte aanraking komt met de weinig elastische werkelijkheid.

De vader probeert, zich baserend op de manifeste tekorten en gebreken in z’n eigen opvoeding, de oude fouten te vermijden, en begaat aldus nieuwe. Welke dat zijn, wordt evenwel pas pijnlijk duidelijk wanneer de vader z’n kind zelf opvoeder ziet worden en her en der verontrustende sporen van een dwaalleer ontwaart, tekenen die haaks staan op de enige juiste handelwijze: de zijne. De vader stelt tot zijn afgrijzen vast dat hij deerlijk heeft gefaald en beseft dat hem slechts één eervolle uitweg rest: zich in ceremoniële kledij op het eigen zwaard storten.

Nu, misschien overdrijf ik een beetje. Misschien is het beter dat de vader gewoon nog even in leven blijft, zichzelf een Rochefort 10 inschenkt en rustig achteroverleunt. Er is geen haast bij. Hij glimlacht even, en kijkt uit het raam: een vogel hupt over het gazon en inspecteert goedkeurend de bloemen. Hij sluit de ogen en ruikt gemaaid gras. Zoete rust. Welverdiend.

Gisteren las ik in de krant een stuk over een jeugdige Gentse baardmans die zich à rato van 55 euro per uur op de markt gooit als vader-coach, voor “alle vaders die niet tevreden zijn met hoe de dingen lopen”. “We moeten leren omgaan met wat de tijd ons brengt”, orakelde hij vanuit z’n breedgeruite hemd.

De tijd brengt ons holle praat. Echte vaders verkiezen een Rochefort 10.